2267. Aan F.E.A. Batten: Parijs, 28 oktober 1934

Parijs, 28 October.

Beste Freddy,

Ik heb met ronde oogen het gruwelverhaal over Edy gelezen. En

[p. 131]

al die symptonen! en op zijn 10e jaar al! Dat die man het nog zoo lang en zoo kras heeft gebolwerkt! Mijn haren rijzen ervan te berge. En dat hij af en toe, zoo maar eens, op den rand van den dood kwam, door die syphilis altijd! Maar... weet Betty misschien ook niet precies wat syphilis is, en welke symptomen daaraan verbonden zijn? Is ze er zeker van dat ze het niet heeft over kinderpokken?

Vóór ik met deze Betty ga praten moet ik eerst weten hoe ze zich precies voorstelt dat syphilis er uit ziet. Maar zelfs zoo voel ik er misschien toch niet voor.

Wat ik je te vertellen heb heeft met al deze histories niets te maken. Bij gelegenheid - als we elkaar terugzien - zal ik je op de hoogte brengen van wat ik weet, of meen te weten. In afwachting daarvan - en dat ik je dan ook nog eens precies vertellen zal wat syphilis ongeveer is, want de goede Betty hoeft dat niet te weten, maar jij langzamerhand wel - zal ik nu maar niet aannemen dat die Edy met de meest fantastische syphilis behebt is geraakt die zich misschien ooit op aarde heeft gemanifesteerd.

Ik zal W.v.R. zelf schrijven. Als hij hier komt, is mij dat nog liever. Ik kan dan wat beter met hem praten, en niet over De Sm. M. alleen. Het boek ligt nu alweer achter mijn belangstelling. Ik antwoord nu dus maar op je vragen. Die z.g. fascist259 is niet Bloem, is... niemand. Zoo maar een fantazie, voor ditmaal. Zooals de sprekers A. en B.260 die over de detectives loskomen, ook ‘niemand’ zijn. En de revolutionair aan het eind van De Sm. M. ook weer ‘niemand’. - Op blz. 187 is ‘pietsie’ het woord; wat wou je anders? ‘Pikkie’ misschien? Lees het er nog eens op na. Het vers ‘Weineen, ik ben niet boos’261 is voor mij - met Klutt262 - het beste van de heele rij; volgens Bloem het eenige ‘anthologiestuk’ uit Het Bozige Boekje. Maar er staan andere fouten: bv. ‘inleiding’ inpl. van ‘indeling’ op de 1e blzij van het stuk over Indië, en in het laatste stuk 2× ‘gelezen’ (bij De Kom), en dan - o gruwel! - ‘Rossaert’ voor ‘Rossaart’ (2×), en 1× ‘Tetjra-

[p. 132]

kov’ voor ‘Tretjakov’. Dat komt ervan als je niet altijd alle boeken en tijdschriften thuis hebt...

Ik laat het hierbij. Dus over Annie Rijpstra's dood - deze meisjesnaam die je zoo hardnekkig ‘bevoorkeurt’ geeft er bepaald iets Robbersachtigs aan - als we elkaar weer spreken. Tot zoolang houd ik dan ook maar de photo's van den armen syphisleider, en ik zal er niet meer naar kunnen kijken of ik moet er dan bij bedenken dat zóó spoedig hierna die vreeselijke ziekte dit jongetje al moest besluipen, en misschien ga ik nog eens goed zoeken of ik niet al een voorbode van deze syphilis kan waarnemen in de vorm van een rammelaartje.

Het beste met je novelle, maar pas op bij het omwerken. Je verpest er meestal net zooveel aan als je goed maakt op andere plaatsen. Laat Rudie me schrijven.

Hart. groeten van je

EdP.

259De gespreksgenoot in ‘Ons deel van Europa’ uit De smalle mens. Zie 2129 n 1.
260Uit ‘Dialoog over het detective-verhaal’. In GN 31 (1933) 1 (januari), p. 61-75 (Omgewerkt herdrukt in ‘Het sprookje van de misdaad’. In Vw 6, p. 549-569).
261Gedicht XV uit Het boozige boekje (1926); ook in De smalle mens, p. 158-159 (niet in Vw).
262In De smalle mens, p. 161-162 (niet in Vw).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie