E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Bellevue, [26 juli 1933]

Bellevue, 26 Juli.

 

Beste Menno,

Ingesloten een stuk van zekeren heer Kracauer (Duitsch-Joodsch uitgewekene) over Malraux. Het stuk stond in Das Neue Tagebuch, dat nu in Parijs verschijnt, uitgegeven door Leopold Schwarzschild en… Hans Warendorf. Dezen laatsten ontmoette ik gisteren gedurende een goed uur; ik heb zelden iemand met zooveel botheid zich zien inspannen om origineel, synthetisch, veelzijdig en nog wat te lijken als geest. Uiterst vermoeiend en, omdat de vent daarbij nogal braaf is, pijnlijk. Ik hoop hem niet gauw weer te zien.

Het artikel des Kracauers is goedberedeneerde flut, en geschreven als nix, als ik mij niet vergis.

Ik heb verder een idee. Wat zou je ervan zeggen als ik je Politicus besprak? Niet het stuk over Malraux, maar dat over je Politicus wordt dan mijn slotstuk. Ik zal natuurlijk vol waardeering zijn, maar iedere justificatie van den notaris = Bouws = genie met afschuw bestrijden. Lijkt je dat tusschen ons niet consequent? De opdracht van het boek* aanvaard ik daarom niet minder gaarne; ik geloof, kortweg, dat het in stijl jou waardig is, in conclusie noch jou, noch mij, noch wie ook die tot de ‘onzen’ behoort. De appreciatie van Bouws, en zooals hij het boek toepast: ‘Eddy en Marsman weltfremde, belachelijk onbevlekte literatoren, Menno en ik veelzijdige burgers-en-dichters, e viva het genie van den dorpsnotaris!’ heeft mij te denken gegeven. Dat een fluim (je houdt mij het polemische woord kortheidshalve ten goede) evenveel bestaansrecht heeft als wij (of als Nietzsche) is best: Bep en ik in Holland, toen ik zei dat jij een boek ging schrijven over de hiërarchie van de menschen, staakten ons debat omdat de kok van Royal evenveel recht van bestaan kreeg als Nietzsche! Maar het malle is, dat jij bent begonnen om het boek van de hiërarchie te schrijven, en terechtgekomen bent, niet meer op een grensgebied nu, maar op een soort stil grasveld, genre dorpsplein, waar het genie van Nietzsche, na een standje over den Übermensch, moet verkeeren met dat van den dorpsnotaris, onder de leuze ‘honnête homme’. Ik voel heel veel voor den ‘honnête homme’, maar niets voor deze toepassing ervan. Als onder zijn leuze, de dorpsnotaris zich bij ‘de onzen’ kan scharen, loop ik van het pleintje weg. De Übermensch van Nietzsche mag ‘verkeerd’ zijn, overdreven, smakeloos, enz., maar hij is logisch als eindstadium van Nietzsche's denken en temperament. Jouw polemisch temperament dat denkende komt tot deze verbroedering op het stille plein is voor mijn gevoel absurd. Je tracht ons ‘drama’ (zal ik nu even zeggen, en eigenlijk zeg ik het in ernst) op te lossen op een bonhomme manier; je kraakt de humbug van den ‘geest’, maar tezelfdertijd de werkelijk superieure menschen die daartoe behooren; je verwerpt èn Nietzsche èn de vakphilosofen. Zooniet, dan heb ik niets van je conclusie begrepen. Ze vereenigen = ze samen aanvaarden = ze samen verwerpen (volgens het humeur van het oogenblik). Ik aanvaard Nietzsche en het genie, en het genie van den ‘geest’ als 1e in de hiërarchie van de menschen, het is mijn fatum of mijn drama dat ik dat doe - maar het is zoo. Jij, inplaats van ons fatum of ons drama te doen uitkomen en te verdedigen, verdoezelt het en zoekt wat jij noemt ‘windstilte’, wat ik noem het prettige stille plein. En de conclusie voor mij is wat ik je al zei, en wat je ook begreep zooals het begrepen moest worden: de verdediging van ‘Rotterdam’; dat is natuurlijk: voor jou Rotterdam, van jou-in-Rotterdam.

Als het erop aankwam voor jou om te bewijzen dat verstandelijk bekeken alle soorten van menschen bestaansrecht hebben, dan had je dààrvoor geen boek hoeven te schrijven van 250 blzn. - dan is je dat grif toegegeven op één achtermiddag, en zelfs in één minuut. Is dat niet zoo en heb je wèl je voorkeuren verdedigd (‘polemisch’ dus) dan heb ik die niet gevonden of begrepen.

Zoolang een Bouws kan denken dat je boek hèm rechtvaardigt, is er ook iets mis met dat boek, dat is het duidelijkste van alles.

Het gekke is dat je zult zeggen: ‘maar hoe kàn je zooiets van mij denken? van mij, bewonderaar van Nietzsche, etc.? -’ - Maar zooiets spreekt uit je boek, tenzij en Bep, en ik, en Bouws, er niets van hebben begrepen. - Kan je het ons niet in een paar woorden uitleggen?

Ik wil het nogeens overlezen als het in druk verschenen is en dan mijn houding er tegenover formuleeren, als je dat tenminste niet onaangenaam is. Dit is geen behoefte aan strijd bij mij, maar aan innerlijke (moreele?) hygiëne.

Schrijf eens gauw. Hartelijke groeten van je

E.

 

Een andere oplossing is dat je mij deze en de vorige brieven - dus samen 2 of 3 - over de Politicus zendt, en dat ik er (als bij de Liaisons) één ‘essay’ van maak, dat ik desnoods niet publiceer in een tijdschrift, - vooral niet wanneer Forum niet meer bestaat - maar alleen in mijn bundel. Ik voor mij geloof dat dit nog het beste is; ook het zuiverste. Jij?

 

* Grappig, die twee mij opgedragen boeken achter elkaar!

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie