[p. 29]

La Princesse Lointaine

Nieuwe versie van Rostand's Drama

OP 28 October heeft het Théâtre Sarah-Bernhardt te Parijs de eerste opvoering gegeven van Rostand's Princesse Lointaine in de nieuwe, door den dichter nagelaten versie. Men herinnert zich dat de eerste vertooning van dit drama in zijn oorspronkelijke gedaante, plaats had in het Renaissance-theater op 5 April 1895. Het was een jeugdwerk waarop nog al wat aan te merken viel, hoofdzakelijk dit: Rostand, toen vooral de dichter van de speelsche Musardises en de luchtig-melancholische Romanesques, had zich aan een drama gewaagd, en een ernstig, tragisch en mystiek gegeven gegoten in een te wuften, te precieusen vorm. Toch had hij, gerijpt, er immer een bizondere sympathie voor gevoeld en hij meende dat het zijn plicht als kunstenaar was, het stuk te doen herleven in een omwerking, die profijt zou trekken uit zijn meerdere levenservaring en zijn geëvolueerd gevoel voor zelfcritiek. De verbeteringen en toevoegingen dagteekenen van de jaren 1910-1911, dus nadat hij zich verlost gevoelde van den welbekenden Chantecler-dwang; maar ook moet men bij het beoordeelen van de nieuwe Princesse in het oog houden dat Rostand juist in Chantecler in zijn element was; dat daarin de eigenschappen, hem door velen als fouten aangerekend, het sterkst tot uiting komen en dat er van het gewraakte gebrek aan bezonkenheid en eenvoud van vorm, wegens zijn eigen dichtersnatuur, nooit sprake is geweest, ook niet later. Het sombere en wijsgeerige drama, La Dernière Nuit de don Juan dat ook omstreeks dien tijd ontstond, bewijst het ons.

Hoofddoel was voor Rostand, La Princesse Lointaine te ontdoen van een te welige lyriek en het drama meer scenieke waarde te geven. De handeling moest worden versterkt ten koste van de beschrijving, de psychologie moest het anecdotische, het schilderachtige doen wijken op het tweede plan; het stuk moest, van gedicht, tooneelkunst worden.

Was de ontvangst in 1895 koel (Sarcey die Rostand zeer bewonderde, was over dit stuk, waarin hij een te duidelijken invloed van het symbolisme herkende, heelemaal niet te spreken), de reprise dit jaar heeft de critici verrukt (cf. Comoedia, La Liberté, L'OEuvre, Excelsior, l'Intransigeant etc.). Maar voor ons buitenlanders en lezers moet een andere maatstaf aangelegd worden dan voor de Franschen en de toeschouwers. Want de reprise van Chantecler, einde '27, heeft aangetoond dat een stuk van Rostand geen omwerking behoeft om in tegenstelling met de ontvangst van vóór den oorlog, nu toegejuicht te worden, en het is dus niet logisch het succes van deze opvoering toe te schrijven aan den nieuwen vorm; anderzijds mag ook niet vergeten worden dat de spelers der première in 1895 (Sarah Bernhardt, Lucien Guitry en de Max) zeker niet, en wel integendeel, hebben ondergedaan voor de tegenwoordige vertolkers, Vera Sergine, Henri Rollan

[p. 30]

en Paul Bernard. Neen, na de mode van Rostandafkamming dadelijk na den oorlog (een terugslag van de algemeene minachting voor al wat niet actueel of nieuwerwetsch was) volgde een periode van sympathie, een mode, ook, van overgave aan de melodieuze romantiek van weleer, - sympathie die niet zonder gelijkenis is met de heropleving van het succes geoogst door de walsen van Strauss, na de dweperij met Paul Whiteman of Jack Hylton.

Wij willen nu in het kort even nagaan, waardoor de nieuwe, de verjeugdigde Princesse Lointaine zich van de oorspronkelijke onderscheidt.

In het eerste bedrijf vinden wij vooral een aantal, o.i. juist voor den dramatischen gang overbodige, technische toevoegingen; de matrozen spreken die realistische taal die Hugo in zijn Préface van Cromwell predikte, en die meerendeels onbegrijpelijk is voor den leek - ... A quoi bon? zich met een spitsvondig rijm te méer vermaken, wat schiet daar lezer of toeschouwer mee op? In het tweede tooneel worden de lange tirades van Erasme en Trophime min of meer verhakkeld door dergelijke inlasschingen, en dat is jammer. Daar staat tegenover dat de dichter een stoplap of een door dien stoplap aangebracht geforceerd rijmwoord, verving door een aannemelijker en logischer term:

 
Ils chantèrent - avec quel zèle inopportun! -
 
La fille d'Hodierne et du grand Raymond Un

wordt:

 
Ils se mirent à nous chanter une princesse!
 
‘Rien n'est beau’, disaient-ils, ‘pour peu qu'on la connaisse.
 
Et le Prince, pensif, caressait un limier.
 
C'est la fille d'Hodierne et de Raymond Premier.’

In Tooneel III vinden wij in stede van de bloote vermelding: ‘De matrozen gaan allen ijverig aan den gang’ (nadat Bertrand hun honger en hun vermoeidheid met het beroemde minnelied verdreef), de verschillende verrichtingen vrij langdurig vermeld, en ditmaal geeft de overdaad der scheepstermen, gezegd als begeleiding van de actie, geen aanstoot. Wanneer de idealist Rudel verschijnt, vervangt hij het woord ‘viable’ (dat beteekent: levensvatbaar, en dat Rostand gebruikte in de beteekenis van ‘begaanbaar’) door een grammaticaal juiste, doch o.i. ondichterlijke uitdrukking: ‘eet Icarus qui des ailes s'ajoute ...’ Neen, dat klinkt niet! En die concessie van Rostand aan de eischen der nauwkeurigheid ten koste van de zoetvloeiendheid der verzen verwondert me. Goed is het integendeel weer dat in de nieuwe versie een 40-tal versregels ingelascht zijn tusschen Rudel's opkomen en zijn lofzang op Mélissinde; de dichter toont er ons in, hoe slecht Rudel er aan toe is, en de verliefde strofen worden er natuurlijker, geleidelijker door aangebracht; zij verraden nu niet meer den opzet van de ‘scène à faire’.

IIe bedrijf. Mélissinde heeft thans, in plaats van één hofdame (Sorismonde), een geheelen stoet, Josiane, Oriabel, Matabrune, Margiste, Agayette, Aélis, die elk iets zeggen, wier namen fraai mee-rijmen, die beweging geven aan de dialogen, tot dusver beperkt tot een samenspraak tusschen meesteres en dienares, zooals de traditie der treurspelen dat vroeg. Ook Nicholose, de knecht van den koopman Squarciafico, vroeger een zwijgende en zelfs geheel passieve rol, wordt thans in de actie betrokken. Het opzeggen van Rudel's minnedicht door Bertrand, wordt door alle hofdames begeleid en aangevuld: verhooging, alweer, van de dramatische intensiteit.

IIIe bedrijf. Na de onveranderd gebleven eerste twee tooneelen, laat de dichter in 3 Mélissinde alweer actiever en bewegelijker coquetteeren; in plaats éénmaal, onderbreekt zij bij herhaling Bertrand's pogingen, voor zijn vriend te pleiten, en haar onderbrekingen zijn zoowel woorden die hem in de rede vallen als gebaren die hem a fleiden en verleiden (telkens laat zij hem haar geurverspreidende armbanden ruiken). De tirade waarin Bertrand zijn prinselijken vriend vergelijkt met boeken-helden (Roland, Flor en Tristan), verviel gelukkig; en het daarop volgende gedeelte ‘Le voyage, comment, femme, te le décrire’ etc., is eigenlijk geheel opnieuw geschreven en heeft waarlijk bij de verandering heel veel gewonnen. Plastisch en dramatisch is deze beschrijving van de ellendige zeereis geworden, van litterair en hoogdravend als zij was. Het eigenlijk doel van het gansche stuk: de almacht van de Illuzie aan te toonen, de scheppende en nobele kracht der Gedachte, is hier thans zeer gelukkig uitgedrukt in goedgekozen personnificaties en bewegelijke metaforen. In 6 laat Mélissinde gedeeltelijk haar koelbloedige coquetterie varen die deze rol zoo onsympathiek en zelfs onaannemelijk maakte; zij vraagt, om den stervende te bezoeken, niet meer om haar diadeem, haar schepter, haar Princesseopschik; tot Sorismonde over Bertrand sprekende, laat zij ook haar Rostandeske preciositeit rusten, die haar vroeger dit kinderachtige vers ingaf:

 
Comprends-tu, Sorismonde,
 
Pourquoi, si brun, il a parfois la voix si blonde ...?

en zij wordt zich sterker bewust van haar eigen dubbelhartigheid:

 
Que je suis divisée et qu'on peut être double!

Dit Mélissinde in den mond te leggen is een

[p. 31]



illustratie
EDMOND ROSTAND 1868-1918

lofwaardige behendigheid van Rostand, want het is de zuivere uiting van Mélissinde's innerlijk conflict, waarvan de toeschouwer vroeger eigenlijk weinig merkte. En dan moet ook de aandacht gevestigd op het belangrijke feit dat de nieuwe Sorismonde goed, edelmoedig en gevoelig is geworden, terwijl zij vroeger een materialisme en een genotzucht predikte die door geen enkele noodzaak, en overigens door geen enkele andere aanduiding in haar rol gemotiveerd werden.

IVe bedrijf. Wanneer in 2, Mélissinde aan boord verschijnt, heffen de matrozen een loflied aan, dat veel te poëtisch en vooral te precieus is voor ruwe mannen, die de dichter tot nu toe alleen dialectale of technische termen liet zeggen. Helaas, een der akeligste verzen uit de 1895-versie:

 
(Mélissinde): Comment la trouvez-vous, la Princesse Lointaine?

is hier geheel gehandhaafd. Wat jammer! Hoe vaak heeft men geen aanstoot genomen aan deze misplaatste coquetterie in extremis! En ook de onwaarschijnlijkheid van enkele zóó langademige tiraden, door den stervende uitgesproken, bleef behouden; trouwens, de heele houding van de te lucide en zelfgenoegzame vertroostster Mélissinde, de intellectueele, geraffineerde en aanstellerige houding die deze figuur haar tragiek ontnam, krijgen wij hier wederom te aanschouwen.

Als concluzie moge gelden dat de nieuwe versie van La Princesse Lointaine enkele geringe verbeteringen bevat, hoofdzakelijk in het détail; maar dat van een gansch nieuwe versie of van een aanmerkelijke rijping geen sprake is.

 

M.J. PREMSELA