2117. Aan J. Greshoff: Parijs, 4 juni 1934

Beste Jan,

Ik ben nu weer hard aan het werk en heb een geweldig mooi programma opgemaakt, waar ik mij stipt aan houden wil. Anders kom ik niet uit en kan in Juli geen vacantie nemen. ‘In principe’ is nu besloten dat Bep en ik tegen 23 Juli via Spanje naar Tanger gaan, daar een 3 weken bij Slau logeeren, en dan haastig terug. Dat wordt dan toch eind Augustus vóór we weer in Parijs zijn.

Hoe is het nu met jouw plannen? Schrijf me dit even. Als mijn schoonzuster in Juli of Augustus komt, kan ik niet weg, want ik moet haar zien. En er kan natuurlijk ook nog wat anders tusschenkomen. Maar als alles goed gaat, reken er dan op, dat we van eind Juli tot eind Augustus niet hier zijn. Ik zou je toch graag niet misloopen.

Kan je me Les Messieurs Golovleff80 terugsturen, dat, meen ik, bij jou is? Ik heb het noodig voor iets met Alexeïeff. Heb jij Théatre van Stendhal?

Hart. groeten, ook aan Atie, van steeds je

E.

 

Als je dus voorloopig weinig van me hoort, is dat in verband met het werk. - Endt zal me wschl. ook nog wat proeven sturen, als toetje op de rest!

 

Parijs, 4 Juni.

 

Daarnet je brief. De zaak van Forum (plaatsing v. copy) moet je natuurlijk met Menno uitmaken. Het is, lijkt mij, niet alleen een

[p. 46]

kwestie van 6 of 20 blzn., maar de variatie, die noodig is. De redactie van Forum (Menno niet alleen), heeft volgens mij gelijk als ze liever verschillende stukken plaatst dan romanfragmenten naast een complete loopenden roman (dien van Slau). Gr. Ned., met 4 à 5 vervolgstukken achter elkaar, is in dit opzicht een afschrikwekkend voorbeeld. Maar tenslotte sta ik er buiten, goddank!

In de kwestie van dien jonkheer heb jij voor mij totaal gelijk. Als je als schrijver plezier hebt in kasteelen, dan heb je gelijk dat je van dat plezier een element voor je boek maakt. Je weet dat ik je zelf ook op dit punt soms aanval. Maar hier heeft niemand iets te zeggen, zoolang je talent je plezier verantwoordt. Het plezier van Larbaud in tinnen soldaatjes of postzegels is op zichzelf ook niet grandioos, maar we danken er Putouarey in San Marino aan. Ik heb niets tegen je baron ex-gele rijder, ook als hij elders met persoonlijke dingen van jezelf is opgevuld. Um so besser.

Wat je aan Menno over Elsschot schreef, is precies juist. Ik waarschuwde je al eerder voor deze neiging: toen je het stuk over Willink81 schreef. Het gevaar voor ons is om voor de idioten te brullen inplaats van tot ‘Ebenbürtigen’ te spreken, maar stukken die zoo geschreven worden zijn helaas nooit goed. Ook als ze bij de eerste lezing raak lijken, vallen ze later erg tegen; het is gemakkelijk te begrijpen waarom. En al wat je in je stuk uit Gr. Ned. gezet hebt, dat deze kant heeft (voor mij althans) is inderdaad van later: vooral bij de Verzen van Vroeger. Maar de zaak is heusch de moeite niet waard. Persoonlijk vind ik je stuk al lang best, ofschoon ik Elsschot ook niet als een ‘huisgodje’ beschouw.

Hart. groeten van je

E.

80De Franse vertaling van Gospsda Yslovlëvy van M.E. Saltykow (Sjtsjedrin) (Moskou, 1880).
81‘A.C. Willink’. In Forum 2 (1933) 2 (februari), p. 113-122. Zie ook brief 1418.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie