Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 25 september 1932

Rotterdam, 25 Sept. 1932

 

Beste Eddy

Je beide brieven ontvangen. In principe ben ik het natuurlijk geheel met je eens, n.l. op het punt van de ‘polderlandschheid’. Alleen meende ik, dat je, bij een beoordeeling van de figuur Zijlstra dat punt langzamerhand ook als uitgangspunt had gekozen, evenals ik. Als ik hem niet ongeschikt noem en hem bij tijd en wijle zelfs wel aardig vind, geschiedt dit, omdat ik een Hollander (en een mensch überhaupt) onmogelijk alleen kan schatten volgens zijn intellectueele waarde; van dat standpunt bekeken is Z. natuurlijk bij voorbaat gevonnisd. De man heeft geen ‘intellectueel geweten’ en wat hij zichzelf wijsmaakt mooi te vinden passeert eerst de ‘gedachte aan het fonds Nijgh & van Ditmar’. Ik heb allang opgehouden hem zoo te bekijken en zelfs confidenties te doen aan een uitgever op dit gebied; die lui zijn door het zakendoen in literatuur zoo vervalscht, dat ze letters volkomen anders bekijken dan wij. Ik geloof daarom ook niet aan den Heiligen Stols, die je bij zulke gelegenheden als deze tegenover Z. oproept; wat Stols in onze oogen aanvankelijk sympathieker maakt, n.l. het feit, dat hij op ons ‘soort’ gewed heeft en niet òòk nog konkelt met Alie Smeding, is evenmin zuiver als Z.'s tactiek; het is meer snobisme, minder ‘zaken’ zoomaar, met onze appreciatie van literatuur heeft het niet veel méér te maken. Natuurlijk blijf ik met jou Stols boven Z. prefereeren, maar ik geef me er tegelijk rekenschap van, dat die preferentie voor 90% het fonds Stols en niet den mensch Stols betreft! - Wat mij in Z. dus nog sympathiek voorkomt, ligt allerminst op het terrein van het begrijpen; want daar is hij een knoeier. Ik apprecieer b.v. in hem, dat hij niet krenterig is, en verder, dat hij tegenover ons nooit heeft beweerd, zooals destijds Querido placht te doen, dat hij uit idealisme uitgaf. Dat hij in dit bijzondere geval inderdaad een pleefiguur maakt, komt voort, daarvan ben ik vast overtuigd, uit de waardeering, die hij voor je heeft; daarom heeft hij geen uitsluitsel gegeven over de boekuitgave, en hij zit er zelf mee in. Wanneer je hem dus verwijt, dat hij Alie Smeding wel uitgeeft, kom je weer op het terrein van het begrijpen; hij zàl de nogal komische analogie van die gevallen eenvoudig niet begrijpen, omdat het begrip voor hem door het fonds N. & v.D. gaat; hij heeft zich allang wijsgemaakt, dat er in Alie iets zit, dat de moeite waard is, terwijl hij haar in werkelijkheid aanhoudt, omdat hij aan haar verdient. Het kan zijn, dat deze beschouwing hollandsch klinkt; maar ik kan werkelijk Z. niet als een walgelijk individu zien, evenmin Forum als een ‘compromiszaakje’. Vergeet niet: Z. heeft nooit eenig bezwaar gemaakt tegen de opname van de Coster-vervolgen, hij heeft uitsluitend verzocht om een Dec. nummer zonder vervolgen; en al mag daar nu zijn antipathie tegen het Coster-stuk achter zitten, op Forum slaat dat niet terug!

Blijft: dat mij eveneens in deze zaak erg tegenstaat de wijze, waarop Z. zijn beslissing over Coster heeft opgeschort; begrijp me wel, ik excuseer dat niet door het te verklaren. Ik heb hem zoojuist opgebeld en met hem voor morgenmiddag een onderhoud afgesproken; dit zal ik hem ook duidelijk onder zijn neus wrijven. Als je executeur zal ik ongeveer de volgende gedragslijn volgen: ik zal beginnen met hem zonder omwegen te laten verklaren, of hij Coster wil uitgeven, ja of neen; is het antwoord negatief, dan zal ik hem zeggen, dat ik dat zeer betreur, en om welke redenen. Ik zal hem dan ook zeggen, dat je als auteur verder (in het negatieve geval) geen relaties meer met hem wenscht te onderhouden, al ben ik zelf overtuigd, dat hij de beslissing over Coster niet heeft uitgesteld, om je als auteur aan het lijntje te houden. Punt 2b kan ik echter onmogelijk (voor mijn eigen gevoel) bespreken; zooals ik je zeg, ik kan Z. nu eenmaal niet als een schoelje beschouwen en ik kan hem dus ook niet beleedigen door hem geld in zijn gezicht te gooien, dat hij je ongetwijfeld niet met ‘zakelijke’ bedoelingen heeft geleend. Ik zou je dit adviseeren: wacht even, wat het resultaat van mijn gesprek met Z. is; acht je het na mijn brief, die ik dadelijk daarna zal schrijven, gewenscht, om hem alsnog het geld te retourneeren, dan kun je het zelf schriftelijk beter doen dan ik, die in dezen geen recht van inmenging voel. En nog dit: komt er in dit gesprek geen regeling tot stand, die mijns inziens voor jou bevredigend is, dan ben ik er tegen, om een stuk van Coster weg te laten in Forum. Ik vind dit alleen verantwoord, wanneer Z. er blijk van geeft jouw standpunt te (laat ik maar zeggen) begrijpen.

De quaestie, die je en passant nog aansnijdt, n.l. het redacteurschap van Forum, laat ik ook liever tot morgen rusten. Ik blijf bij mijn meening, die ik vroeger ook al eens gezegd heb, dat deze en soortgelijke geschillen absoluut niet motiveeren, dat je uit de redactie gaat. Je zou daarmee 1o Z. als een belangrijke man in Forum-zaken beschouwen en 2o daarmee te kennen geven, dat in de afgeloopen jaargang Z. compromissen heeft weten te bereiken, wat niet het geval is. Je zou daarvan kunnen spreken, als hij zich òf tegen de opname van Coster had verzet òf Smedings en Reulings aan ons had opgedrongen. Als je niet wilt, behoef je je met Z. niet meer te bemoeien; je kunt hem als particulier auteur verder kalmweg passeeren en rancune behoeft daaruit niet te ontstaan. Ik weet wel, dat onze vriendschap met Forum niet staat of valt (misschien zelfs zouden we, als je géén redacteur was, veel quaesties, die daarvoor van geen belang zijn en toch brieven eischen, vermijden); maar Forum is voor mij nu eenmaal ons tijdschrift en niet het mijne, en ik walg nu eens van de gedachte, dat de gesties van een Z. daarbij verandering zouden brengen, tenzij het strikt noodzakelijk is. Wat Z. totnogtoe gedaan heeft, motiveert geen uittreden. Maar tenslotte is ook dit een gevoelsquestie; als voor jou het feit van Z.'s uitgeverschap zwaarder weegt dan ons gezamenlijk front tegenover de holl. halfzachtheid, kan ik niet anders dan amen zeggen, hoewel met groote tegenzin! Want het is toch iets anders, of je medewerker bent, speciaal voor mij; voor mij is er pas dan het pleizier af, nù nog lang niet. Laten we, als het eenigszins kan, den tweeden jaargang nog samen leiden; dan zullen we er beide wel zat van zijn en kunnen naar andere mannetjes zoeken en beide medewerkers worden.

Morgenavond dus nader. Veel succes met de installatie, matrassen enz. Ant en Truida, die hier zitten en niet zonder levendige belangstelling je bombardement op Zijlstra hebben gevolgd, zenden je hartelijke groeten. Tot slot de mijne, ook voor Bep, je

Menno

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie