[p. 179]

Eerste dagen van het Bataviaasch genootschap

Voor wie zelf in Indië zitten, hebben de auteurs en schrifturen uit onze koloniale bellettrie een bijzondere betekenis; de beschavingsgeschiedenis van Europa, in de kolonie geprojecteerd, door de bijzondere koloniale nuance weer tot iets eigens gemaakt, is boeiender nog voor de naneef dan voor de tijdgenoot, - waarmee ik zeggen wil dat men zich minder ergert aan een roman, die door onze grootvader geschreven kon zijn, dan aan het mallotige Ardjoena van de acteur Engers; en dat Iboe Indonesia van Ter Haghe, over 50 jaar gelezen, volstrekt onbegrijpelijk zal zijn als ontvlammer van zoveel verontwaardiging. Het gaat bovendien met deze oude schrifturen als met oude muziek; men vertedert zich nu bij ‘After the ball is over’, als de radio van de buurman die stoffige serpentines door ons raam binnenblaast, en de ‘Schöne blaue Donau’ en ‘Quand l'amour meurt’ lijken ons door hun ouderdom juist zo allerliefst.

De vergelijking gaat alleen niet op, omdat er maar zeer weinig mensen in Indië zullen worden aangetroffen voor wie die oude koloniale bellettrie ook maar bekend genoeg is; in de meeste gevallen zal grootmoeder hier binnentreden als het onbekende jongemeisje in ouderwets kostuum. Maar het vergeten stuk verleden is even goed als het bekende stuk verleden in de eigen sfeer gehuld, en om die sfeer is het tenslotte te doen. De boeken waarover ik het in deze rubriek hebben zal, zijn uitverkocht, zijn voor de gewone moderne lezer (ik bedoel: de lezer die niet in bibliotheken op zoek gaat) verloren gegaan, maar zij hebben nu zelf een geschiedenis. De oudste die ik hier behandelen wil, dateren uit de laatste dagen van de Compagniestijd.

[p. 180]

Omstreeks 1780 beginnen de nieuwe ideeën zich zelts in Indië te doen gelden. De Compagnie was in verval, familie-regeringen als die van de G.-G. Alting, de meest langdurige in een lange reeks, hadden de kloeke kapiteinen van de 17e eeuw vervangen; deze staatkundig-corrupte bodem bleek echter niet onvruchtbaar voor het nieuwe zaad van de geest. In 1778 werd het nu nog bestaande Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen opgericht, in navolging van die typische uiting van de Verlichting: niet meer het ‘individueel liefhebberen’, maar de organisatie van de ontwikkelde burgerij in genootschappen. De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde werd in 1776 opgericht te Leiden; het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam in 1770; de beroemde Maatschappij tot Nut van het Algemeen eerst in 1784. Vergelijkt men deze jaartallen met het oprichtingsjaar van het Bataviaasch Genootschap, dan ziet men dat dit niet ten achter was.

Dr F. de Haan heeft op de hem eigen pittige wijze toegelicht hoe dit Genootschap ontstond: de oorsprong, zegt hij, lag in iets geheel anders dan een wetenschappelijk of artistiek streven. Aanleiding was ‘de prijsvraag anno 1773 van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen omtrent de beste middelen tot voortplanting van het Evangelie in de Kolonien. De eerste, die zich alhier daarvoor interesseerde, was het Raadslid Jan Vos, die ‘particuliere genoodschappen’ wilde oprichten, welke door het uitschrijven van prijsvragen de zaak zouden bevorderen - voorzeker eene handige manier om de moeite op andermans nek te laden. Vos zag zich echter spoedig de loef afgestoken door zijn collega mr J.C.M. Radermacher, schoonzoon van den G.-G. De Klerk en oprichter der eerste Vrijmetselaarsloge te Batavia. Door Radermacher's bemoeiing kwam den 24 April 1778 het Bataviaasch Genootschap ‘tot nut van het gemeen’ tot stand. Het doel daarvan heette inderdaad de verbreiding van ‘het Evangelium’, een arbeidsveld, dat het Genootschap overigens gaarne aan de Regeering inruimde, welke dan ook op stumperachtige wijze de

[p. 181]

school ging dienstbaar maken aan de evangelisatie. De opzet van het Genootschap was in den echten Compagniesstijl, zwaar en deftig, met den Gouverneur-Generaal als ‘Opper-directeur’ en andere Heeren der Regeering als Directie. Zoo woont op 8 Maart 1793, verjaardag van den Erfprins, de Regeering eene vergadering van het Genootschap in het Kasteel bij... Het feit echter alleen, dat er algemeene vergaderingen werden gehouden, waar de Edele Heeren, ja Zijn Hoog Edelheid zelf, op zekeren voet van gelijkheid in sympathieën en van eendrachtig samenwerken bijeenkwamen met doodgewone menschen, maakte van de oprichting eene soort revolutionnaire daad. Het program van het Genootschap droeg een maçonniek karakter en sprak van niets dan sociale en wetenschappelijke kwesties en belangen, tot het maken van een ‘Nederduitsch Vaers’ toe. Dank zij de milddadigheid van sommige leden kon men spoedig beginnen eene boekerij en verschillende verzamelingen aan te leggen. Radermacher gaf een huis aan de Kali Besar cadeau, een ander een tuin, een derde eene ‘witte Papoesche meid’, natuurlijk enkel als levend curiosum.’

Niettemin, ‘Hof hout had geen ongelijk toen hij, kort na de oprichting, de vrees uitdrukte dat het Genootschap niet lang bestaan zou. Alle levensvoorwaarden ontbraken immers: de belangstelling van het publiek, vrijheid van spreken en schrijven, kunde, talent en karakter in de leidende persoonlijkheden, twee of drie uitgezonderd. Inderdaad ziet men het Genootschap van lieverlede in alle statigheid bezwijmen en zieltogen. Feitelijk had het den geest al gegeven, toen Lord Minto en Raffles het galvaniseerden tot nieuwe levensverrichtingen. De laatste maakte van den bouw der Harmonie gebruik, om als aanhangsel tot die societeit een museum met bibliotheek en vergaderzaal te stichten, het daaraan grenzende en in denzelfden stijl gebouwde huis in de Rijswijkstraat...’*

Aan het engelse tussenbestuur was het dus te danken dat

[p. 182]

aan het Genootschap in de meest letterlijke zin een nieuw leven ingeblazen werd. Zover zijn wij echter nog niet. In de eerste jaren was voornamelijk Radermacher, die ook de eerste voorzitter was, de ziel van de onderneming. Hoewel niet zo verfijnd en geleerd als misschien wel gemoeten had, deze amateur in de wetenschappen had, vooral als verzamelaar, zijn verdiensten, en legde de grondslag voor 's Genootschaps Museum. In 1783 repatrieerde hij echter reeds als vice-admiraal van de retourvloot, wat niet belette dat hij op deze reis door opstandige chinese schepelingen werd vermoord*. Hij was vertrokken in verband met het kastekort van 1 millioen van zijn vriend de directeur-generaal Hendrik Breton, die volgens hem onrechtvaardig uit de dienst was gezet door de G.-G. Alting. In de eerste delen Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap, waarvan dr De Haan de inhoud loodzwaar en slaapverwekkend noemt, staan verschillende bijdragen van zijn hand, voornamelijk ‘beschrijvingen’ van de Compagniesbezittingen: na het ‘koningryk Jaccatra’ en de stad Batavia (met medewerking van mr Willem van Hogendorp), Borneo, Sumatra, Celebes, maar ook Hindostan en Japan; en ook deze publicatie, zij het dan onder censuur, acht dr De Haan een ‘revolutionnaire daad’.

Het was in elk geval een belangrijke stap vooruit naar liberaler opvattingen, en de 6 delen die het Genootschap nog onder Compagniesbeheer uitgaf, getuigen op hun manier daarvan, ook al mogen zij niet gerekend worden tot de werkelijk publieke en periodieke pers. Men bedenke dat, volgens de Artikelen en Ordonnantiën van 1658, niemand in Compagniesdienst, zelfs aan vrienden, zelfs aan de bewindhebbers in het particulier, brieven mocht schrijven over handel, oorlog, gedragingen van Compagniesdienaren of wat ook, de Compagnie betreffende; dat niemand brieven uit Indië naar het vaderland mocht overbrengen en bestellen, maar dat deze aan de directeur-generaal moesten worden gegeven, die ze gesloten

[p. 183]

en verzegeld aan heren bewindhebbers doorzond. Maar deze bewindhebbers hadden het recht die brieven te lezen en geheel of gedeeltelijk aan te houden. De geheimhouding was kortweg zo groot, dat zelfs het openbaren van wetenschappelijke zaken voor gevaarlijk gold.

Een eerste poging tot publicatie van wetenswaardigheden althans, had plaatsgehad onder de G.-G. Van Imhoff, toen door deze in 1745 aan de adjunct eerstgezworen klerk ter Generale Secretarie J.E. Jordens vergunning werd verleend voor een koloniale courant, de Bataviase Nouvelles en Politique Raisonnementen; maar hoewel van het laatste niets te bespeuren viel, werd deze eerste proefneming op last van hogerhand, dat wil zeggen uit Nederland, schielijk verboden. Ziedaar een verlicht bestuurder - want ook Van Imhoff verdient verlicht te heten - door een mercantiel ‘superieur beleid’ zonder morren tot de orde teruggebracht. Met de andere stichtingen, door Van Imhoff gerealiseerd, ging het al niet veel beter; op dezelfde dag, 11 nov. 1755, werden het Seminarium te Batavia en de Academie der Marine als lastposten voor de Compagnie opgeheven. De Stadsdrukkerij te Batavia leverde als voornaamste product begrafeniskennisgevingen en vendu-nieuws. In 1780 verbood de regering nog dat de kerkeraad op eigen gezag verslagen over kerk of school in nederlandse periodieken plaatste. Ziedaar waarom het zo ‘revolutionnair’ was toen op 30 juni 1778 vergunning kwam voor het drukken van 's Genootschaps Verhandelingen op de Compagniespers.

Bovendien schreef Radermacher een artikel ‘over de doodstraffe en het pijnigen’, waarin hij, niet alleen verlicht maar moedig, ronduit zijn mening zei over deze straffen, die toen nog onafscheidelijk werden geacht van een behoorlijke rechtspraak. ‘O! mogt ik die tijden nog beleven, eindigde hij dit stuk, dat de doodstraffe alleen voor openbare moordenaars, de pijniging voor misdaden van hoogverraad, die tot den ondergang van een staat strekken, wierden geoeffend.’ Wat de verdere inhoud der eerste delen Verhandelingen betreft, ko-

[p. 184]

miek vindt dr De Haan een ‘plechtstatige prijsvraag omtrent de meest aanbevelingswaardige pap voor zuigelingen’ ot deze: ‘Welke zyn de beste middelen om, geduurende de tegenwoordige ontvolking van Europa, de Europeezen in onze Oostersche Coloniën te vermenigvuldigen?’

Het Genootschap hield zich echter ook krachtig bezig met het destijds nog zeer klemmende vraagstuk van inenting tegen pokken; men vindt in het 1e deel Verhandelingen een Berigt nopens den aard der kinderziekte te Batavia: in hoe ver men met de Inenting derzelve gevorderd is, en wat daarbij is waargenomen, door Jacobus van der Steege, med. doctor, binnenregent van het Buiten-Hospitaal; in deel II een zeer goedbedoelde zij het rhetorische Redevoering der Inentinge tot de Ingezetenen van Batavia door mr Willem van Hogendorp; in deel III een beantwoording der prijsvraag: welke redenen er bestaan om de inenting met even goede uitslag toe te passen op de ‘oostersche volksplantingen’ als in Europa, en welke in ‘deze heete gewesten’ de beste en eenvoudigste manier zou wezen, door med. dr Lambertus Bicker - een zeer uitvoerig antwoord, dat bekroond werd. In deze eerste delen bemoeit ds Josua van Iperen zich met de javaanse taal en de geschiedschrijving; hij levert de vertaling van een javaanse historie genaamd Sadjara Radja Djawa, schrijft een Verhandeling over de Historiekennis en draagt iets bij tot de kennis van ‘hoog-, gemeen-, en berg-javaans’. Men zou geroerd kunnen zijn door deze eerste stappen van de geest op een zo stekelig terrein, maar of men het gek vindt of niet, deze deftige en omslachtige dilettanten, die men nu als prutsers zou kunnen zien, vooral wanneer men hen vergelijken zou met hun tijdgenoten in Europa, zijn niettemin de baanbrekers geweest voor wat men later de ‘koloniale renaissance’ genoemd heeft. Dezelfde Van Iperen vertoont zich voorts als de dichter van het ‘nederduitsch vaers’, dat in het 2e deel van 's Genootschaps Verhandelingen voorkomt en dat geheel in overeenstemming is met zijn weemoedige titel: De Belemmeringen, treurgezang.

[p. 185]
 
Waar ik mij keer, helaas!
 
waar ik mijne oogen wendde,
 
't Is alles maar ellende;
 
Vernuft en kunst,
 
ja zelfs de schoone Poëzij,
 
't Raakt alles in de lij.
 
De vrijheid bukt en kruipt
 
voor duizend aartstirannen;
 
Het Regt wordt uitgebannen:
 
Men sleept de Deugd,
 
geboeid aan de edele Wetenschap,
 
En zweept haar, stap bij stap.

