E. du Perron
aan
P. van Ostaijen

Brussel, 26 maart 1925

Brussel, 26-3-25.

Geachte Heer van Ostaijen,

Dank voor uw brief en gegeven uitleg; het laatste was overigens niet nodig geweest. Bij herlezing van uw bespreking zie ik dat u ‘instinktmatig’ in ruimer zin nam; dit bleek mij vnl. uit een zin aan het slot, daar waar u zegt dat in de poëzietjes het instinktmatige weten onvoldoende de voorstelling ondersteunt; ik kwam tot mijn opvatting v.h. woord door de meer direkte tegenstelling in het begin: ‘een veeleer instinktmatig dan wel bewust weten’ etc. - enfin, het doet er ook niet toe. - Wat Kwartier per Dag betreft, zeide ik u reeds dat ik het bundeltje zelf ook niet als poëzie beschouwde. Het is een serie reis-aantekeningen, wat bont en hier en daar naar het ‘poëtiese’ zwemend wellicht, maar tenslotte, in één woord, een reis-journaal met minimum van journalistiek.

Ik ben gekomen tot uw definitie van poëzie59. Een vaag en uiterst ondankbaar onderwerp. Ik voor mij erken ronduit dat ik er niets van weet. Iedere opvatting hier moet m.i. persoonlik zijn. Ik herinner me vroeger de definities van Wordsworth en Coleridge gelezen te hebben en na lezing even arm gebleven te zijn. ‘Poëzie is woordkunst’, zegt u; en ik heb er vreê mee. Maar eigenlik is alle literatuur woordkunst, of behoorde het te zijn. ‘Poëzie is niet gedachten, geest, fraaie zinnen, is noch doctoraal noch dada’ - mogelik, maar zowel in gedachten als in geest als in fraaie zinnen als in wat doctoraal is of dada kan poëzie zijn, is ze dikwels. Desondanks, wanneer u wilt, maar onlochenbaar; Alfred de Vigny, Tristan Corbière, Sully Prud'homme, Louis Aragon zijn voor mij poëten. Spel met woorden is heel aardig en kan een even goede uiting van poëzie zijn als een ander, pourvu er een poëet aan het woord is - van zich uit lyrieker, zoals u zegt -, maar er zijn ogenblikken waarin dit spel ontaardt in een vrij vulgaire jacht op jeux-de-mots.* Bedoelt u daarenboven een spel, naar betekenis, of naar klank? Naar klank zou ons brengen tot het ‘De la musique avant tout chose’ van Verlaine. Veel van Burssens behoort daartoe, volgens mij; een poëties, en zo u wilt, woordkunstig spelmet-woorden zie ik b.v. in:

 
‘gierlanden
 
van rozen rood
 
om het hoofd van de minnaar
 
die zich doodt
 
onder rozen-hypnose’

maar aller-onaangenaamst vind ik een, als kinderachtige ui aandoend, (ofschoon misschien niet aldus bedoeld!) fragmentje als:

 
‘en in de lichtstad
 
jichtstad
 
schichtstad’ (e.a.)60

- maar, zoals gezegd, er is hierover uren-lang te praten zonder tot een vergelijk te komen. Misschien is het afgezaagde deuntje van de Génestet nog het wijste woord dat ooit over poëzie gezegd werd; maar op een definitie lijkt het niet.61

Heeft u over uw grotesken met Peeters reeds gesproken? Ik ver klaar mij uiterst benieuwd ze gedrukt te zien. In het eerste no van de △ komen, zag ik, vier verzen van u, waaronder het in Der Sturm verschenen Vlerken dat voor mij een der beste kortere gedichtjes is die ik tot dusverre van u zag. Van de 3 andere in de △ verschijnende zag ik alleen de titels, ik verwacht veel van ‘Mari’!62

Ik kreeg voor hetzelfde nummer de Novellen van Houwink en Piano te bespreken: ik heb gepoogd dit zo ‘ongewichtig’ mogelik te doen. De grote moeilikheid van bespreken ligt in het zonder te veel pretentie weergeven van een altijd min of meer subjektieve mening; onelegant onhebbelik als F.B. zou ik niet gaarne zijn. Maar het werkje is geen genot voor me.

Wanneer ik in Antwerpen kom (wat voorlopig wel niet gebeuren zal?) zal ik u zeker gaarne ontmoeten. Wilt u mij, wanneer u in Brussel is, eens komen opzoeken, u is welkom. Schellen aan de portecochère en vragen naar Eddy du Perron. Ik woon apart, zoals u wschl. niet weet, in een dépendance v/h huis van mijn ouders,63 daar slijt ik mijn lui en leeg Brussels bestaan. Tot nader en gaarne

uw dienstwillige

D Perkens

59‘Poëzie = woordkunst. Poëzie is niet: gedachte, fraaie zinnen, noch doctoraal, noch dada. Zij is een voudig een in het metafysieke geankerde spel met woorden’. Zie: P. van Ostaijen, Verzameld werk 4, p. 380.
*Ook bij Seuphor voorkomend wanneer hij Frans schrijft.
60De twee citaten zijn ontleend aan resp. de gedichten ‘Rozen’ en ‘Jean Jaurès’ uit de bundel Piano.
61DP doelt hier waarschijnlijk op de De Génestets ‘Jong-Hollandsch binnenhuisje’ uit Laatste der eerste met de regels: ‘Poëzie schuilt overal,/Overal, mijn vrienden!/'t Is de vraag maar wie haar al,/Wie ze niet kan vinden’.
62Bedoeld is ‘Marc groet 's morgens de dingen’.
63Een appartement boven het koetshuis van het huis in de Belle Vuestraat.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie