E. du Perron
aan
G.O. Tissing

Tjitjoeroeg 1 februari 1937

Tjitjoeroeg, 1 Febr.'37.

Beste Dé,

Inderdaad is gisteren hier iets zoo ellendigs gebeurd, dat ik er totaal beroerd van ben.4464 Ik schrijf er liever niet over, later mondeling weleens. Met de Crone's heeft het gelukkig niets te maken, met Erna ook niet. Maar zoowel Bep als ik zijn eigenlijk allebei zoo'n beetje kapot. Ik hoop dat er binnenkort ‘iets op gevonden wordt’.

Hoe het zij, hartelijk dank voor je brief; en inderdaad, er is niemand op wien ik in zoo'n geval zoozeer rekenen zou - d.w.z. met zooveel zielerust rekenen zou - dan op jou.

Ik ga niet naar de trouwerij, ben er te vernederd en beroerd voor. Het spijt mij erg voor Erna, die altijd zoo lief is; maar ik kan niet, evenmin als een kapotte automaat. De ‘mannelijke deugden van zelfbeheersing’ schijnen bij mij even afwezig te zijn als bij Multatuli.4465

Misschien kom ik over een tijdje wat bij je logeeren, alleen dan. Maar plannen maken durf ik niet.

Tot zoover voor heden. Hartelijk

je E.

4464Niet achterhaald.
4465Vgl. P. Geyl: ‘Zoo Multatuli zich ergens heeft ten toon gesteld in zijn zielig gebrek aan de mannelijke eigenschappen van bezonnenheid en zelfbeheersing, dan hier.’ In P. Geyl, ‘Multatuli en Van Lennep’. In Onze eeuw 12 (1912) 7 (juli). p. 113.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie