E. du Perron
aan
D.A.M. Binnendijk1396

Brussel, 19 november 1930

Brussel, Woensdag.

 

WelEdelgeboren Heer,

Ik ontvang daarnet een ex. van uw bloemlezing Prisma, waarvoor ik u misschien dank moet zeggen. - Het wil mij alleen voorkomen dat u mij, gelijk u dat weet te doen wanneer het om poëziebijdragen voor Erts of Balans gaat, over de opname van mijn verzen had kunnen schrijven. Ik wil niet eens spreken over mijn plaatsing tusschen Urbain van de Voorde en Mien Proost, die mij zuiver critisch beschouwd reeds niets minder lijkt dan verbijsterend; maar indien u mij tenminste de drukproeven had gezonden, had ik zorg kunnen dragen dat bijv. de tiende regel van Adriana de Buuck niet zonder eenige noodzaak een voet tekort kwam.

Welke dan ook uw bedoelingen mogen zijn en het lot dat u de dichters toedenkt die ‘noodlottigerwijze in 1930 hun eersten bundel publiceerden’, zou u mij een genoegen doen met mij in een eventueelen 2en druk geheel te schrappen.

Met beleefden groet, en bij voorbaat dankend,

EduPerron

 

Bould. Brand Whitlock 10

Brussel.

1396D.A.M. Binnendijk (1902-1984), leraar Nederlands, had de poëzie-bloemlezing, Prisma samengesteld en daarin van DP opgenomen de sonnetten ‘De douairière’ en ‘Adriana de Buuck’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie