[p. 257]

De opdracht.

De kille, naakte directeurskamer, en het licht, dat door de hooge vensters binnenvalt, alsof het door ijsblokken gezeefd is...

Achter den lessenaar, die de gansche breedte van het vertrek inneemt, troont de geheimzinnige machthebber, de Werkgever, zwaar en geweldig, met in het welven van de schouders iets van het marmere van een Napoleon, en in den koepel van den kalen schedel iets dat aan den kop van een Mussolini herinnert.

Tusschen een telefoontoestel en den horen van een luidspreker ziet hij me aan, en ik voel een angst over mij komen, als staarde ik in de monden van het machinegeweer, dat de vijand in zijn modderige loopgraaf op mij gericht had. Een stoel werd mij niet aangeboden; ik sta op mijn lange en magere beenen te wiegelen naast mijn door wind en weder gedeukt handkoffertje, dat ik op den vloer heb neergezet. Ik huiver. Ik ben hier alleen met dien man en mijn schaduw, en beiden zijn genadeloos. Houterig en spichtig heeft de zon mijn spotbeeld geschetst op een zijwand, je zoudt zeggen, dat ik bedekt ben met de platen van een kapot harnas, mijn kinbaard lijkt touwpluis, belachelijk vergroot kromt zich mijn neus als de bek van een adelaar, en de kuif van mijn haren is in het vizier uit bordpapier van dien beroemdsten aller helmen herschapen.

De Don, neen, er is niemand ter wereld te vinden, die eraan zou wagen te twijfelen, of hij in den vleeze bestaan heeft. Commentators tikken Miguel de Cervantes op de vingers, schrappen kapittels, toonen het gewicht aan van gebeurtenissen, waar de berichtgever, naar hun meening, al te vluchtig

[p. 258]

over heen geloopen is, en trachten de grenzen van dat leven breeder uit te leggen, evengoed als vaak de wanden van de evangeliën stuk worden gebroken, om uitzicht over de velden te winnen waar Christus als jongen gespeeld heeft. En natuurlijk, dat de ridder van de droevige figuur ook een jeugdtijd gekend heeft, voor de engel aan zijn bedstee stond met het verjaardagsgeschenk van een hemelsche dwaasheid. Heeft hij niet op aardsche wijze liefgehad, eer hij de knie boog voor de heilige maagd van Toboso, zijn jus primae noctis oefende hij dat niet uit als een naarstige en welmeenende meester, en uit welke leerschool bracht hij al die schoone woorden mee, door tralievensters gefluisterd, of door een gat in het dak van den koestal? Maar dan moet hij een nakroost geteeld hebben; en zouden het zoo niet zijn kinderen en kindskinderen geweest zijn, die, bezeten door den reislust des stamvaders, zich overal in den vreemde vertoond hebben; waren zij niet de schildwachten op posten, die nooit afgelost werden, de strijdmakkers van uit hun rijk verbannen koningen, en die minnaars, met een dracht stokslagen op hun rug, en een hond op hun hielen, van wie de beschimpte liefdesklachten een halve eeuw later op muziek zouden gezet worden? En had ik het zelve dan ook niet te wijten aan dien droppel Castiliaansch bloed in mijn aderen, en het beetje stof van la Mancha onder mijn gelapte schoenzolen, dat ik hier zoo goed als naakt voor God stond tusschen een potsierlijke schaduw en een kaduuk handkoffertje?

‘Ja,’ zeg ik, ‘zeker,’ terwijl ik een stuntelig gebaar met mijn stijven stroohoed maak.

De man heeft gesproken. Helder en hard klonk dat, als zilvergeld uitgeteld op een toonbank:

‘Waar duizenden en nogmaals duizenden zich aan komen bieden, is een schifting van noode, een keuze.’

Dat begrijp ik.

‘Een proef moet afgelegd worden als bij een vergelijkend examen, en alles zal ervan afhangen, hoe de gegeven opdracht blijkt vervuld.’

IJverig knik ik met het hoofd, terwijl mijn hart bonst van vertwijfeling. Hoe is het mogelijk geweest, dat ik ooit een voet heb gezet over dien drempel! Mijn schaduw haalt de

[p. 259]

schouders op, schichtig en kouwelijk. Die oogen, waaraan het licht voorbijgegaan is stil en met gedoofde lampen, staren mij strak aan.

Weer gaat de stem spreken; maar dan plotseling begint het carillon van den toren te luiden. Vlak voor het open raam rijst de spits op, met zijn trossen van klokken tusschen een kantwerk van kruisbogen, en schudt zijn klanken over den kamervloer uit. Ik zie de lippen van den Meester bewegen, maar ik versta hem niet meer.

Het gedonder van het straatrumoer zoo even deed geen woord voor mij verloren gaan. Dat is één met de stilte geworden, en evenmin als de muziek van de sferen dringt daar een toon van tot ons door. We zijn doof voor het orkest van de hel en den hemel, en wie zou met de hand op het hart durven verzekeren, dat het mogelijk zou zijn om te leven, wanneer we, als Odysseus aan den mast vastgebonden, het verzuimd hadden, om onze ooren met was te verzegelen?

Maar het klokkenspel, dat door alles komt heendringen, geen sterveling biedt er weerstand aan. Het is als met den Westenwind, die door een arenveld vaart, en met zeeschuim, dat uiteenspat tegen bazaltblokken. Het wekt een uitzinnigheid in je op, een drang om te jubelen, te dansen, het sleurt je mee als een dor boomblad, stoeit met je, speelt met je, wervelt je in het ronde, en laat je achter tusschen een bos grashalmen, onder de naakte, warme middagzon. En waarom til ik dan nú ook niet de beenen op, de armen onder mijn jaspanden, en waarom sta ik hier doodstil en stumperig naast een dunne, trieste schaduw, die een moedeloos hoofd laat hangen? Omdat een magere hand in de mijne heeft gelegen, en een zorgelijke stem mij haar angstig: we moeten toch léven, toe heeft gefluisterd. Begrijp me, nièt leven, zooals ik het tot hier toe een schoon ding heb gevonden, en wat inhield, om van den morgen tot den avond de zon na te loopen, of, zooals Albertus Magnus dat gedaan heeft, om een lusthof vol rozen en vruchten in het hart van den winter te voorschijn te tooveren; maar leven, wat een helder wit kleed over de tafel wil zeggen, met een maal er op klaar gezet, dat niet overvloedig hoeft te wezen, doch met een paar sneden brood en een teug melk kan verzadigen, en zooveel vuur op de haard-

[p. 260]

plaat, dat je kinderen niet de vingertjes in de mouw hoeven te steken, en een warme japon voor de moeder, en een loodgieter, die het lek in het dak dicht, en voor jezelf een kantoorkruk, wat avondgenoegen en een verpoozen op Zondag, ja, leven, dat de bleeke, onweerspreekbare waarheid binnenhaalt, en den droom van de deur stuurt. Omdat die hand, nauwelijks zoo zwaar als de sneeuw, die je van een tak neemt, een nacht lang in de mijne gerust heeft, en we gezocht hebben, beraadslaagd, en den honger in de oogen hebben gekeken en het gebrek hebben gewogen, dáarom beweeg ik mij niet, terwijl ik overstroomd word door de bruisende tonen, en draag ik het lijdzaam, dat mijn broeder daar tegen den zijwand er uitziet, als was hij, juist als voorheen onze voorvader, van zijn eersten dwaaltocht thuisgebracht, op een armzaligen ezel, geblutst, gedeukt en bont en blauw geslagen.

Intusschen de Meester.... Een geërgerd Caesarprofiel met een minachtenden blik naar den toren, en dan een driftig, kort gebaar van een hand als de vin van een zeehond.

Ik begrijp hem, struikelend over mijn eigen beenen tuimel ik op het raam toe, sluit het met een slag. Het lied is afgebroken, en een klok tikt. Hij wenkt mij. Twee stappen treed ik nader, twéé, uitgeteld. En dan deelt hij mij, terwijl ik op de helle lichtvlek neerkijk van een kalen schedel, zakelijk zijn opdracht mee. Hij reikt mij een brief over, vijfmaal gezegeld, dien moet ik bezorgen en het antwoord terugbrengen, verder is het noodig, dat ik naar een warenhuis ga, en ten bewijze er van, dat ik inderdaad daar geweest ben, het meest kenmerkende aan hem voorleg van dien winkel, en eindelijk geeft hij mij een adres op van een straat, waarvan ik den naam, die naar natte wasch riekt en bedorven haring, nooit van tevoren gehoord heb, en daar zal ik wie mij opendoet verzoeken, om mij te volgen.

Ik glimlach; een taak eigenlijk, die je een kwajongen opdraagt voor een paar stuivers. Den brief berg ik in een jaszak, en buk mij naar mijn koffertje. Dan draait hij zijn tikkende klok om, die een chronometer blijkt te wezen, en die naar me loert uit den ring van zijn cijfers. Hij verzoekt me, om mijn horloge naar het uurwerk te regelen, en hij zegt mij den tijd binnen welken de opdracht moet vervuld zijn.

[p. 261]

Begrepen. En dadelijk daarop waait de wind van een dichtzwaaiende deur door mijn haren. De afscheidsbuiging, die ik gemaakt heb, krampt me nog na in de schouders, als ik me zie aangeland op een portaal, dat ik mij niet kan herinneren.

O, gejaagdheid, die als een panter, onder het al te vol in blad geschoten struikgewas van je ziel zit gedoken, brullend uitschiet, toeslaat, om met zijn prooi te verdwijnen in den put van het donker. Stommelend ijl ik een ijzeren trap af, enkel om mij den weg versperd te vinden door nu opstijgende treden. Neen, ik ontdek niemand, en ik haast me buiten adem door een doolhof van leuningen, kale corridors en vervelooze deuren. In mijn verbijstering open ik er een van, aarzelend, voorzichtig. Een holle kantoorzaal, klerken rij bij rij aan lange, gele tafels. Waar ik mijn knobbelig bovenlijf naar binnen steek, keeren zich alle gezichten, als aan een touw getrokken, naar mijn kant heen, terwijl de pennen door blijven schrijven. Ik stamel een verontschuldiging, terugwijkend. En ik vervolg mijn vruchteloozen tocht weer, wetend, dat iedere verloren minuut tegen een beurs goud opweegt. Ik verdwaal op een zolder, maak een mouw wit tegen een kelderwand; totdat plotseling van ver weg een gong dreunt. Meteen stort zich een menschenstroom over de gangen, sleurt me mee, draagt me, stormt met me de trappen af, de dag schuift een donker gordijn op, wind, zon, en ik ben buiten.

De eenige blijk ik, die staan blijft. Vlug en veerend snellen de lenige gestalten voorbij me, de beenen strekkend als bij een parademarsch. Ik laat ze, want ik moet mijn plan maken. De brief eerst; ik haal hem tevoorschijn; van nu af krijgt het minste gebaar een beteekenis. Verschrikt frons ik de wenkbrauwen, en breng het dokument dichter naar mijn bijziende oogen.

Wie kent dat gevoel niet, wanneer de angst, de beklemdheid je een hard, stijf masker voor het gezicht drukken, en je zoo aan de kaak gesteld wordt voor God en de wereld? Van ongeduld sidderend, onderzoek ik de envelop aan alle kanten. Hier heb je de lakken met het stempel des Machthebbers: een vuist, die een hamer omklemd houdt, en daar in forsche, duidelijke letters staat de naam van den geadresseerde geschreven; niets verder; geen straat aangeduid en

[p. 262]

geen nummer. Boos opzet, vergissing? In ieder geval weer teruggaan: de portalen en trappen, de kille gerechtszaal, en de Caesar met de onderkaak van den gorilla; alles moet ik overdoen. En dat terwijl mijn plomp nikkelen horloge zijn seconden tegen mijn hart uittelt, en in mijn gedachten een kinderhand een leeg bord naar me toeschuift, en een nog bleeker, uitgeteerde hand een verschoten gordijn optilt, en er uitgetuurd wordt naar het bericht van mijn zege.

Kom, vlug dus, geen aarzelen. Maar terwijl ik me omdraai, hoor ik achter me een daverend geratel, een ijzeren hek zakt voor den ingang van het kantoor neer, stalen deuren zwaaien geluidloos op hun geoliede scharnieren, sluiten zich, laten geen reet zichtbaar. Ik zoek naar een belknop, maar die is er niet. Als een donkere rots rijst het gebouw op, afwerend, onwrikbaar, en steekt den arm van een afgestompten toren voor de blauwe lucht in de hoogte.

Neen, nu zijn alle overwegingen als stof op een windvlaag geworden. Voort moet ik aanstonds, al is het ook blindelings.

De trottoirband, daar wacht ik mijn kans af, gespannen.

De zuivere Septemberzon gudst neer van de gevels, en maakt het opstijgend stof tot een gouddamp. Langs mij kruisen zich de tremmen, met de wielen en de beugels zingende, taxi's springen tevoorschijn, razen voorbij, zijn verdwenen, luxe-wagens, een juweelglans over de carrosserieën, glijden en groeten elkaar met een lichtvonk, metaal flitst van rijwielen; de schering dit van een doek van Arachne, waar de schanddaden der goden in staan geweven, met ons, poovere voetgangers, als inslag.

Voorzichtig, en dat niet terwille van mij slechts. Ach ja, ik beken het, dat ik tot nu toe met opzet van mijn schaduw als van mijn eenigen metgezel heb gesproken, en niet van de anderen. Het moet een geheim blijven, dat je nimmer alleen bent en dat je door de gedaanten van je ziel wordt gevolgd. Trouwens je twijfelt, en zelfs wanneer, gelijk nu, je zenuwen als de pees van een boog zijn gespannen, aarzel je, en gelooft aan hersenschimmen. Een enkel maal lees je ervan, en een heel boek lang zie je Rogoschin met den luitenant buiten dienst, den bokser en de verdere bende op de hielen, en toch leg je een hand voor de lippen. Maar hier, in mijn

[p. 263]

eenzaamheid op den stoeprand, wil ik voor een kort oogenblik geen geheim hebben, en ik verzeker het, dat achter iedereen aan, die de straat daar tracht over te steken, een drom opdringt van steigerende rossen, trosknechten, deernen en boosdoeners, bijna gestalteloos met het verkeer samenschuimend, en in het zonlicht fonkelend, dat als uitzinnig langs het asfalt danst. En wie het hoofd naar me wil toebuigen, dien zal ik ook dít in het oor fluisteren, dat met míj op een veiligen overtocht wachten een oude, magere hond, dien je verwaarloosd en zelfs een weinig schurftig zoudt kunnen noemen, een bleek bedelmeisje en een man uit een cabaretlied, met slechts één knoop aan een tot op den draad versleten jas over, blootshoofds, al de grijze haren in den wind. Geenszins bestrijd ik, dat er nog meer kunnen wezen, maar ik noem ze niet. Meteen moet ik plechtig verklaren, dat wat me in een stille hoop op meegevoel, in een zwakheid des harten, ontsnapt is, van nu af door me verloochend zal worden, en dat er tot aan het eind toe van mijn bekentenissen geen sprake meer van een gevolgstoet kan wezen. Aan elk voor zichzelf mag het vrijstaan, om me verder stad en land te zien doorkruisen, alleen met mijn city-bag of onder geleide. De verantwoording draag ik daar niet voor. Denk me hier enkel als aan den bodem vastgenageld, terwijl de hijgende tijd langs me voortijlt.

Een slagersjongen duwt me zijn mand tegen de borst, en verontschuldigt zich met een bespotting. Ik waag het. Het bruist rond me, brandingsgolven sluiten zich boven mij, en als ik de overzijde bereikt heb, veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. En daarbij merk ik, dat mijn hand den brief nog krampachtig omklemd houdt. Ik kan het niet laten, om hem weer naar de oogen te brengen. Julius, lees ik, Julius Lindeman. Den man moet ik kennen, maar van waar en wanneer dan? En trouwens wat baat het? Hem hier uit een half millioen inwoners aan het daglicht te brengen, evengoed kan je in een bijenkorf het insekt met den langsten angel uit willen zoeken, of uit een mierenhoop de arbeidster, die uit het driehonderd vijf en zestigste ei is gekropen.

Loop ik op een kleipad tusschen de wei en het water, dan kan ik uit den afdruk van de halve maan van een hoefijzer den ouderdom van het paard, dat daar gepasseerd is, bepalen,

[p. 264]

en uit de nadrukkelijkheid, waarmee het dubbelteenige merkteeken van het moederzwijn op het leem ingeplant staat, kan ik haar gewicht tot op een pond toe berekenen. Hoe dikwijls heb ik bij de stroovaalt de heksenletters onderzocht, door een hoenderen-congregatie achtergelaten, totdat ik het sic volo sic jubeo had gevonden, bij de drie punten dieper en als met hartstocht in den grond geperst, en waar de haan gestaan had, terwijl hij zich uitrekte, om den morgen met dien eenigen roep van een waarlijk groot en gulmondig welkom te groeten. O zon, hooigeur en zuchtende modder, - maar wat baat hier mijn kunde, waar iedere volgende schrede wegslijpt wat de vorige ingegriffeld heeft.

Moedeloos berg ik het couvert in een jaszak, en wacht onder het blauw van den herfsthemel, triest en gehavend als een treurwilg. En toch had ik één ding vergeten. Het toeval bedoel ik, of laat ik het liever in den tempel vereeren, waar het een marmeren altaar heeft en het de voorzienigheid noemen. Hoeveel malen heeft ze niet een appel in mijn schoot neer doen vallen, als ik dacht, dat ik dorst had, ja en hoe dikwijls was het slechts langs het koord van een herfstdraad, dat ze mij naar de plaats van vervulling gebracht heeft. Doch de honger is een grimmige deurwachter, die zelfs engelen van den drempel wijst. Ik had haar uit het oog verloren, ach sinds hoe lang al, en daarom spring ik op van verwondering, als er een hand op mijn schouder gelegd wordt.

‘Julius,’ roep ik, ‘Lindeman!’

Nu is alles mij duidelijk geworden. Hij steekt zijn arm door den mijne, en rustig leidt hij mij van den vluchtheuvel, waarop ik gestaan heb, het schuifelend gedrang uit.

Hij is niet veranderd. Een van die gezichten, die jong blijven, ook als het haar met wit doorsprenkeld is, en waar een mond in glimlacht over de jaren, welke de eenige werkelijkheid zijn van dat leven: de jeugdtijd. Julius, die eenmaal zal sterven in hetzelfde huis tusschen de olmen, dat hem geboren zag worden, van wien de liefste tochten bedevaarten geweest zijn, en die ieder gesprek met een: weet je nog? aanvangt.

Hij brengt mij door kalmere buurten, wat weinig verschil maakt, omdat er toch alles gesloopt wordt, plaats inruimend

[p. 265]

voor een bouwsel volgens de architectuur van de herinnering. En daar heb je het veertiende-eeuwsch kerkje, aan het eind van de dorpsstraat, en de smidse met zijn vuur en de muziek van den arbeid, en er vlak tegenover de school, alle vensters open naar den zomerdag, vlieggaten, zoemend van het a.b.c.-gezang van de kinderen, naast de licht gekalkte onderwijzerswoning, met Julius, den zoon van den meester, die het tuinhek opendoet, je een jubelenden groet toeroepend. Loop je verder, en heb je de laatste hofstee achter je gelaten, dan zie je het cricketveld blinken, frischgroen en sappig, en zoo in een warreling van hemdenwit flikkerend, dat je hart opspringt van blijdschap; waarna je den weg volgt, die zich de polders inslingert, en iedere nadering door een wolk stof aankondigt. Tot je afslaat bij een lindenlaan, die door een stil, eenvoudig huis wordt afgesloten, met manshooge stokrozen in het voortuintje, en een merel in den meidoorn, die 's avonds het lied vergeet te beëindigen, dat hij in den morgen aan heeft gevangen; een huis met een bank naast de voordeur, beroemd om zijn uitzicht, en een wingerd, langs den gevel klimmend, tot hij het dakvenster omklemd heeft, waar de nazaat van den dolenden ridder zijn beenigen jongenskop uitbuigt, de zon door zijn strooblonde haren laat spelen, den geur van den wind insnuift, en het landpad aftuurt naar de verwezenlijking van een wereld van verwachtingen.

Dit groeit hier, dit wordt hier geboren, terwijl ik naar de woorden van mijn makker van voor dertig jaar luister, en mij koester in de warmte van zijn nabijheid, den man achter den lessenaar, van wien je niet zeker kunt zeggen, of hij een sterveling is, een god of de duivel, heelemaal ben vergeten, en het getik tegen mijn hart aan vrijelijk achter een zwerm van verloren seconden laat aanrennen.

Ik blijf in dien eenigen tijd van mijn simpel geluk en mijn zuivere vreugde verzonken, tot we eensklaps, uit een stille steeg gekomen, voor het drukste plein van de stad staan, ik mij de handen voel drukken, me een tot morgen hoor toevoegen, en wij beiden meteen door een reep wielengeratel en zoeven van tramwagens worden gescheiden, even ondoorwaadbaar als een stroom lava, die door den Vesuvius uit is geworpen. Wanhopig ruk ik den brief uit mijn jaszak, en hem

[p. 266]

als een vlag boven het hoofd zwaaiend, roep ik: Julius!

Een troep straatjongens, naast me op den overtocht wachtend, joelen me na: Julius, - en overal in het rond wordt geschaterd. Maar al lijkt het mezelf, of ik geschreeuwd heb met een stem, die zich op adelaarsvleugels boven het gedonder van het verkeer uitheft, ik zie mijn jeugdvriend aan de overzij opduiken, de schouders scheef getrokken en den rug gebogen, en hij wendt het hoofd niet om.

Wild schiet ik naar voren; met knarsende remmen schokt een auto stil vlak voor mijn voeten, en de chauffeur steekt een vuurrood gezicht en een vuist buiten de voorruit. Ik laat mij niet ophouden; Julius' hoed is het, die me toewenkt, boven de menschenzee dobberend. Ik strek de armen er naar uit; hij wordt ondergedompeld, om een eind verder weer boven te drijven. Ik volg hem naar den adem snakkend, terwijl mijn hart in een hijgende borst stuiptrekt. Bij elken straathoek spiegelt hij mij een welslagen voor, en speelt met mij het spel van een fata morgana.

Op die manier doorkruis ik het stadscentrum, waar het geratel gedempt klinkt, en de voorbijgangers rustiger wandelen. Als een filmheld wring ik mij door de menigte in een tienvoud versneld tempo, en ijl ik voorbij de café-ramen, nagestaard door de, als op den bodem van een diep water in hun welbehagen verdronken, bezoekers, die zich naar hun kleurige dranken heenbuigen, langzame kwinkslagen over mij wisselend, en dan langs de breede winkelruiten, waarachter het wild dier van de luxe zich tijger-gelijk in de zon koestert.

Ik ben nu weer van de kruin tot de voetzool vervuld van mijn opdracht, en van de gezichten gedrukt tegen het venster, van de handen, die door me gevuld moeten worden, en van het weinigje feestvreugde, dat ik tusschen vier kale muren als een sparappelvuur zal doen opvlammen. Is het dus wonder, dat de misbruikte minuten mij als een wespenzwerm in den nek zitten, en ik daarom met mijn puntige ellebogen ruim baan maak, en zonder dank u te zeggen de valsche munt van den spot in ontvangst neem. O ja, zonder wrok ook, maar zoo ergens kon het híer toch de plaats zijn voor een enkelen blik van die Deernis, die zoo hoog wordt geprezen. Misschien, hoewel niemand kan weten, dat mijn city-bag leeg is.

[p. 267]

Tenslotte merk ik mij door Julius' vermeende hoofddeksel naar een onbekende plaats gevoerd, waar voor een verkeersweg een stegennet door werd gebroken. Een wijder stuk van den hemel blijkt open gekomen, en een duivenvlucht zie je omhoog rijzen in een lichte, zilveren flikkering. Toch is het dit niet, wat je geboeid houdt. Het is het blootgewoelde ingewand van de armelui's-woningen, dat zijn goorgele kubussen, zijn drekbruine zijvlakken en zijn wanden, waaraan het behangsel nog zit vastgekleefd, in een bouwstijl uit opiumdroomen voor het teedere blauw opstapelt, en erbarmen afsmeekt van de zon van September.

‘Mijn God,’ zeg ik, stilstaand, terwijl ik mijn handkoffertje naast me op de steenen zet. En, mijn voorhoofd fronsend, en den hals uitrekkend, denk ik - o gedachten, welke bij mij altijd onverhoopt en tegen den wind op aan komen vliegen - aan de vele dichters, die ons een stil vers of een schoone verbeelding na hebben gelaten, en hoe het een schandelijk gebruik is geworden, ook van hun schamele levens, en niet eens om een weg ruimer te maken, de pui naar beneden te halen, het geel en het bruin van hun heimelijkst gevoel te ontblooten, en onze nieuwsgierigheid op een schouwspel te vergasten, dat triest is, doch niet zonder grootschheid.

Langzaam verder slenterend spin ik mijn vergelijking uit tot in het oneindige, en het spreekt wel vanzelf, dat ik daarbij den god achter den lessenaar alweer ben vergeten, en evenmin aan het onvermurwbare denk van chronometers; maar mij mogelijk juist daarom eensklaps voor het warenhuis aanbeland vind, en de glazen deur voor me open zie draaien. Kalmte, wijding, het schuifelen van voeten, het gonzen van stemmen, een onmetelijk hoog koepeldak, dat zich boven mij welft, gaanderijen en boogvensters, toonbanken als altaren.... en ik ben in de kerk van het tweede kwart van de twintigste eeuw binnengetreden.

Mijn opdracht.... een kort moment wacht ik roerloos, de vingers om het handvat van mijn city-bag klemmend, en tracht mijn gedachten op één punt te richten, juist zooals ik dit zoo even voor het kantoor van den overbiddelijken Machthebber, ach, en hoe vruchteloos beproefd heb, doe een geweldigen stap op mijn dunne en stakerige beenen, en

[p. 268]

maak een begin met een dwaaltocht uit een zang van Homerus.

Maar laat ik, nu ik mezelven voor den rechterstoel van de wereld gesteld heb, den last van mijn mislukkingen op de schouders, tegelijk aanvangen met een verontschuldiging. En dan zou ik deze vraag voor willen leggen: verhoogt een hongerige maag niet de vatbaarheid voor verstrooidheid, en is voor goede raad en rede vatbaar wie naar een jagend hart loopt te luisteren? Waarbij ook nog gevoegd zal moeten worden, dat de trappen, die ik op en neer klim, ruim en vorstelijk zijn, of ze naar troonzalen leiden, en dat ik daar in een betooverend licht wandel, door de edelsteenfacetten van gebrand glas teeder gedempt en geheiligd, terwijl ik zeker veel tegenspraak en verwijt kan ontzenuwen met de opmerking, dat het toch van den tempel het doel is, om zijn bezoekers door een droom te begoochelen, en ze voor de verwezenlijking er van de beurs te doen trekken.

Ach, tijd, taak en lastgeving, ik ben ze al op de benedenverdieping vergeten, in de war gebracht langs den neus uitglurend naar de linten, de strikken, de bonte gewaden, de hoeden van stroo, vilt, met een veer, met een touffe, die ik, als uit omgeworpen korven, uit vind gestort voor mijn voeten; en waarom anders ben ik ze vergeten, dan om mijn sjofele huisgezin hier rond om me heen te verzamelen, de een haar versleten voorschoot en de volgende een kapot jurkje af te laten leggen, waarna ik ze uitdos zóó luisterrijk, alsof ze een koning een handkus moeten gaan brengen, zonder dat ik er mezelven bij oversla; want ik ontdoe me van mijn vuile en slobberige plunje - neen, rustig, alleen in verbeelding - en ik kies een deugdelijk home-spun pak uit, zoo een dat je beenderige figuur jeugd geeft en losheid, en waarin je over zaken discussieeren kunt, en vertrouwelijke handdrukken uitdeelen; om, verder geslenterd, me een oogenblik later in een clubfauteuil neer te vleien, het overhemd van mijn smoking op te doen bollen, de glazen te vullen, Julius, dien ik te gast heb, mijn sigarettenkoker over te reiken, terwijl ik mij duidelijk dít hoor verkondigen: ‘rust is goed, maar de rust over de rust, o mijn beste, is beter.’

Dan vervolg ik mijn omzwerving, sta in verwondering,

[p. 269]

steek den buik vooruit, buig het hoofd achterover, volg den menschendrom, sla gangen in, en keer terug langs gaanderijen, achteloos en onverschillig mijn leeg handkoffertje achter me aan zwaaiend; misschien wel met een argwanenden inspecteur van de zaak op de hielen, die er naar brandt, om me een kort woord in de ooren te fluisteren, mij naar zijn kantoortje te brengen, en mijn zakken en mijn city-bag te doorzoeken, hoewel ze immers alleen bol staan van den wind van de armoede.

Ik stoor er mij niet aan, en heb geen enkel kwaad vermoeden; vredig schrijd ik in mijn droom voort over Perzisch tapijtwerk, en maak halt voor een uitstalling van tuinmeubelen. Warm geel zijn ze, de stoelen, de lamp en de tafel, als waren ze uit gestolten zonnestralen gevlochten. Ik wieg op de beenen, waag een voorzichtig betasten, ja, en natuurlijk, dat hier een landhuis moet bij hooren met een ruim terras, dat uitziet over een groen, grazig parklandschap, en waar wij alle vier zijn vereenigd, behagelijk in het krakende riet leunend, bruin van huid en geurig, als een hooischelf, die een week lang onder de Julilucht stoofde.

En dit nog maakt van mijn dwaaltocht deel uit, dat ik telkens een hand, zoekend, in mijn broekzak steek, met verbaasde teleurstelling de paar stukken klein zilvergeld door de vingers laat glijden, en het aan mijn berooidheid alleen heb te danken, dat don Quichot's naneef en droomer zoo aanstonds niet, een heel fortuin en een half dozijn vervulde wenschen armer, de straatdeur van het warenhuis achter zich dicht zal voelen suizen.

Maar genoeg nu over luchtkasteelen, waar een zucht van de ziel je tot den bezitter van pleegt te maken, en die zelfs niet tegen het slaan van een klok kunnen.

En een klok slaat daar. Waar? Want iedereen weet toch, dat kerk en warenhuis ook dit met elkander gemeen hebben, dat tijdelijkheid er het kaf van het koren is, en alles wat het oogenblik afroept er uit den booze moet wezen. Misschien in mijzelven? In elk geval zóó luid klinken de slagen, dat ik de handen tegen de ooren moet klemmen, om nog een weinigje hoop te kunnen overhouden.

Voort weer! Droomen, wenschen worden uit mij wegge-

[p. 270]

vaagd, de seconden beginnen in mijn vestzak opnieuw aan hun duizelingwekkende ronde, en ik draaf aan achter mijn opdracht: Het meest kenmerkende....! En als ik de eindelooze gangen van koopwaar langs me heenschuiven zie, hard van nieuwheid, fonkelend, smeulend, even nutteloos als ze onmisbaar is, voel ik een bitterheid jegens den Werkgever in mij aanzwellen. Omdat mijn voorvader galeiboeven bevrijd heeft en tegen molenwieken heeft gevochten, wordt ook mij een taak gesteld, die te dwaas is en te onmogelijk, dan dat een sterveling ter wereld ze vervullen kan. Of gaat het ook hier om het toeval, dien welput in de wildernis, en is het slechts zaak, dat ik er in mijn verbijstering niet aan voorbij ijl?

En mijn beenen reppen zich.

Trappen, liften, elleboogstooten en spotwoorden; God helpe me, maar hoe zal ik mijn keus doen? Ik sta stil voor een toonbank, en ik vraag de verkoopster: Het meest kenmerkende? Rustig rijst ze voor me op, wit en zwart, dat door een goudmist gekroond wordt. Ze schudt het hoofd, verwonderd, doch niet zonder meevoelen, omdat er in vrouwenharten voor de zonen van den man uit la Mancha toch altijd een verborgen warmte onder de asch ligt, en ze glimlacht. Ach, die glimlach, als die het mocht wezen; maar hoe maakt een havelooze hongerlijder er zich meester van, en dan nog, wát zou de kaalhoofdige koning achter zijn schrijfbureau er van denken moeten, wanneer ik, mijn city-bag uitpakkend, dat wonder uit mededoogen en goedwilligheid als uit zonnestralen en herfstdraden samengeweven, tusschen zijn telefoontoestel en zijn luidspreker een glans liet verspreiden?

Daarom weet ik niets beters te doen, dan een eerbiedige buiging te maken, mijn hoed op te zetten, en in mijn verwarring en mijn beschaamdheid ijlings de steile treden van een nauwe, donkere trap te beklimmen, totdat ik me plotseling onder den blooten hemel op den daktuin wedervind.

Onder klapperende tentdakjes zitten de gasten van de behagelijkheid schertsend tezamen; maar ik, op het hoogste punt stilstaand, klem mij aan den vlaggestok vast. Bijna met de hand kan ik ze grijpen, de buitelende zwaluwen, die de halve manen van hun vleugelslag in het email van het

[p. 271]

najaarsche blauw griften; beneden me schittert het licht op de daken en de torens van een Bagdad uit het Arabische verhaal over een kalief. O, tot brons te worden hier, onder het wapperend dundoek, en tot in eeuwigheid een wachter te zijn over de stad, die ik liefheb. Ik zet de borst uit, trek mijn das recht, en neem de houding aan van een standbeeld. Maar goddank is mijn plicht waakzaam, ze schudt me uit een mijmering, die niemand een cent in de beurs brengt, drijft me met een paar zweepslagen de trap af, en doet me midden in de speelgoedafdeeling, boxen, hobbelpaarden, teddyberen en vliegende hollanders, belanden, als een steen in een zwerm kleurige zangvogels.

Meteen strek ik haastig een arm uit en til een bal omhoog tusschen de vingers. Zoo'n geel geribde, met paarse en vuurroode zijvlakken, die naar verf en caoutchouc riekt, waar je achteloos als kind mee gespeeld hebt, maar die je later zulk een geluk geeft, telkens als je het je herinnert, hoe hij tusschen je gezicht en de zon op en neer danste, dat je hem in een vers zoudt willen bezingen, ook al ben je geen dichter.

Aan de cassa betaal ik met bijna het gansche bedrag van mijn poovere bezitting, knip mijn city-bag open, en breng mijn buit in veiligheid. Het meest kenmerkende? Omdat hij op den aardbol lijkt en de sterren, begin heeft noch einde? Maar dan zou het leven in waarheid een spel zijn, en de specht van den honger, die een gat in je ingewand hakt, een illusie?

Naast me vonkt een lampje aan; rammelend wordt een stalen hek opzij gesmeten, en ik duik in de lift binnen. Blijmoedig voel ik mij, voor het eerst op mijn dwaaltocht, en ook mijn reisgenooten, die in de enge ruimte met mij samengepakt staan, moeten verheugd zijn over wat ze zich veroverd hebben. Echter geen sterveling toont het, en zwijgend zinken wij neer in de diepte als een kooi tonglooze nachtegalen.

Een schok, die slechts licht is, het hek, dat weer rinkelt, rustig stap ik uit, de rijzigste van allen. Tusschen twee rijen uitstallingen schrijd ik langzaam verder, het hoofd in den nek, als een fier strijdros. Alexander zou ik naar zijn zegepraal kunnen dragen, ach, slechts om één klein ding, dat me gelukt

[p. 272]

is. Door de weerspiegelende draaideuren word ik met zachten drang naar buiten gedreven, en een nieuw veld van verrichtingen ligt voor me open.

Fel blikkerend wordt het licht teruggekaatst door het plaveisel, het verkeer beschrijft zijn vuurpijlbogen, en de tocht van de snelheid waait mijn gezicht langs. Het is, of machtige armen mij aan een borst klemmen, waarin de koortsgloed van het jachtende bloed bonst.

‘Meer dan tijd,’ wordt in mijn oor geroepen.

‘Ja,’ zeg ik. En de chronometer staart mij weer aan met het loerende oog van zijn uurplaat.

Neen, niet de opdracht zelve is het, die tot wanhoop brengt. Ze zouden je als taak kunnen stellen, om een duizend lichtjaren verwijderde ster naar de aarde te halen, of een mond te zoeken om te kussen, die nog nooit gelogen heeft; en het zou niet onmogelijk wezen. Maar de spanne tijds, waarbinnen alles zijn beslag moet krijgen, wil je niet voor een dank-je van den duivel gezwoegd hebben, dát is de doornenkroon om je slapen. Al bracht ik mijn city-bag mee tot den rand toe gevuld met diamanten uit Kaapstad, en ik zou een seconde te laat zijn, dan zou de handpalm, die op de vin lijkt van een zeehond, afwerend naar me heengekeerd worden; langzaam, stap voor stap, zou ik achterwaarts wijken, zonder een woord tot mijn verdediging te kunnen aanvoeren, en ik zou over den drempel terugtuimelen.

Snel dus, dadelijk, want geen enkele voorsprong is mij toebedeeld. Anderen laten zich in de kussens van hun Buick of hun Rolls Royce, als een kind in de armen van zijn moeder, naar hun doel voeren; terzij van het portierraam geuren rozen in een zilveren vaas, en de wereld glijdt aan ze voorbij, als een boeiende rolprent. Ik heb het geld nog niet eens bij elkaar voor een taxi. Terwijl mijn oogen den horizont afzoeken, struikelen mijn pijnlijke voeten over elke voeg in de straatsteenen, en zwaar draag ik, met knikkende knieën, neen, niet aan dat handkoffertje, maar aan een arm hart, dat nog hongeriger dan mijn ledige maag is.... En dat ook nu alweer een paar kostbare minuten voor me heeft laten teloorgaan.

Snel dus, dadelijk, de eerste stap. Ik loop toe op den poli-

[p. 273]

tieagent, die zich op een kleinen vluchtheuvel geposteerd heeft. Ik vraag hem naar de straat, waarvan de naam naar natte wasch riekt en bedorven haring. Hij legt de richting uit, en verduidelijkt zijn woord met gebaren.

Hoekig en vierkant in zijn gladde kapotjas - zijn witte handschoen zwaait, en er glimt een vonk op zijn helm. Aan Neurenbergsch speelgoed moet ik denken, uit mijn kindertijd, aan de stijve poppen uit de arke Noachs, op hun voetstuk van een bleek-geel schijfje hout. Hij was er niet bij tusschen de herders en de herderinnetjes, zeker omdat hij toen al op wacht was gezet bij een verkeershoek. Maar heel zijn stramme staatsie stamt toch uit de spanen doos.

‘Juist,’ zeg ik, ‘zeker,’ volijverig met het hoofd knikkend, en tegelijk zit ik aan een kleine tafel voor een hoog, licht raam, schud een weerbarstige haarlok uit de oogen, open de arkdeur, doe de dieren buiten komen, paar bij paar, en bouw een nieuwe wereld.

Als de stem zwijgt, dank ik. Alleen één steeg, van alle die ik moet inslaan, heb ik onthouden; hier vlak bij. Ik steek naar haar over, binnensmonds zingend. Want steeds nog zit ik voor dat eerste venster des levens, dat door een wilde wingerdrank wordt omslingerd, en waar God bij je is in elken vogel, die pijlsnel voorbijschiet, en in ieder herfstblad, dat zich vallen laat. Sedert ben je er van opgestaan, en er hangt een duisternis in de gangen; maar nóg snijdt het een bloeiende lijst in het blauw uit, ook een moe, grijs hoofd kun je er uit neerbuigen, even, haastig, tusschen de eene regenvlaag en de andere, ja, en zelfs wanneer je er mee bezig bent, om de mazen van een stratennet, waarin ze den leeuwerik van je ziel hebben gevangen, te ontwarren, en je weet, dat de Machthebber je wacht achter zijn lessenaar.

Intusschen heb ik het einde van de steeg bereikt en van mijn eenige wijsheid, en weer moet ik vragen. Aan een jonge vrouw nu; want er is niemand anders te bekennen op het vale, uitgestorven pleintje, waar ik aangekomen ben. Vertrouwelijk legt ze een hand op een van mijn versleten mouwen, en ik zie haar wijzenden vinger als een vlug vogeltje voor mijn gezicht heen en weer fladderen. Ik maak een plechtstatige buiging, zoo een, als die drie honderd jaren geleden, op den

[p. 274]

rommelzolder van een oud kasteel in een onvermeld dorpje in het hart van la Mancha werd vergeten, en die ik voor deze gelegenheid te voorschijn gehaald heb, afgestoft en in de plooi gestreken.

Ze blijft voor mij uitgaan met een zwevend-rappen tred. Iemand zeker, overpeins ik, die vroeg haar man heeft verloren, of geen vaas voor de roos van haar liefde heeft weten te vinden, die aan iederen bedelaar de kleine munt van haar vriendelijkheid uitdeelt, en 's avonds, als het licht brandt, zegt: ik kan niet.

‘Ach, onzin,’ mompel ik, terwijl ik op een puntigen steen trap, maar hoe kan ik het helpen, dat er geen opwindender spel bestaat in de wereld dan raden naar den levensloop van medemenschen.

Bij een zijstraat houdt ze stil, keert het hoofd naar mij om, knikt, en duidt aan, hoe ik verder te gaan heb. Een tweede buiging van een Grande van Spanje, en dan zie ik haar niet meer; maar wel het bordje, waarop ik een anderen straatnaam lees dan den gezochten. Natuurlijk die huizenrij afloopen? Ook dan nog blijk ik verkeerd te zijn. En bochten afzoekend en hoeken omdraaiend, verlies ik mij in een van die kleumige, op krukken voortstrompelende buurten, waarmee Satan, omstreeks tachtig, een bevallige stad heeft bedrogen.

Een schoenlapper naast zijn winkeldeur, het lederen schootsvel voor, de duimlappen aan, en de stalen bril op het voorhoofd geschoven. O broeder uit een oud Duitsch dorpsverhaal, denk ik verteederd, en daarom meld ik mij in mijn benardheid bij hém aan.

‘Maar neen!’ roept hij half lachend, meewarig, waarbij hij een gebaar maakt naar zulk een oneindige verte, dat ik het gevoel krijg, of ik mij bij een zwerm onder de wolken voortjachtende trekvogels zal aan hebben te sluiten, wil ik mijn doel ooit bereiken. En geen seconde, die er verloren mag gaan.

‘Hu, hort,’ schreeuwt een bende kwajongens, naast me meedravend, want ik rek den hals uit, sper mijn neusgaten open, til de knieën op, en rep de magere spillebeenen. Enkel matig in mijn vaart, als ik een nieuwe inlichting moet

[p. 275]

inwinnen. Alle voor mij uitgestoken armen strekken zich naar een zelfde richting uit.

Kolenloodsen, stoomwolken en railsparen, die zich kruisen, knooppunten vormen, uiteenbuigen: de overweg.

Vlak voor mijn borst ploft de afsluitboom neer in een metalen geratel, en hakt mijn verderen voortgang middendoor met den slag van een valbijl.

Rustpoos en afwachten.

Een pekzwart rangeerlocomotiefje puft nader in een kortademig hijgen, met den elleboog van zijn overijlde zuigerstang pompend. Het davert voorbij me. Ik kijk naar het seinhuis. Zoo dadelijk? Want er is ook nog een brug voor de voetgangers voorhanden, die zich boven den overweg welft. Toch bedank ik er voor, om aan de eene zijde al de zes en dertig treden op te klimmen en een eender drie dozijn aan den anderen kant weer af te dalen, alleen maar, om me door het meesmuilen te laten begroeten van wie daar juist vóór mij rustig onder de omhoogrijzende hekken door zijn gewandeld.

Nog een korte minuut dus.

Intusschen vermeerdert zich het aantal van mijn lotgenooten. Slagersjongens met een schommelende mand voor het fietsstuur, buurvrouwen kakelend rond hun kinderwagens, lanterfanters, dankbaar om het oponthoud, sleeperskarren, droef en moede, naast plomp op hun rubber zich neerplantende vrachtauto's. Dat de hemel ze zegene, en onderwijl snellen de voortvarendsten de treden van de boogtrap op en neer.

Andermaal raast daar de locomotief langs, twee beestenwagens achter zich aanzeulend. De runderen staan er dicht in saamgepakt, je kijkt naar een verwarring van schuivende schoften, van horens, en het doffe loeien klaagt uit boven het gestamp der machine.

De drom der wachtenden begint ongeduldig te worden, grappen lachen op, en er wordt aan de afsluitboomen gerammeld.

Een onbeschrijfelijke verslagenheid maakt zich langzaamaan van mij meester, het is de diepe, donkere leegte van het godverlaten zijn. Ja, alsof God, tot aan dit uur toe, nimmer tot je was gekomen, dan in de schoonheid van een stralend

[p. 276]

aangezicht, dan in het geurige bloemschuim der meidoorns, dan in een dauwdrop, in een vogellied, en het je nu plotseling aangekondigd wordt, dat hij voortaan slechts voor je te bereiken zou wezen onder de sintels, die langs de messen van de rails uitgestort liggen, en dat je handen de zijne niet anders zouden zoeken mogen dan tastend tusschen raderen, zich klemmend om vlampijpen en ondergedompeld in het ketelvuur. O, zon door mijn bloeiende jeugdvenster, ik kán niet, en zwaarder is díe opdracht, dan waarvoor de Meester van de wereld mij de straat heeft opgestuurd.

Nog blijft de barrière gesloten, en ik moet eindelijk een besluit nemen. Eer ik mijn sprong waag, spied ik vorschend rond mij heen. Ik houd den adem in. Dit nu is een van die oogenblikken met den nood op het hoogst, dat het wonder nabij is. Het doet er niet toe, of de werkelijkheid het voor je gereed heeft, evengoed kan het uit den naakten bodem worden tevoorschijn geroepen, en je de beteekenis duidelijk maken van den tooverstaf en het sprookje. Genoeg, als je een nimmer vervulden wensch rijk bent.

Terwijl ik me omkeer, is het een dubbele verrassing, die me gebracht wordt: een nieuw huis, slank en sober als een meisje, en een meisje, juist uit de deur stappend, dat welgebouwd als dat huis is, als Davids toren, waar altemaal schilden aan hangen der helden. Recht loopt ze op me toe met de rappe beenen, in haar kort manteltje, en het blij-zijn van het begin van de lente, dat me tegemoet straalt onder een mosgroenen klokhoed. Ze blijft naast me staan, knikt tegen me, lacht tegen me, of neen, tegen mij niet, maar - ach en waarom weet ik geen enkel geheim te bewaren? - tegen een jongen van achttien, aan wien de tijd voorbijgegaan is, en die om harentwille niet ouder is geworden.

O ja, ik geef toe, dat ik een vrouw heb, die ik een zuster noem in de armoede, en die de moeder van mijn kinderen is geworden, maar zíj is het toch niet, naar wie ik uit mijn dakraam, met den zomerwind in mijn gezicht, uitgezien heb, en die nooit is gekomen. Die nu als een bloem in de wildernis opgebloeid is, en daar bij me glanst en geurt, vlak aan mijn zijde, even jong en frisch gebleven, als ik me haar in mijn knapenverbeelding voorstelde en

[p. 277]

tevergeefs naar haar hunkerde, en die mij ook herkend heeft, ondanks mijn overjas, die van zwart groen is geworden, mijn grijzende haren en mijn droevige figuur van sjofelen armoedzaaier.

‘Wat een wachten,’ zegt ze, op de dichte hekken wijzend, of eigenlijk roept ze het de dakkamer van een oud dorpshuis binnen, waar je niets dan een wit bed in kunt vinden, en een uit zijn krachten gegroeiden scholier, die zich de tranen uit de oogen veegt voor een kapot wandspiegeltje.

‘Ja, wat een wachten.’

En dan legt ze een hand op mijn schouder, en begint zacht te fluisteren.

Ik luister, maar al bij haar eerste woorden zwelt een gedreun aan, de rails schudden, en het is de expres, die, met de vaart van een stormvlaag, aan ons voorbij dondert. Eerst de machine, gedrongen, geweldig, een bizon onder zijn soortgenooten, en dan de luxewagens, met hun namen van opgepoetst koper: Wagons-lits, Mitropa, in een marktschreeuwerige uitnoodiging naar zuidelijke bergmeren en blinkende sneeuwspitsen. Maar wat ze mij te zeggen heeft, niet enkel in mijn oor wordt het gesproken. Ik versta alles.

Over dien tocht heeft ze het, die, als hij eenmaal door je droom is ontworpen, en dan toch verzuimd werd, met al zijn hel-bezonde wegen in het diepst van je ziel naar je blijft wenken. Het door de duinen wandelen en over de zee uitturen, het de kleederen afleggen, en de schuimende branding tegemoet dansen, het volgen van hoefprenten langs een weidepad, het slapen 's avonds, met een dun tentdak boven je, onder de sterren, het liefhebben der aarde, het hand aan hand zitten, en het een gelofte doen aan de trekvogels. Ja, en hiertoe tracht ze een makker, met een strooblonde haarlok in de oogen, over te halen, in het korte tijdsbestek, dat een rij spoorwagens voorbijrazen, achteloos de stukken kilometer achter zich aan werpend.

‘Kom,’ zegt ze, en neemt me mijn city-bag af, en een tree of wat is ze al opgeklommen. Ik volg haar, een beetje stijf in de gewrichten, maar toch zoo geestdriftig, dat ik haar dadelijk ingehaald heb. Midden op de brug buk ik mij, kijk naar beneden: zwart kolengruis en het wentelen en het flik-

[p. 278]

keren van het erbarmenloos werktuig, de put, waar de hel uitmondt. Weer hobbelt de rangeertrein aan, als een lastig insekt, dat zich niet van je laat afslaan. Juist onder onze voeten blaast het zijn rook uit, hult ons in een wolk. En dan gebeurt het, dat het lang al verjaarde verlangen van een eenzelvigen schoolknaap zich tenslotte vervuld vindt, en ik op de lippen gekust word.

Als ik weer opduik uit mijn verbijstering, is de stoom weggetrokken, en een eind verder, bij de trap naar beneden, wenkt me, een beetje spottend, het meisje, zittend op mijn city-bag. Naarmate ik nader kom, onderscheid ik haar slechter. Het lijkt, of ze zich in den menschendrom oplost, en allengs in zichzelf tezamenzinkt, als had ik enkel een dróóm gehad over haar en een jeugdigen makker.

Wanneer ik mijn handkoffertje opneem, roepend en zoekend, meegesleurd door de menigte, die zich door de, ja nu natuurlijk geopende, afsluitboomen perst, merk ik, dat het loodzwaar is geworden.

‘Opdracht, opdracht,’ mompel ik, mij met de ellebogen verwerend, als een soort van bezweringsformule tegen zomerwind en al te wufte wenschen. De knieën knikkend, strompel ik verder, waarheen vraag ik niet; strak voor mij uitziend.

Plotseling overmeestert me een onuitsprekelijke bevreemding; die uitstalling, dat half afgescheurde reclamebiljet, ik herken ze. Ik twijfel er aan of het mogelijk kan wezen; het angstzweet breekt mij uit.

Een bonzen op ruiten. Verschrikt tuur ik naar boven. En daar heb je het venster, waarvoor het gordijn teruggeschoven is, en drie gezichten, twee kindergezichten en van de moeder het bleekere, ernstigere, die zich tegen het glas aangedrukt hebben, met de wijd open, angstige oogen, de vragende monden. Neen, knik ik, já dan, en ik maak een gebaar naar de verte, dat mijn reis tot in het oneindige uitdijdt; en ik weet het, dat ze het gevoeld hebben, hoe krom mijn rug is, en hoe moe mijn voeten. Ik moet een teeken geven, dat ze geruststelt; maar ze zijn al van het raam teruggeweken, ach, zeker naar de leege tafel, waarvan ze gretig de resten bijeengegaard hebben, en die door een ontelbaar aantal malen gestopt laken bedekt is, en naar de koude kachel, waarin de

[p. 279]

laatste vonk uitgedoofd ligt. Ik denk aan mijn kus, en ik schaam mij.

Een arm en een schouder worden naar omlaag getrokken door den last, dien ik heb mee te sleepen, en toch moet ik, na den angst en misschien wel de verwachting, die ik achter een beslagen ruit opgewekt heb, nu meer dan ooit verder.

Ik hink een nauw slop door, waarvan ik het bestaan nooit vermoed heb, en kom dan op een pleintje bij een beginpunt van de stadstram aan. De plompe, gele wagen staat onder zijn beugel te dommelen, op een houten bankje voor het wachthuis doen de conducteur en de bestuurder de minuten pratend en lachend voorbijgaan, en een van ze kruidt de herfstlucht met een wolk uit zijn doorrooker.

Er zijn van die kansen, die in een snorren van de wieken langs je gezicht suizen, en die je bij de vleugels hebt te grijpen, wil je niet al de gulden geschenken des hemels verzuimen.

Ik tik tegen mijn hoedrand, en noem den naam van de straat, waar ik een eeuwigheid lang tevergeefs naar gezocht heb.

‘Ja,’ knikt de man rustig, alsof wonderen geen duit kosten, en wijst naar den wagen.

Ik heb de koperen stang al in de hand, en een voet op de treeplank. Met een zucht van onuitsprekelijke verademing laat ik me op mijn plaats neervallen. Een ouderwetsch rijtuig, de beide banken overlangs, waar je met je reisgenooten bij elkaar zit als met je familie op een kerstavond. Even sluit ik de oogen, in een roerloos niet-zijn verloren; maar dan jaagt me het ongeduld op, ik begin met de vingers te trommelen, met de voeten te schuifelen, en dat, na de halve stad doorgerend te hebben als een bezetene, tot het eind der tijden hier roerloos in een glazen kooi, waar geen sterveling beweging in kan brengen, gevangen zitten, doet mijn bloed koken.

Eindelijk, buiten, verrijzen de twee voor het wachthuis, de een installeert zich, o mijn god en die uittartende traagheid, op het voorbalcon, en de andere geeft, nadat hij zijn pijp uitgeklopt heeft tegen een schoenzool, het sein van vertrekken.

‘Seconden, die je wedloop houdt in mijn vestzak, nú kom ik mede.’ Waarbij ik een zwaai met mijn arm maak.

Gegiechel.

[p. 280]

Tegenover me hebben drie schoolkinderen de hoofden tezamengestoken, steelsgewijs naar me glurend. Naar mijn paars dasje, ik weet het, dat ik tevergeefs in de plooi tracht te trekken, naar mijn stroohoed, in dit voorjaar, wie zal het zeggen voor de hoeveelste maal al, met een citroen schoon gewreven, en naar het bobbelige koffertje, dat ik tusschen de knieën geklemd houd. Streng staar ik ze aan onder borstelige wenkbrauwen, langs een neus als de bek van een adelaar. Maar wie na twintig jaar wachtens, en dan toch niet te laat nog, uit zijn gevangenschap los gekust is, begrijpt alles, en kan meelachen. Bijna was ik gaan verzitten, om ze mijn geheim toe te vertrouwen. En ik zou mijn plan ten uitvoer gebracht hebben, als er niet een blauwe jas zich tusschen had geschoven. Ik reik den conducteur mijn laatste dubbeltje over.

Hoe weinig we vorderen, en dan lijkt het me nog, of we door de buurten, waar we langs sukkelen, als een hond bij den staart, vast worden gehouden. Vale straten, vol van kleine drukte, waar het eene huis aan het andere gelijk is, elk zijn tweelingsdeur heeft voor boven- en benedenverdieping, de daklijsten scheef hangen, de winkelpuien verveloos zijn en de uitstallingen grauw en wanstaltig. Wijken, niet uit steen en hout opgetrokken, maar uit een materie, waarbij je moet oppassen, om er niet een vonk van je cigaret te verliezen, en die plotseling verdwenen kunnen wezen, terwijl je in je bed opvliegt, en den zucht slaakt: goddank dat het een droom was.

Maar ik verzet er mij tegen om de onherroepelijk voorbijgaande minuten af te lezen van zoo'n cijferblad. Ik moet mijn gedachten bedriegen, ze afleiden, en de gelegenheid biedt er zich voor aan. Knarst de wagen niet telkens weer op zijn rem-ijzers, stopt en laat nieuwe passagiers binnen? Strompelt daar niet de grijsaard aan, die zich machteloos op de bank laat zakken, boven zijn stokje ineenschrompelt, en niets is dan een vervallen gevel met een bord: onbewoonbaar; en volgt hem niet de oude vrouw, schamel, met haar kapothoed, uit den vorm gezakt, welke de armzalige poging om zich te versieren opgegeven heeft in een geknakt veertje; en de man en het meisje stappen ze niet op rechte, slanke beenen voorbij

[p. 281]

me, den wagen met een weigeur vullend van wind en van ruimte, ook al groent er een uur in den omtrek geen grasspriet tusschen de keisteenen? Vrienden, lotgenooten, wien zeker ook eenmaal de geweerloopen op de borst gericht werden, achter het schrijfbureau van den Werkgever, en aan wie in elk geval een taak moet opgedragen zijn, die binnen een bepaalden tijd moet vervuld worden. Waarom anders zouden ze zich tusschen de wielen laten voortdragen, en zoo gehaast opspringen, als de plaats van hun bestemming af wordt geroepen. Ik tuur uit en ik luister. Als ik geen gelapte schoenen aan had, een verkleurd vest en verrafelde broekspijpen, dan zou ik hun handen in de mijne willen nemen, en ze moed willen inspreken met het relaas van mijn mislukkingen.

Langzaam, o langzaam, en telkens bij den schok van een halte richt ik me half op, buig den romp voorover, en keer een vragend gezicht naar den conducteur om, die me geruststellend toewuift. Eindelijk, hoofdschuddend, schuifelt hij tusschen de knieën langs de banken door, terwijl hij mij in het oor roept: ‘tot het eind blijven zitten.’

Tot aan het einde? En me waarom niet dadelijk voortpakken? Natuurlijk dat ik me over mijn beenen geen illusies kan maken, en er van doordrongen ben, dat mijn koffertje zwaar weegt als de wereldbol, maar op je eigen kracht en je snelheid kun je vrijelijk spelen, als op een fluit aan je lippen, terwijl je hier gedwongen bent, om machteloos toe te luisteren. Ik wil een teeken geven, echter merk ik, dat we bezig zijn, de buurt uit bordpapier vaarwel te zeggen. Geduld dus.

De trambaan snijdt een nieuwe moot aan van den stadsromp, een steenkoolgebied, gashouders als mammouthen en elevators, die hun greep doen met den klauw van een saurus.

Voorbij weer. De een na den ander stijgen de reizigers uit, en ik blijf alleen achter. Ik vraag het, de oogen ten hemel: wanneer zou ik zijn begonnen aan dien tocht van de drie opdrachten? Een menschenleven lijkt er mee heen te zijn gegaan. In mijn gejaagdheid ruk ik den hoed af, strijk door de haren, en duw een vinger tusschen mijn halsboord en een knobbeligen adamsappel.

De conducteur en de bestuurder, samen op het voorbalcon,

[p. 282]

schijnen zich kostelijk over iets te vermaken, ze schateren het uit, waarbij ze voorzichtig naar me omkijken. En ik, met mijn hongerig profiel, dat op het scherp van een bijl lijkt, en met mijn houterigheid van onbehouwen ledematen, ik voel een trots in mij gekrenkt, die stamt uit Castiliaansche kasteelen, en toch vergeef ik ze.

Ik vergeef ze, omdat mijn longen plotseling door een zilte frischheid gevuld worden, zonlicht als uit duizenden opengeworpen vensters binnen komt stroomen, wij den strandboulevard opzwenken, en ik me midden in de zee meen afgezet.

Het verwondert me, dat ik nog een trap heb af te klimmen, en een strook zand heb te doorkruisen, eer de zoom van de branding mijn voet nat maakt. Menschen zijn er niet, het grenzenloos blauw is er, waarin alleen de brekers hun schuimlijnen neerschrijven en wegwisschen, de meeuwen een zilveren vonk doen verschieten, en een bruin zeil aan den einder hangt. Ik heb mijn handkoffertje naast me neergezet; roerloos als een strandpaal sta ik opgericht. Het ruischen wordt rustig een stem rond me, en de reine koelte stoor ik niet. Totdat mijn aandacht door een klein wolkje gewekt wordt, het eenige aan een onbevlekten hemel. Het is bijna onzichtbaar, zoo nietig, maar ik verwonder mij er over, dat het, als een sneeuwvlok dit doen zou, het azuur loslaat en neerdaalt. Stadig me naderend wordt het nevelachtiger, en toch niet grooter dan een duivevleugel. Een knarsen aan mijn voeten leidt me af. Mijn koffertje blijkt opengesprongen. Als ik me buk, om het te sluiten, zie ik mijn handen in een witten damp grijpen. Terwijl ik het slot dicht knip, is alles verdwenen.

Dwaasheid en gezichtsbedrog, mompel ik gemelijk; wat me meteen uit den droom helpt.

Mijn lichtzinnigheid vervloekend, wanhopig over het tijdverlies, keer ik de oneindigheid den rug toe, waad met moeite door mulheid, voel mijn schoenen vol loopen, en hijsch me hijgend op tegen traptreden. Maar mijn city-bag lijkt me lichter geworden.

Het eindpunt - en de tramwagen nog wachtend, die me hier heen gebracht heeft. Twee vroolijke gezichten worden naar me omgewend, als ik mijn vraag doe; twee handen wijzen de

[p. 283]

richting aan. Een paar stappen, en ik lees van het bordje den straatnaam af, die me zekerheid geeft, dat ik mijn doel, god zij geprezen, bereikt heb. Twee honderd en dertien, mompel ik, den kant houdend van de oneven nummers. Uitvorschend tuur ik naar de gevels op. Stil is de straat en uitgestorven; je mist er het ouderwetsche geteem van een valsch draaiorgel. ‘Wie mij opendoet, verzoeken om mij te volgen,’ ik vraag mij af wat ik straks mee op sleeptouw zal hebben te nemen. De laatste huizen van de rij begin ik te naderen; een vage onrust maakt zich van mij meester. Tweehonderd negen, elf; en dan een breede aardkuil, waar heipalen uit opsteken.

‘Twee honderd dertien,’ vraag ik aan een metselaar, naast een hoop steenen aan het schaften.

‘Komt hier,’ zegt hij, terwijl hij met de helft van zijn boterham op een omgevallen kalkbak wijst, en een stapel door elkaar geworpen balken.

