E. du Perron
aan
V.E. van Vriesland
Amsterdam, 22 februari 1930
Amsterdam, Zaterdag.
Waarde Heer Van Vriesland907,
Zoo gaat nu het leven: u kunt Zaterdag niet en ik ben Woensdag verhinderd. Overigens, nà Woensdag, alle dagen vrij. Schrijft u mij dus wanneer u het beste schikt en waar.
Neen, ik las uw stuk over Boutens908 niet. Kunt u mij dat nr. van de N.R.C. niet zenden? Ik herlees, met veel grooter begrijpen, uw Voorwaardelijk Uitzicht909 en ben weer erg benieuwd geworden, naar de door u veroordeelde verzen. Ik zou het zeer op prijs stellen, indien u mij die ook nog wilde laten zien.
Over Gide zou inderdaad nog veel meer te vertellen zijn. Maar u heeft gezien hoe lang mijn stuk910 reeds was; zóó dat de kleine letter er als vanzelfsprekend bij te pas kwam.
Ik zend u, gelijk hiermee, Parlando, en wacht met brandende begeerte, maar gedomineerd door een wijs geduld, uw roman.
Ten slotte mijn grooten dank voor het Kring-vers911 dat bij een herlezing niets van zijn charme voor mij verloren had. Het verdiende gepubliceerd te worden. Ik zal het Jany eens sturen, die er zeker ook veel plezier van hebben zal.
Tot ziens en gaarne de uwe
EduPerron
Hier zijn de verzen waarin het hapert (taalkundig - als poëzie behooren zij tot de mooiste van den bundel):
Me noyant dans des flots de chair, hagard, qui crie au secours, tel encore je me revois de loin.
Het zou goed zijn als ‘hagard’ een substantief kon zijn; zooiets als: ‘un hagard’. Op het oogenblik is het ‘qui crie’ aan niets verbonden; er is een gat in den zin. Kunt u ‘hagard’ niet vervangen door een substantief, liefst met een lidwoord ervoor? (‘un naufragé’) - maar het lidwoord kan ook wel weg912.
Bijv. een woord als ‘moribond’, ‘agonisant’ - maar het valt niet mee een goed woord te vinden van 2 syllaben. Ik laat het dan ook gaarne aan u over, temeer waar ik het gevoel heb dat ik het niet zou weten te brengen tot de helft van uw knapheid in het Fransch (ik zeg het zonder de minste ironie).