E. du Perron
aan
E. Gobée

Den Haag, 20 februari 1940

Den Haag, 20 Febr. '40.

 

Geachte Heer Gobée,

Veel dank voor uw uitnoodiging en de inteekenlijst.6766 Ik vrees echter dat ik er inderdaad van zal moeten afzien. Voor ons beiden wordt het te duur; bovendien zou mijn vrouw het kind hier toch niet alleen kunnen laten. Nu zou ik nog alleen kunnen komen, maar de zaak is dat ik den laatsten tijd zooveel van mezelf verg dat ik voortdurend moe ben. Misschien is het dus nog het eenvoudigste als wij gewoon hier bleven.

Zouden wij bij een latere gelegenheid nog eens bij u kunnen logeeren, of een dag doorbrengen en 's avonds weer teruggaan (altijd met het oog op het kind), dan zouden wij dat zeer prettig vinden. Het ziet er niet naar uit dat ik ook maar de helft van het V. Hogendorp-archief uitgeput zal hebben als wij 15 Maart van hier gaan. Mijn vrouw stelt mij voor om nu eerst met haar mee te gaan en 10 dagen Bergen door te maken alvorens weer aan het werk te gaan; daarna kom ik dan alleen terug, en daarna - zoonoodig - zouden we hier gezamenlijk bijv. nog een maand terug kunnen komen. Er is dus zeker nog gelegenheid voor een langer bezoek aan Leiden. Vóór wij 15 Maart dus) van hier gaan, zouden wij u trouwens in ieder geval een middag willen bezoeken. Maar dan liever als de drukte voorbij is.

Ik hoop eigenlijk voortdurend op ‘rustiger dagen’, maar als die zich voordoen, dan is 't juist in Bergen; niet in de stad - Den Haag of Amsterdam - waar allerlei kennissen beslag op den vrijen tijd leggen, dien mijn werk mij overlaat.

Zou ik bv. nog één lezing kunnen bijwonen - bij voorkeur die van prof. Drewes6767 op Zondagavond - dan zou ik dat graag doen. Maar misschien gaat dat slecht?

Uw bespreking van Bousquet heeft mij allerminst ‘geërgerd’,6768 bovendien besprak u vnl. zijn vakmanschap inzake de Islam, waar ik mij allerminst een oordeel over zou aanmatigen. U hebt hem, vriendelijk en correct, als collega gegeven wat hem toekwam. Ik sta geheel anders tegenover hem, en hoewel ik zijn ‘frankheid’ zeer apprecieer en hem op menig punt gelijk geef, staat zijn ‘enthousiasme’ van Franschen V.C.-er, waar hij zoo prat op gaat, mij tegen. Ik zal u trouwens binnenkort mijn bespreking van zijn boek, of liever, mijn artikel nr aanl. ervan, zenden.

Zeer benieuwd ben ik naar de bevindingen van den heer Damsté over de maleische Saïdjah. Ik vond later nog een envelopje met een correspondentie van Multatuli's weduwe over een eventueele uitgave van dien tekst; daaruit blijkt dat die eene vertaling inderdaad van den zendeling Wiersma was.

De zeven slapers heb ik in de vert. van den heer Damsté,6769 die inderdaad zeer aangenaam is (soepel en vaak kernachtig) nu gelezen; met groote belangstelling; en de andere kleine legenden niet minder. Wat moet ik met deze overdruk doen? houden of terugzenden? Als het uw eigen ex. is, natuurlijk het laatste; maar u hebt mij niet geschreven of de bedoeling was dat ik uw eigen ex. even zou lezen dan wel of u mij een ander ex. had toegedacht.

Tot slot een verzoek. Het ms. van Soewarsih is door De Haan nu aangenomen; zij heeft het contract geteekend en mij volmacht gegeven on de heele uitgave voor haar te regelen; proeven nazien en alles. Ik verander zoo weinig mogelijk, laat zelfs veel incorrects staan, als het verdedigbaar lijkt; verder is De Haan uiterst geschikt en heeft me nog eens verzekerd dat ik niets hoefde te veranderen als het tegen de bedoelingen van de schrijfster zou ingaan. Ik heb in dat hfdst. over het bezoek van de P.I.D. dus alleen de felste termen verzacht, maar de sfeer van dat bezoek, en de gevoelens erdoor gewekt, vrijwel zoo gelaten. Alles bij elkaar genomen, vrees ik dat het boek toch wel in Indië verboden zal worden, hoewel het toch werkelijk niet verwoed revolutionair of zelfs maar ‘oproerkraaierig’ is. Maar het is eerlijk, ook tegenover de Indonesische vrienden, die soms zeer kritisch worden bezien, - het geeft dus trouw weer wat in deze kringen gevoeld wordt voor de blanda's.

Ik stuur u hierbij de inleiding die ik ervoor heb geschreven. Zou u die - liefst binnenkort - mij terug willen zenden met uw op- en aanmerkingen? Doet u dat volkomen eerlijk, volkomen ‘onder ons’, dwz. zonder eenige vrees mij te kwetsen. De kwestie is: dat Soewarsih erg graag zou willen dat haar boek niet in Indië werd verboden (dat is begrijpelijk), en dat ik dus mijn best moet doen om haar althans haar maximum kans te laten. De slotzinnen van mijn voorwoord - die ik tusschen vierk. haakjes gezet heb - zullen dus wel moeten vervallen, maar misschien raadt u mij aan nog andere dingen te schrappen of anders te zeggen. Zou u zich even met dit probleempje bezig willen houden? Het boek mag voet bij stuk houden, in zooverre het een oprechte weergave is van een stuk Indonesisch leven van nu; het moet niet uitdagend zijn; en zeker mag ik dat niet zijn. Dus graag, - en veel dank bij voorbaat!

In deze historie noem ik uw naam natuurlijk niet. Zoudt u ook de drukproeven willen lezen en mij daarover uw meening zeggen? Ik stuur u die dan later, naarmate ze bij mij zelf binnenkomen.

Ik hoop dat ik u niet te veel last bezorg, en blijf steeds gaarne uw dw.

EduPerron

 

Wilt u mij ook zeggen of u vindt dat mijn voorwoord, als uiteenzetting, juist en duidelijk genoeg is?

6766Op 2 en 3 maart 1940 werd te Leiden de 6e Indische Studenten-conferentie gehouden. De kosten van inschrijving bedroegen f 4,-, f 3,- (alleen verblijfkosten) of f 2,25.
6767Op 3 maart 1940 hield prof. dr. G.W.J. Drewes op de in n 1 genoemde conferentie de voordracht ‘Wat leest de Indonesiër?’.
6768In de rubriek ‘Literatuur’ van het Koloniaal tijdschrift 28 (1939) 3 (mei-juni), p. 325-335 besprak Gobée La politique musulmane et coloniale des Pays-Bas door G.H. Bousquet.
6769H.T. Damsté, ‘De legende van de heilige zeven slapers in het Atjèhsch’ in Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië 98 (1939) p. 407-488, gevolgd in 101 (1942) p. 403-404 door ‘Nog iets over de zeven slapers’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie