E. du Perron
aan
H. Marsman

Brussel, 22 januari 1931

Geachte heer Marsman,1479

Naar ik verneem zal er op het art. van Ter Braak geantwoord worden door den heer Binnendijk. Dat kan heel aardig zijn, maar lijkt het u genoeg? Mij niet; vandaar dat u hierbij een stuk vindt dat u als aan u persoonlijk gericht zult willen beschouwen, en waarop u meteen zou kunnen antwoorden, ik bedoel: in het zelfde nummer. Die creativiteits-theorie hangt mij nu, eerlijk gezegd, serieus den keel uit; wanneer ik mij vergis en ù gelijk heeft, wees dan zoo goed het mij te bewijzen, zonder procuratie aan den heer Binnendijk. De heer B. mag als mensch een alleraardigste kerel zijn, als schrijver (niet alleen als ‘dichter’) beschouw ik hem als een absoluut prul.

Mochten de Vr. Bl. mijn stuk niet kunnen opnemen, stuurt u het mij dan direct terug, dan komt het in D.G.W. Maar ook dàn zou u mij zeer verplichten met erop te antwoorden.

Geloof mij met de meeste hoogachting, in menig opzicht gaarne de uwe,

EduPerron

 

Excuseert u dit papier; ik heb op het oogenblik geen ander.

 

Brussel, 22 Jan. '31.

1479Vóór deze eerste brief aan Hendrik Marsman (1899-1940), had DP reeds kennis met hem gemaakt in een Utrechts café. De verhouding was toen echter nogal gespannen, wat o.a. zijn oorzaak vond in DP's veronderstelling dat Marsman zijn literaire tegenstander was. Toen Ter Braak de Prismapolemiek inzette met ‘Prisma of dogma?’ in DVB van januari 1931, greep DP de gelegenheid aan om Marsman, die hij als de auctor intellectualis van Binnendijks poëzietheorie beschouwde, aan te vallen. Hoewel hij gewoonlijk zijn kopij voor DVB rechtstreeks naar Van Wessem zond, stuurde hij zijn artikel ‘Over het “kreatieve” in onze nieuwe poëzie’ aan Marsman, eveneens redacteur van DVB.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie