21

En juist dezer dagen krijgt men dan nòg een rel, over een bijzondere Vondel-leerstoel, die nodig zou zijn omdat anders ‘de gezondste en heilzaamste vitaminen, waarover onze cultuur te beschikken heeft, aan de nationale geestesvoeding en-opvoeding onthouden’ zouden blijven - en deze bijzondere leerstoel zou bezet moeten worden door de heer Asselbergs

[p. 613]

van Duinkerken. Dubbele dwaling. Ten 2e moet niet Asselbergs benoemd worden, maar ten 1e heeft de nationale geestesvoeding volstrekt niet de vitaminen van Vondel nodig - wat de natie en vooral de studerende jeugd van de natie van dat soort vitaminen verwerken kan, krijgt ze reeds uit alle hoeken, - voor de geestesvoeding van onze natie zijn Multatuli-vitaminen van een veel dringender noodzaak. Er moet dus niet een bijzondere Vondel-leerstoel opgericht worden, maar een dito Multatuli-stoel, en deze moet bezet worden, niet door Asselbergs, maar door E. du Perron. Laatstgenoemde weet namelijk wel niet alles van Multatuli af, maar toch heel wat meer dan Asselbergs van Vondel afweet, en wat hij nog niet weet kan hij uitstekend leren terwijl hij het de studerende jeugd van de natie uiteenzet.

Het allereerste wat hij die jeugd echter zou moeten afleren, is de erbarmelijke onzin waarbij een te groot deel van de natie nog steeds baat vindt, over een Multatuli die gesplitst zou zijn in een schrijver, van groot, en een mens, van klein formaat. Want die grote schrijver, die willen ze nog wel, als de mens dan vooral klein blijft. Geen ontwikkeld of daarvoor doorgaand Nederlander zou er nog maar over moeten dènken zulke onzin te verkondigen, zo min als dergelijke Nederlanders er nu over denken te verkondigen dat Vondel behoort te worden gesplitst in een Jozef en een Lucifer. Eéns moet zelfs de burgerman ophouden dergelijke drastische dwaasheden als wijsheid - en dan nog wel als nauwkeurig onderscheidende wijsheid! - uit te kramen.

Zo'n gesplitste Multatuli bestaat niet, om de eenvoudige reden dat het schrijverschap zelf de openbaring is van een bepaald soort superieure mens. Deze mens is superieur om zijn grotere gevoeligheid en intelligentie; zijn fijnbesnaardheid, zoals dat heet, en groter vermogen tot ontroering; de levendigheid en kracht van zijn denken, die zich omzet in zijn taal; de gloed van zijn temperament; zijn menselijke rijkdom in één woord; wat nog iets anders betekent dan zijn burgerlijke, of zelfs menselijke braafheid. Wanneer wrekende

[p. 614]

schoondochters van mensen zo rijk als Multatuli - rijk en superieur tot in hun tegenstrijdigheden, die immers slechts het bewijs zijn van hun overdaad aan indrukken - van een Multatuli beweren dat zijn zoon hem overtreft ‘als mens’, betekent dat niets anders dan dat, volgens haar, die zoon braver was. Dat is mogelijk; met het formaat van Multatuli, ook als mens, heeft dat niet veel te maken. De schrijver-van-groot-formaat die een mens-van-klein-formaat zou zijn, is een fictie; op zijn allerbest een vrome leugen. Die mens-van-klein-formaat, d.w.z. niet iemand die braaf of niet braaf is, maar iemand van een schriele, grauwe, armoedige, onvolwassen en onbewuste menselijkheid, kan nooit een groot schrijver zijn, noch zelfs iets dat daar in de verte op lijkt.*

Om de waarheid van dergelijke burgermanswijsheden te staven, zouden wrekende schoondochters en dergelijken dus moeten beginnen met nauwkeurig te kunnen aantonen hoeveel, of liever, hoe weinig ‘mens’ in zo'n grote schrijver steekt; d.w.z. met hoe weinig ‘mens’ zo'n grote schrijver het volgens hen stellen kan. Volgens hun theorie zou alles wat Multatuli aan ontroerends geschreven heeft, dus uitsluitend schijn zijn, niets dan de leugen van de kunst; want de mens is totaal anders, en niets van de ontaarde echtgenoot en vader Multatuli, die een mens van zo klein formaat was, kan in die mooie en grote schrijverij van hem voorkomen, als men hen gelooft. De onzin van deze stelling is daverend. Waarmee vulde dan die kleine mens de ‘schone vorm’ - vorm is ook zo'n dankbaar woord voor deze burgerlijke vervalsers - van al dat moois dat hij schreef? Deze Multatuli, die een geniaal schrijver was, en ‘ik ben de eerste om dat te erkennen’, zegt de Schoondochter (blz. 479) precies zo parmantig als onbewust waar deze erkenning haar toe verbindt, kàn niets anders uitgedrukt hebben dan wat er in de mens Multatuli leefde en omging, anders was zijn ‘schone vorm’ zo leeg gebleven als een doorgeprikte kinderballon. En dat dit ‘mooie’ leefde

[p. 615]

naast het ‘ontaarde’ in hem, is zeer wel mogelijk, maar het moest aanwezig zijn, binnen deze zelfde mens.

Men raakt hier het essentiële van het probleem van de auteur, in tegenstelling met dat van de acteur. De acteur kan volstaan met na te voelen, met aldus voelend na te beleven wat een ander hem voor-gevoeld heeft en voor-beleefd; voor de acteur is een maximum schijn naast een minimum eigen gevoel voldoende om effect te maken; de auteur die alleen maar navoelt wat hij bij een ander gevonden heeft, bestaat niet, of valt al zeer gauw door de mand. Het tekent bovendien deze lieden, dat zij bereid zijn het geniale schrijverschap te aanvaarden van iemand die als mens geheel verleugend zou zijn. Het tekent hun domheid als het niet erger tekent: hun bereidwilligheid om mee te doen aan een oneerlijke komedie die zij zelfs best geniaal willen noemen. Na te hebben uitgelegd hoe onecht de Havelaar is, vervolgt de Schoondochter (blz. 77) zonder blikken of blozen: ‘waarmee niet gezegd is, dat de letterkundige waarde er ook maar iets minder door zou zijn’. Multatuli zei dat Duymaer van Twist voortging te spreken over indische zaken in de Tweede Kamer, en niemand stond op en spuwde hem in het gezicht. Ditzelfde geldt voor deze genieters van ‘letterkundige waarde’: zij bazuinen hun verachting uit voor de mens van klein formaat en blijven hun geniale schrijver eren, inplaats van juist die schrijver dan maar te spuwen in zijn gezicht. Tot het vergieten van krokodillentranen bij mooi opgediste leugens blijven deze genieters ten allen tijde en gaarne bereid.

*Vgl. de twee braafste en geborneerdste levende publicisten van Nederland: de heren M. Uyldert en D. Hans.