E. du Perron
aan
G. Burssens

Brussel, woensdag 21 maart 1928

Brussel, Maandag.

 

Beste Burssens,

Ik kan je niet uitdrukken hoe afschuwelik ik deze historie vind. En waarom die arme Paul in Miavoye begrafen, waaruit hij zolang gesnakt heeft weg te komen! (Hij was er heengegaan om nu eens ‘serieus aan te sterken’.) Arme, arme kerel. Ik ben er gisteren niet heen kunnen gaan, - je brief kwam bovendien te laat, - maar in de zomer gaan we er eens samen heen, als je wilt, ik hecht eraan te zien waar hij ligt. Hij had mij ongeveer hetzelfde geschreven als jou, de 12e van deze maand.318 Wanneer is hij gestorven en hoe is dat opeens zo gekomen? schrijf mij nadere bizonderheden: ik weet zo helemaal niets, behalve dat hij dood is.

En ja, zijn gedichten moeten verschijnen, zo spoedig mogelik, zo volledig mogelik en in een behoorlike uitgave. Er is hier in Brussel een uitstekend drukker die betrekkelik goedkoop is: Van Buggenhoudt. Voor de administratie moeten we een serieus uitgever hebben: ik meen dat Paul mij gesproken heeft van ‘De Sikkel’, maar anders zal ik een beroep doen op Stols. - Ik heb een korte aantekening geplaatst, door jou en mij ondertekend, onder zijn twee laatste verzen in Avontuur319; ik ga een lang stuk over hem plaatsen, met portret, in Den Gulden Winckel.320 Maurice Roelants heeft een zeer sympatiek stukje gestuurd naar De Telegraaf321 en zich tegenover mij op een hartelike, geroerde wijze uitgelaten. Hij schrijft: ‘Ik heb gezegd wat ik meen: dat uw vriend misschien de hoogste poëtiese potentie bezat van alle Vlaamse jongeren. Zijn dood is een onschatbaar verlies voor de poëzie. Ik ben tevreden dat ik hem nog tijdig heb kunnen betuigen hoeveel waardering ik voor hem had. Het is een arme troost, maar wat wilt gij?’

Ja, het is een arme troost, en wij wilden zo véél anders. Maar wij willen nog enige dingen. Schrijf mij wanneer het de familie van Ostaijen schikt ons te ontvangen. Ik kom dan naar Antwerpen over om met jou die uitgave te bespreken. Er zou ook nog een bundel grotesken van hem verschijnen, heeft hij mij gezegd; hoe ver is het daarmee? Wij zouden enige onuitgegeven grotesken en gedichten kunnen brengen in Avontuur; - als het van mij afhangt - en er is genoeg - wordt nr.3 een kompleet P.v.O.-nummer.

Voor de 5e man in A. zullen we later nog wel zien. Misschien Richard Minne (die intussen ook zeer ziek is, daar in Waerschoot); enfin, we zullen zien. Voorlopig zal jij, administratief althans, onze arme vriend moeten vervangen, beste Burssens. Ik heb die adresverandering op de binnenkant van het omslag aangebracht. Neem een postcheknummer en sluit een papier in, in de nummers bestemd voor abonnés.

Nu, tot zover. Ik hoop op een uitvoerig schrijven. Geef mij ook een klein beeld van de begrafenis.322

De hand van je

EduP.

 

- Ik wist het adres niet van de heer Constant v.O., maar heb de familie, aan Paul's adres, getelegrafeerd. Betuig ze, als je ze ziet, nogmaals mijn oprechte deelneming.

 

Origineel: Antwerpen, Letterenhuis

318N.l dat het beter met hem ging en hij op 25 maart zou terugkeren naar Antwerpen.
319‘Met onzegbare weemoed brengen wij hier de laatste gedichten die Paul van Ostaijen ons bij leven zou afstaan. Hij is gestorven, even 32 jaar oud, in de volle ontwikkeling van zijn bizonder talent, in een klein sanatorium in de omstreken van Dinant, na een langgerekt, bitter lijden. Hij behoorde tot hen die zich niet laten vervangen. Wij betreuren de vriend, niet minder als het talent. G. BURSSENS, E. DU PERRON.’
320‘Paul van Ostaijen†’, in de rubriek ‘Necrologie’: DGW 27 (1928) 4 (april), p. 119-120.
321‘Paul van Ostaijen†’, in De telegraaf 22.3.1928, ochtendblad. De dag ervóór had er reeds een zeer kort stukje in dezelfde krant gestaan, ‘De beteekenis van wijlen Paul van Ostaijen’, vermoedelijk eveneens van Roelants.
322In de Schelde van 22.3.1928 publiceerde Burssens een verslag ‘Bij Paul van Ostaijen's uitvaart’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie