E. du Perron
aan
J. Greshoff

Amsterdam, 24 januari 1930

Amsterdam, Vrijdag.

Beste Jan,

Ik bèn een wijs man - dat begin ik zelf hoe langer hoe meer in te zien, dus als jij het nu óók al zegt En het zaakje met Kramers is al in orde, dat zie ik van hier. Leve Jo Kuller zonder aanstoot-gevende passage. Ik heb K. geschreven dat hij alleen redenen had om jouw proza over die dame (Jacques zou zeggen: ‘Kulleriade’) te weigeren als je bepaald dingen had gezegd die haar mondaine reputatie aantastten, b.v. dat ze ‘à quatre pattes op een carrefour te Parijs was aangetroffen met het garnaaltje van een verkeersagent in het verkeerde keelgat’ - maar hèb je dan zulke dingen gezegd?? Dat had je dan ook niet moeten doen, dat is niet netjes, Jan, tegenover damessen.

De gemeenschappelijke staking blijft je overigens toegezegd. Ik wil zelfs solitair - inpl. v. solidair - staken, ook als het wèl in orde komt, pour peu dat ik er je een planzier mee doe. Wij mannen zijn nu eenmaal op deze soort planzieren aangewezen; wij kunnen elkaar toch niet koppiekrouwen of tusschen de toonen kietelen.

Van Sander kreeg ik een briefje en een pak poëzij van Ten Berge864, ter lezing voor de ‘Luchtkasteelen’. Ik heb sterk vóór geadviseerd, bijna zonder lezen, want dit zijn de boekjes die hij verkoopen kan. Het is minstens even goed als veel ander werk van hetzelfde soort, maar daar hoeft men niet eens naar te kijken. Men zie naar de groote successen van Van Duinkerken. Dus: opnemen - en zonder dralen! - Komt J.v.N. ook in de serie? Hééft hij copy voor 2 vel poëzie? Wat gaat hij dan geheimzinnig te werk! Ik dacht dat hij, alles bijeen, zoowat vijf gedichten had.

Ik zal Willink de hem betreffende passage van je brief voorlezen en ben er zeker van - met de wijsheid die mij karakteriseert - dat hij mij zeggen zal, dat ik je vooral niet meer mag hààsten, dat ik je ‘periodes van verlamming’ goèd moet begrijpen, dat er vooral géén dringende haast bij is, en dat ik, nòg vooraller, géén flauwe en would-be moppige toespelingen moet maken op je hebzucht, omdat dit, zelfs onder vrienden, heele delicate kwesties zijn... Ik zal mij strict aan die raadgevingen houden en alvast over het laatste punt mijn excuses maken. ‘Jan! je bent géén hebzuchtige, berekenende kunstkritikus, als zoovele anderen! Slaap weer gerust en ban alle onaangenaamheid uitje trouwen boezem - enz!’ (De rest schrijf je er zelf maar bij, in den trant van mijn wijsheid, wel te verstaan.)

In den trant van jouw wijsheid las ik gisteravondje twee stukjes865: over anoniem en en de gâteusheid van Chérau; zeer tot schudding van mijn lever, als gewoonlijk. Je wordt nog eens onze Nationale Brompot, als dat zoo doorgaat. Ik zal alvast een grafschrift op je maken, ik bedoel: een rijmpje voor je a.s. monument (Jan Greshoffplein van je geboortestad).

Ik hèb geen nr. van de Febr. Gids voor je! Anders had je het al lang. Ik kreeg het zelf niet, waarom is de vraag. Ik werd ook voor een rijksdaalder afgezet, want kreeg fl.22,50 inpl.v. fl.25 voor vijf verzen. Vreemd.... Zoodra het nr. komt, het komt misschien nog wel, zal ik het je zenden.

Je journalistieke aanwezigheid in de Chambre des Députés doet mij griezelen. Wat heb je dààr voor een rotwerk op je genomen! Ik hoop dat het met stroomen van de Pactolus wordt betaald, anders kan je beter thuiszitten en kinderboeken schrijven, daar hebben Kees en Jan tenminste nog wat aan. Correspondent van Haarlem's Dagblad!. Jan, het gaat den verkeerden weg op met je.

Mijn kostbaas is de lulligheid in persoon. Iedereen hier in huis bedreigt hem met Prügel, en hij weet niet hoe lief of-t-i lachen moet en hoe gedempt spreken om het te ontgaan, tegenwoordig. Maar gappen zal-i tot zijn laatste uur. Van weggaan zal wschl. niets komen, al heb ik nog steeds niet ‘het rustig bezit van mijn kamer’. - Een mooie historie om je later eens uitgebreid te vertellen.

De Vuurproef866 is niet bepaald heel erg goed, maar minstens even goed als veel ander werk dat, voor Holland, ‘goed’ is. Maar ja, als Sander wat beters heeft, moet hij er niet over denken om het op te nemen. In de eerste plaats moet hij verkoop-kansen hebben. Stuur mij dat ding dus gerust terug. - Kelk is opgetogen met het blijde bericht. - Ik schreef Sander dat hij in de eerste serie moest opnemen: een bundel verzen van Maurice, samen te stellen uit: een keuze uit Eros, een keuze uit De Kom der Loutering, de verzen uit De Dichters van het Fontijntje867 en andere verzen uit dienzelfden tijd, en dan - als Maurice kan en wil - nog latere verzen. Het geheel te noemen bijv. Het Verzaken (titel door Maurice ergens aangekondigd). Die twee eerste bundels van M. zijn geheel uitverkocht en in Holland althans onbekend, en er staan, tusschen veel typisch jeugdwerk door, prachtige verzen in (je weet dat ik er 16 overschreef). Ik heb M. gevraagd mij Eros nog te zenden. Wat denk jij van het idee? M. is als dichter veel te onbekend, en voor de ‘Luchtkasteelen’ zou het een mooi nummer zijn. Als je het met mij eens bent, reken ik op jou om de beide heeren op te warmen.

Je bent eigenlijk niet wijs met je gekanker over Holland, of liever, ik zou je kunnen volgen als je Brussel maar niet zoo overheerlijk vond. Tusschen Amsterdam en Brussel il n'y pas de comparaison wat stad betreft, Brussel heeft alléén het voordeel van een grootere goedkoopte. Je houdt niet van Amsterdammers, soit! maar het gros van de Belzen kan je me toch ook gestolen krijgen! Als je je zoo naar voelde in Holland, omdat je uit Frankrijk of Italië kwam; maar uit Brussel! denk je toch éven in: uit dat karakterlooze, griezelig burgerlijke, na-aperige en léélijke Brussel. De kleinste gracht van Amsterdam verdrinkt gemakkelijk (wat waarde betreft) het monsterlijke Palais de Justice. En de heele rèst: die al te befaamde Grand'Place, ‘où tout est doré sur tranche comme pour la distribution de prix’, die akelige: èn vieze èn kleine, boulevard van de Midi tot de Porte Louise, die heele bevolking van gracielooze opdemmers die hun niet aan te hooren Fransch of Nederlandsch (met sch) met de overtuiging der domheid uitblaffen. Hier zijn te veel Joden, en het ‘aksjint’ is ook vervelend, maar dààr is het ook niet alles, laten we wèl wezen. Ik hoor je altijd graag kankeren, maar overtuigend is het niet voor me, en ik begrijp Neel Doff als ze tegen je uitvaart: ‘Mais enfin, monsieur, aimez-vous tant les Beiges?!’ Ik vind een Belg repugnant als hij een getrapte Belg is, Vlaam of Waal, peu importe, en nògmaals repugnant, als hij eleganterig Franscherig doet. En andere zijn er niet, op 2 of 3 uitzonderingen na, als Hellens en onze onvolprezen Jan van Nijlen. - Maurice is een geschikte vent bijv., en zeker al 1000 maal beter dan den doorsneê-Brusseleer, maar toch zal zijn Belgischen kant mij altijd beletten mij prettig te voelen met-en-bij hem. - Ziehier eenige kleine bekentenissen in ruil voor je Hollandophobie. Ik ben ook nog altijd geen Holland-wellusteling, maar toch... Om met een synthese te spreken die jouw schilderijenliefhebbershart moet raken: Holland (Amsterdam) heeft Rembrandt opgebracht en België (Vlaanderen) Rubens en Jordaens. Ik weet niet hoe jij er tegenover staat, maar voor mij is Rembrandt, sinds ik zijn groote schilderijen zag, de essence van vijf Rubensen waard, y compris tien Jordaensen. Wat bij Rembrand vuur is, smaak, innigheid, intelligentie, alles wat je wilt, is daar brute kracht, zinnelijkheid en opdemmerigheid. (Wat is 'nen Bels zonder bluf, zulle?) Rembrandt is Shakespeare waard; Rubens is, op zijn best, een amalgaam tusschen Aristophanes en Jan Vos. Het is weer één van die bête koppelingen: Goethe en Schiller, Balzac en Stendhal (in de verkeerde volgorde nog wel), Rembrandt en Rubens. Om Het Joodsche Bruidje te maken of de Danae van St. Petersburg, waarvan ik alleen een reproductie zag, maar die ik mij een beetje kan voorstellen sedert ik Rembrandt's kleuren zag, zou Rubens, als hij vijfmaal zooveel talent had dan het geval is, bovendien nog iets anders hebben moeten zijn dan 'nen Bels. Dit is mijn hartgrondige overtuiging. - Een ander voorbeeld: kan je je een Belgische Couperus voorstellen, en de charme van Eline Vere of Van Oude Menschen in Brussel denken?* Holland op zijn best is dus beter dan de Belziek op zijn best, tot nader order tenminse. En het vulgus is overal even868 beroerd, en zeker in deze twee landen. - Nou jij weer over de gesteriliseerde trams.

Het ‘psychologische’ verschil tusschen ons in deze zaak wordt veroorzaakt door het feit dat jij te lang in Holland gewoond hebt, en ik véél te lang in en om Brussel, naar mijn zin. Brussel heeft eerst een klein beetje bekoring voor mij gekregen sedert ik er - door jou! - eenige aardige menschen heb leeren kennen. Maar als diezelf-de menschen ergens anders woonden: bijv. in Amsterdam, zou het mij eigenlijk veel liever zijn. Er is in Brussel als stad eigenlijk niets wat mij aantrekt, of het zou het goedkoope boekbinden moeten zijn. Er zijn in Amsterdam honderd plekjes waar ik zou willen wonen; in Brussel vind ik er, na láng zoeken, 2 of 3 (de boulevard Brand Whitlock869 is er één van). In Uccle zou men zelfmoord willen plegen, en in Sint-Gilles gaat men tot het schorem behooren, of men wil of niet. Die levenlooze en uitgestreken Avenue Louise, vind jij dàt niet van een idiote deftigheid? Ik houd niet van de Kalverstraat, maar ook niet van de Rue Neuve, weinig van het Rembrandtplein, maar ook weinig van de Boulevard Anspach. Wat in een stad bekoorlijk is, voor mij, is een zeker karakter, een zekere innigheid in het décor. Zoek jij die maar in Brussel! In Amsterdam wemelt het van zulke plekjes. - Dit zul je mij misschien ook wel toegeven, want zelfs Antwerpen is inniger dan Brussel, en heeft meer karakter. Blijft dus je haat tegen de Hollandsche instellingen en de Hollanders. Ik spreek je hierin ook niet tegen; ik kan mij voorstellen dat men daar gauw zijn bekomst van krijgt. Ik kan mij alleen maar niet voorstellen dat iemand van de Belzen en hùn instellingen zijn bekomst niet krijgt! Ik reken hieronder ook die potsierlijke en onooglijke optochtjes, waar jij vroeger zoo'n plezier in had. Ik vind die dingen dòm, grotesk, leelijk, armoeiïg en wat dies meer zij. Als de burgerij en de domheid tòch los moeten komen, dàn maar liever met een zekere properheid en deftigheid, dan met die armoeiïge en ‘drollige’ gezelligheid van allure. ‘Gezellig’ voel ik mij bij dergelijke smakkers toch nooit. Ik geloof verdomd dat ik tòch meer ‘Charles-Edgar du Perron’ ben dan het lijkt, als het er op aan komt. Ik loop met harmonikabroeken en doè zoo aristocratisch als een geretireerd winkelier, maar ik krimp innerlijk ineen bij jovialiteiten van een zeker allooi (genre Pirard870, Vriamont en zoo); ik kàn daar niet tegen, ik grijns er dan zoo'n beetje bij en ik zou het allerliefst een klinkende oorvijg willen uitdeelen. - Nu zijn we dus weer aan de oorvijgen toe en kan ik mijn bespiegeling staken.

‘A quoi bon?’ dat denk je als schrijver wèl heel dikwijls, hier. Het is om te huilen, als je je verdiept in de Hollandsche belangstelling voor alles wat buiten de leestrommels valt in de literatuur. Met Kelk en Van Wessem had ik daarover griezelige gesprekken - nog griezeliger haast als met jou. Men voelt zoo dat jullie allen hierin absoluut niet overdrijven, dat het de bittere waarheid is en nièts méér. Akelig!... Maar enfin, als je nu eenmaal schrijven moèt, en dat verbeelden we ons allemaal....

Ik benijd Maurice dat hij den aandrang heeft tot een dikken roman. Ik geloof meer en meer dat zooiets alleen uit aandrang geschreven moet worden. Je gaat toch ook niet op de W.C. zitten met het gevoel: ‘Kom, laat ik nu eens kijken of ik gróóte, dan wel sierlijke drollen kan draaien’. Het boek moet kloppen en schreeuwen om geschreven te worden, niet moeizaam bijeengeschraapt en uitgeperst. Ik ben blijkbaar op het oogenblik heelemaal niet in zoo'n stadium, en dat verklaart je mijn werkeloosheid. Ik geloof niet dat men ‘maar aan het schrijven moet gaan’; wat men dan bereikt is hoogstens superieur, desnoods heel superieur, maakwerk. Een boek als Le Petit Ami wordt niet zóó geschreven; dat komt opeens in je op (wschl. geholpen door de omstandigheden; een vacantie buiten of zoo) en dàn schrijf je het ook in veertien dagen of een maand. - Ik zal mij dus ook maar niet haasten; al benijd ik op het oogenblik Maurice. Ik zal mij maar liever troosten met mijn werken, tot dusver ‘gerealiseerd’, de revue te laten passeeren. Kijk eens: 1. Een Voorbereiding. 2. Poging tot Afstand. 3. Bij gebrek aan Ernst. 4. Nutteloos Verzet. 5. Parlando. 6. Cahiers van een Lezer. En het eerste deel van mijn ‘roman’, die toch klaar ligt, en nog altijd als ‘verhaal’ verschijnen kan, ook als de rest uitblijft. Zoo troost ik mijn onvruchtbaarheid....

Terwijl ik je dezen langen brief schrijf, praat Simone er bijna zonder ophouden doorheen. Bewonder mij dus als je vindt dat er nog iets van terecht kwam. Ben jij zóó getraind dat je lezen en schrijven kunt terwijl je vrouw met je praat en op antwoord aandringt? (Op dit oogenblik vertelt ze mij hoe goed haar moeder voor mij heeft gekookt, en dat het toch haar moeder is, en zoo - en moet ik dus weer antwoorden dat ik het een allerliefste vrouw vind, maar tòch geen relaties wensch.) Ja, ja, zoo is het leven. Maar als Aty je niet plaagt terwijl je schrijft, komt dat misschien omdat ze weet dat haar betoogen substantieeier zijn; zou het niet?

Een grapje dat je onder ons moet houden. Gide praat met Malraux over Sander:

- C'est cu-ri-eux, que ce Hollandais si pe-sant, sait être si lé-ger dans ses propos....

Malraux: Léger? Je n'ai jamais entendu dire que Stols raconte des cochonneries!

Gide: Ce n'est pas ainsi que je l'entendais. Ma remarque concernait la sub-stance de ses dis-cours. -

(Hoe Gide praat, heb je dien Congo-avond kunnen hooren. Malraux doet hem voortreffelijk na.)

Dit verhaal is weer opgedoken uit mijn laatste Parijsche periode van 3 dagen. Langzamerhand komt alles uit. - Ik eindig overigens. Je zult je nu wel eerder over het teveel dan over het te weinig van mijn epistolaire kunst beklagen. Doe mijn hartelijke groeten aan Aty, en ontvang zelf een ferme hand van je toegewijde

Ed.

P.S. - Ik kan wel lange brieven aan jou schrijven, maar kom er niet toe het proza van Van der Hoeven in de Nederduitsche tale over te zetten.

871Belangrijk.

Kan je me misschicn je pcrs-cxemplaar van Maurois' Byron zenden (2 dln, Grasset)? Je krijgt het eerlijk terug. Dank!

E.

864Van Willem ten Berge, die toen behoorde tot de zg. jong-katholieke dichters, was in 1928 als debuut de verzenbundel De reiziger verschenen.
865In DGW van 20 februari 1930 hekelde Greshoff in zijn rubriek ‘Spijkers met koppen’ voor dc tweede keer een bepaald soort anoniem schrijven in het blad Nederlandsche bibliografie; met het tweede stukje zou het in dezelfde rubriek verschenen entrefilet ‘Vraag-en-antwoord-spel’ bedoeld kunnen zijn, waarin een toneelcriticus op de korrel wordt genomen. Diens naam zou dan Chérau moeten zijn.
866Verhaal van Blijstra (vgl. brief 426).
867In 1924 publiceerde Jan van Nijlen onder de titel De dichters van 't Fonteintje een bloemlezing van verzen uit dat tijdschrift.
*Brussel brengt een Teirlinck op: het Ivoren Aapje.
868Dubbel onderstreept.
869De laan in de Brusselse randgemeente Sint Lambrechts-Woluwe waar DP dichtbij Greshoffs huis in 1930-1931 enige tijd woonde.
870Louis Piérard: een Franstalig Belgisch schrijver en volksvertegenwoordiger.
871Ondersteboven linksboven.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie