1899-1940 | |
|
HET KIND DAT WIJ WAREN - Wij leven 't heerlijkst in ons verst verleden: / de rand van het domein van ons geheugen, / de leugen van de kindertijd, de leugen / van wat wij zouden doen en nimmer deden. // Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden, / van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen, / zuivere bron van weemoed en verheugen, / verwondering en teerste vriendelijkheden. // Het is het liefst portret aan onze wanden, / dit kind in diepe schoot of wijde handen, / met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen. // 't Eenzame, kleine kind, zelf lang verdwenen, / dat wij zo fel en reedloos soms bewenen, / tussen de dode heren en mevrouwen. - uit PARLANDO van E. du Perron - HET KIND DAT WIJ WAREN - Wij leven 't heerlijkst in ons verst verleden: / de rand van het domein van ons geheugen, / de leugen van de kindertijd, de leugen / van wat wij zouden doen en nimmer deden. // Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden, / van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen, / zuivere bron van weemoed en verheugen, / verwondering en teerste vriendelijkheden. // Het is het liefst portret aan onze wanden, / dit kind in diepe schoot of wijde handen, / met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen. // 't Eenzame, kleine kind, zelf lang verdwenen, / dat wij zo fel en reedloos soms bewenen, / tussen de dode heren en mevrouwen. - uit PARLANDO van E. du Perron -
02-11-1899
| |