Zo begint dit eindeloos gedicht, dat voortgaat zich even somber en allegorisch uit te laten over de slechtheid op gants de Wereld, maar dat (hoe zou het anders passend zijn geweest?) gelukkig gevolgd wordt door een Toezang aan het Bataviaasch Genootschap, die ik hier compleet volgen laat:

 
Kunstmaecenen, kunstgenooten,
 
Neen! dez' droeve jammerklagt
 
Mag Batavia niet stooten:
 
Pallas heeft hier grooter magt.
 
 
 
Zij beveiligt hier den ijver
 
Voor de deugd en wetenschap:
 
Klio spant de snaren stijver:
 
Alles vordert stap bij stap.
 
 
 
Laat standvaste trouw ons binden,
 
Om in weerwil van den nijd,
 
Nuttigheden uit te vinden,
 
Die braveren dood en tijd.
 
 
 
Laat Europa eens ontwaren,
 
Dat men hier in dezen oord,
[p. 186]
 
Deugd en wijsheid weet te paren,
 
Weet te zingen ongestoord.

En ziedaar het bescheiden eerste lied van de nieuwe Muze, niet meer die van Jan Compagnie, maar van de Verlichting. De predikant, door wiens mond zij zich uitte, was een niet slecht gekozen afgezant: hij was naar Indië moeten gaan o.a. door tegenwerking tengevolge van zijn ‘milde prediking’. ‘Door gebrek aan bootsvolk werd het vertrek vertraagd, vertelt Troostenburg de Bruyn in zijn boek over indische predikanten; reeds op de reede van Rammekens hield Van Iperen de eerste zijner leerredenen aan boord, en verklaarde later, dat hij in zijn 28-jarigen dienst in Nederland nooit zulk een gulhartige, evangelische taal had durven spreken, als toen op de Europa.’ Maar zijn jongste zoontje stierf op de reis, en zijn enige dochter misdroeg zich.

Bij zijn aankomst in Indië ontving Van Iperen gelukkig vele blijken van vriendelijkheid: de G.-G. De Klerk en de gewezen ouderling Duurkoop schonken hem elk duizend rijksdaalders; de heren Alting (toen nog directeur-generaal) en Radermacher huurden een huis voor hem, dat zij ook op hun kosten lieten meubelen; van hen kreeg hij bovendien een koets, een span paarden, een koetsier en ‘voorlopers’. Begin maart 1779 was hij te Batavia aangekomen, maar 11 maanden later reeds overleed hij, 54 jaar oud. Het klimaat en de ongezondheid van de stad droegen daartoe bij, maar ook ‘de mishandelingen van den Kerkeraad, door de pen van zijn ambtgenoot Theodorus Vermeer hem aangedaan’.

Na 29 mei 1779 was hij een reeks lezingen begonnen over wijsbegeerte en fraaie letteren. Van Iperen was doctor in de wisen natuurkunde en had op de voordracht gestaan om hoogleraar te worden, maar behalve aan wetenschappelijke publicaties had hij zich vaak genoeg aan dichtstukken bezondigd; zo had hij Young's Nagtgedagten in het nederlands nagezongen (1767), een Geboortezang op de Erfprins berijmd (1772) en Obadja ‘dichtkundig opgehelderd’ (1776), terwijl

[p. 187]

hij twee delen Brieven over het Hooglied (1776) benevens twee delen Kerkelijke Historie van het Psalmgezang der Christenen en van onze verbeterde Nederlandsche Psalm-berijminge geschreven had (1777). Voor het nieuwopgerichte Genootschap moet zijn verlies een slag geweest zijn.

Van veel meer belang voor ons is echter mr Willem van Hogendorp, die hierboven reeds tweemaal genoemd werd. Deze is de schrijver van de eerste nederlands-indische novelle niet alleen, maar in dit verhaal, Kraspoekol, komen Rousseauisme en Verlichting heel wat duidelijker aan het woord dan in alle uitingen van zijn tijdgenoten; men moet hem dus wel als aparte figuur vooraan zetten, al stapt hij uit de gelederen van ditzelfde gezelschap. Dit zonderling karakter: regent en avonturier, mensenvriend en fortuinjager, ontwikkelde 18e-eeuwer en oppervlakkig gezelschapsmens, auteur toch van wat men cum grano salis voor de indische Negerhut uitgeven kan, verdient ook een aparte beschouwing.

*Dr F. de Haan: Oud Batavia, 2e druk, blz. 648-649. Zie ook Gedenkboek Bataviaasch Genootschap door mr T.H. der Kinderen, 1878.
*Zie van de luitenant-ingenieur L. Lusson de nederlandse vertaling van een franse brief over deze moord, uitgegeven te Middelburg in 1785.