Schrik ook, ja, maar meer nog gloeiende verbolgenheid doet me het bloed naar het hoofd stijgen. De Werkgever, uit wraak over mijn droomen, de paar koninkrijken, die ik tusschen de wolken gesticht heb, en die er mee zijn weggedreven, draagt hij mij daarom in de wereld het onmogelijke op? Of - en die gedachte stemt me zachter - zou van ieder sterveling zijn taak tusschen snorrende machineraderen een zinnelooze wezen, en gaat het tenslotte alleen maar om het stille, onverhoopte, dat door een meedoogende hand, Gods hand, voor je aan den wegrand wordt vergeten, en dat Julius is, de zee en het meisje? Maar wàt dan met de broodschaal die gevuld moet worden, en wat met het versleten jurkje, waarin je kinderen niet langer naar school kunnen gestuurd worden, en wat met de huishuur, en de ijskou van een hardvochtigen winter?

Moedeloos slenter ik verder, een verslagen man.

Tot ik een hoek ombuig, en aan het eind van een plantsoentje, een toren voor me oprijst, een goud cijferblad onder zijn galmgaten, waar de zonneschijn in weerkaatst wordt. En ik, die den ganschen dag lang angstvallig mijn oogen voor den tijd heb gesloten gehouden, ik moet er naar opzien.

‘Wat!’ roep ik, zoo luidkeels, dat een spreeuwenzwerm er

[p. 284]

klapwiekend van opschrikt. Ik zet het koffertje neer aan mijn voeten, welf een hand tegen de wenkbrauwen, en haal mijn nikkelen horloge uit mijn vestjeszak. Geen twijfel blijft over, de groote wijzer, helder blinkend, staat vijf minuten voor het uur, dat voor mijn terugkeer bepaald is. Ach, en daar heb je den moed, die met zijn vlag begint te wuiven, het vertrouwen, de hoop en al de blijde metgezellen. In een haastigen greep pak ik mijn tasch beet, druk mijn hoed dieper in de oogen, en vang een wedstrijd op leven en dood aan.

Als vroeger, denk ik onder het voortdraven, wanneer ik me verslapen had, en het zaak was, om de schoolpoort voor het luien van de bel te bereiken.

Maar als ik met de geweldige vaart van mijn spichtige beenen, in de kern van de binnenstad aan ben gekomen, de statige pleinen doorkruis, en de breede straten opren, die het waard zijn, dat een koning er intocht komt houden, dán ben ik geen kind meer, dan voel ik mij groeien in mijn wil om te winnen, dan rijs ik met de schouders omhoog boven het gewoel van de menigte, als Gulliver boven het volk der Lilliputters. Het is, of ik mij daar zelf naast mijn handkoffertje zie heenijlen, den vogelenkop vooruitgestoken, schreden makend die een straat overbruggen, de regelen van het verkeer opheffen, en menschengezichten doen uitstaren naar het Homerisch gevecht van een halfgod met seconden.

Wat doet het er dan verder toe, of in de haast mijn hoed afwaait, waarvan een aansuizend tramwiel een stuk uit den rand snijdt, of ik struikel over een bananenschil, als uit den hemel tuimelend neerstort, en me weer opricht, of Julius Lindeman me onder een portiek toewenkt, en ik driftig van neen knik.

Dit enkel heeft beteekenis, dat ik de overhand krijg bij mijn worsteling, en mijn hamerend hart het niet opgeeft, dat een klokkenspel begint te spelen, waarvan de tonen me grimmig vertrouwd zijn, dat een muur voor me opdoemt - beton, glas en ijzer, samengevoegd tot een feillooze mathematiek van verhoudingen - dat stalen deuren openzwaaien, en ik bij den eersten klokslag van het uur, die weerklinkt uit den toren, een voet heb gezet over den drempel.

[p. 285]

Gemakkelijk vind ik mijn weg langs de gangen en trappen, en als ik, diep ademend, moedig het hoofd hoog, op het bureau van den Werkgever toeloop, dreunt de laatste klokslag van het uur de vensters binnen.

Hij zit daar nog, zooals ik hem straks heb verlaten, verschanst achter zijn stapels registers en staten, en met een lichtschijn om den kalen schedel, als de aureool van een heilige.

Hoe anders sta ik hier, niet meer wiegelend op de magere beenen in het midden van de leege, kale zaal, verward geraakt in mijn eigen schaduw. Welbesloten heb ik mijn city-bag neergezet op den rand van den lessenaar, terwijl ik mijn horloge met ketting al voor den dag haal. De Meester van de wereld weert mij ongeduldig af met het gebaar van een geergerd examinator.

‘Antwoord op brief,’ bijt hij mij barsch toe.

O, maar ik ben niet in een stemming, om mij al bij een eerste schermutseling uit het veld te laten slaan. Ik maak mijn koffertje open, en, god weet waarom, steek ik er een hand in. Ik raak iets koels aan, vochtigs, en tot mijn verwondering is het een ruikertje, dat ik tevoorschijn breng. Het speenkruid en de dotters ze zijn frisch gebleven, juist zooals ze aan den slootkant bloeiden van een oud huis aan een lindenlaan, en de roem is er ook bij van een klein weiland, waar een dakvenster op uitziet, kievitsbloemen, zeldzaam, teer en bleek als de schim van een tulp. Behoedzaam schik ik ze in het drinkglas van den Meester.

Hij staart mij aan met de glanslooze oogen, en doet een korten, schorren lach hooren, dien ik trouwens neem voor wat hij waard is: een valsch muntstuk.

‘Verder, verder,’ roept hij, ‘het meest kenmerkende.’

Wat ik nu uit de tasch til, zwaarder blijkt het dan een bal te wezen, en, ja, een appel zou het kunnen zijn, als er ooit zoo'n schoone vrucht aan een tak rood was geworden. Ik leg hem vlak voor hem neer, op zijn vloeiboek. Dadelijk werpt hij hem, en, het komt me voor, niet zonder een huivering van afschuw, in zijn papiermand. Doch de kamer blijft doorstroomd van een ijl geuren naar rozebottels.

‘Meegebracht, wie?’ vraagt hij vijandig.

[p. 286]

Een geur, een glans, een koelte als van een lentemorgen. Zeker ben ik er niet van, of dit met mijn city-bag en het afmartelend gewicht, dat ik er aan mee had te sleepen, in verband moet gebracht worden, maar het meisje staat plotseling naast me, zonnig, met haar klokhoed op, en slank van postuur als een jongen. Ze heeft mijn hand gegrepen, haar schouder raakt den mijne aan, en juist zoo, kalm en zeker, ziet ze naast me het gevaar in de oogen, als ik eenmaal in mijn droomen gehoopt had, dat ze dit doen zou.

Een vreemde verandering is over den man achter zijn schrijftafel gekomen. Vergeefs tracht hij te spreken, hij zwaait naar ons met de armen, ik geloof, dat hij naar den belknop zoekt. Daarbij slaat hij zijn telefoontoestel om, dat met een slag op den grond klettert, en zijn papieren dwarrelen weg naar alle kanten.

Dan, o mijn tooverhoorn en schatkist van mijn mijmerijen, grauw handkoffertje, zweeft daar langzaam niet een nevel omhoog uit je binnenst, die zich tot een wit wolkje samenpakt, dat door een windzucht in het gelaat gewaaid wordt van den Werkgever? Kan gifgas, in een loopgraaf gedrongen, een vreeselijker verwoesting aanrichten? Hij rukt zijn hemdkraag los en snakt naar adem; hij krimpt in elkander, verliest zijn gedaante, verijlt, verdwijnt. Maar zijn gezicht is het, dat al mijn aandacht houdt gespannen; van purperrood begint het tot een lichtgoud te verbleeken, de grijns van de stuiptrekking beeft heen in een glimlach, en gaat als een zon schijnen. Een zon, die oprijst boven het landschap, zichtbaar nu de achterwand van de kamer uiteen is geschoven, en waar over alle akkers de oogst rijp is, mannen hun zeis slaan, vrouwen garven binden langs de helling van heuvels.

‘Een wonder,’ mompel ik, ‘maar dan is deze lange dag van beproeving mijn leven geweest, en ben ik overgegaan naar een andere wereld.’

Wat waar zou kunnen wezen, als niet een zijmuur van de kantoorzaal zich staande had gehouden, en schimmen met een schaduw konden zijn gezegend. Ja, want mijn schaduw zie ik strak en duidelijk tegen een wit vlak afgeteekend, mijn gehavende stroohoed is er in Mambrino's helm op herschapen, het geel koperen scheerbekken, mijn beenderige schouders

[p. 287]

zijn er op bedekt met een gedeukt harnas, en wat aan mijn zij hangt, zou een zwaard kunnen wezen.

Door een open venster roept het toeten van een autohoren. En alles welt me weer in de borst op over drie hongerige gezichten, die zich tegen een glasruit gedrukt hebben.

‘Kom,’ fluistert het meisje, me wijzend op een weg door het koren.

Maar, behalve dat ik de rusting draag van mijn voorvader, wordt er ook iets van de dwaasheid van zijn warm, fier hart in me wakker. Ik buig het hoofd in gedachte, en druk de hand, die in de mijne ligt. Dan keer ik mij af van het stralende land en het meisje. Ik treed op de deur toe. Het is, of je het rinkelen van sporen hoort aan mijn voeten, en terwijl in een gebaar maak, als kuste ik het gevest van een degen, zucht ik: In godsnaam.

Aart van der Leeuw.