Naschrift van Gerard van Eckeren bij 4211 in Den gulden winckel 33(1934) 388 (april 1934), p. 68.

Mijn ‘philosophische denkkracht’ heeft al zooveel ongevraagde en mogelijk wel ongewenschte ‘lessen’ uitgedeeld, dat ik onheusch zou zijn met zulk een ‘les’, nu er mij speciaal om wordt verzocht, te weigeren. Of zij den heer du Perron zal blijken te voldoen is iets anders. Om met zijn tweede en derde vraag te beginnen. Wat is een groot kunstenaar in dit verband? Gelukkig voegt de heer du P. er die laatste drie woorden aan toe, want ik zou niet graag met hem redekavelen over de vraag wat ‘een groot kunstenaar’ in 't algemeen precies is. Ik bedoelde dan ‘in dit verband’: een groot schepper van menschen in hun onderlinge geestelijke verhouding. We hoeven daarbij toch niet dadelijk met Querido of Robbers aan te komen - we mogen desnoods ook Shakespeare of Dostoievsky of Stendhal noemen. Juist omdat het geniale in Multatuli alleen met het geniale der zeer grooten te meten valt, dacht ik, toen ik het gewraakte zinnetje neerschreef, aan zulke kunstenaars. Door de Max Havelaar vaart een edele drift, die Multatuli's verbeelding vleugelde; in de Wouter-geschiedenis gaf hij ons enkele kostelijke typen; maar een Hamlet, een Karamasow, zelfs een Eline Vere gaf hij ons niet. Daarvoor (en zoo kom ik op de eerste vraag) miste M. te zeer dien wijden blik op, dat ruime begrip van het leven, in 't kort: die ‘hoogere objectiviteit’ welke hem ook andere geestelijke vormen dan die onmiddellijk binnen zijn gezichtskring vielen, zou hebben doen begrijpen. Daarvoor stond hij te veel ‘zichzelven in den weg’. Doe ik met dit naar voren te brengen een groot auteur als Multatuli onrecht? Ik meen van niet. Maar hij is voor mij nu eenmaal niet een dier schrijvers wier genie zóó al-omvattend is, dat men eenvoudig nimmer de behoefte zou voelen om er, zij het dan in een onnoozel tusschenzinnetje, de grenzen van te bepalen.

 

G.v.E.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie