[p. 532]

Een oude Meneer en Ik

‘Ach, Juffrouw, lieve Júffrouw, wij sukkelen allen voort over onze aarde, de een met lange, de ander met korte beenen. De lange beenen nemen groote stappen, de korte kleinere pasjes, dat spreekt vanzelf. Maar wat komt het erop aan, of onze beenen lang of kort zijn, wij komen toch nooit daar, waar wij heen willen. De beenen kunnen het niet helpen, het ligt aan ons hart, die bobbel van verlangen in onze borst, die zwelt en krimpt, die ons drijft en kwelt en jaagt, die het altijd beter weten wil en ons parten speelt en niet zuinig. Zeker, het is een mooi woord met een pleizierigen klank: mijn hart, Uw hart, óns hart... en kloppen doet het ook vanzelf - tot de machine stilstaat, maar laten wij het daar niet over hebben, dat komt vroeg genoeg - wat U, Juffrouw?’

‘Zeker Meneer, U heeft gelijk.’

Er is niets zoo pleizierig als naar een mensch te luisteren en hem gelijk te geven. Dan komt hij, zonder het te weten met zijn vertrouwen aandragen, legt het in je schoot of in je handen als een hond zijn warmen kop en zijn stem wordt vaster, moediger. Wij menschen praten zoo graag over onszelf en onze eigen aangelegenheden, ieder van ons heeft zóó veel te zeggen en te klagen en bedroefd te zijn of teleurgesteld om dan met een vragende zucht van moedeloosheid een paar lichtpuntjes te noemen, die er wel zíjn natuurlijk... maar... dat het werkelijk steeds opnieuw de moeite waard is het alles uit te spreken.

Denk nu niet, dat de Meneer voortdurend alleen praat. Ik geef bij passende gelegenheden beamende antwoorden terwijl ik een draadje van mijn mouw pluis - was er een draadje? - of een vraag stel, doeltreffend als een pijl in het hart van de schietschijf, waarbij ik mijn hoofd scheef houd en mijn wenkbrauwen optrek. Dat is toch geen discussie! Zoo, vind je? Neen, een discussie is het niet. Wij zijn ook geen intellektueelen, de oude Meneer en ik. Wij zijn maar gewone menschen, ik geloof niet, dat wij veel beteekenen.

[p. 533]

Ja, alles goed en wel, maar wat moet dat nu met de oude Meneer? Komt híj nu weer eens aan de beurt? Wij zijn nu zoover gekomen, dat hij naast mij zit op de bank in het bosch. Neen, dit is niet waar, wij zijn al veel verder, wij koeterwalen zeker al twee volle uren met elkaar, eerst zittend op de bank en nu wandelend langs smalle stille boschpaadjes. Hij heeft mij kiekjes laten zien, die hij toevallig bij zich had en hij vertelt, hij praat, openhartig, breedvoerig en vertrouwelijk, zooals gewone alledaagsche menschen graag doen. Hij valt in herhalingen, hij verslikt zich af en toe, hij kuchelt, hij sputtert, hij zegt nog eens van ons hart, dat een bobbel is... en ik? Ik luister? Hoera, een mensch!

Hallo, jou gek, klein, mager mannetje, ik zou om die lange verfomfaaide snor van je, die aan weerskanten treurig langs je oude kinnetje neerhangt, ik zou om die twee pruikjes eerbiedwaardig gerafel, dat er zoo droog en kleurloos uitziet, smalle groenzijden lintjes willen binden, mèt strikje, zóó aardig vind ik je. Kom, laat je verder bekijken: wat heb je voor rare, kleine blikkige oogjes, diep weggezonken en even kleurloos als je snor en in je oud verkreukeld gezicht staat een scheeve wipneus als een bonkje roodachtige stopverf en anderhalf bleek haartje, slordig dwars over je kale kop gekamd, siert je kruin. Je eene been is stijf van de jicht, je schouders zijn gezond maar een beetje scheef uitgevallen, ook je das zit scheef en is slecht geknoopt. Een ouderwetsch plat - of hoe heet dat - laag boordje, waarboven een geweldige bepaald opdringerige adamsappel klokt, siert je hals, je hebt oude moeë handen met lange zijïge haren en groote bruine lever-vlekken erop. Er blijft werkelijk niets anders over, dan van je te houden... Een net pak heb je aan, donkergrijs. Over het grijze vest heen heb je nog een vest aangetrokken, een beetje kaal zwart vest van je ‘beste pak’, want het mocht eens plotseling koud worden en buitendien is het nog een móói vest èn warm. Dwars over je scheeve schouderbotten hangt een dikke glimmend leeren riem, zooals brave burgers op hun gelegenheidsreizen graag omdoen

[p. 534]

voor hun fototoestel of hun verrekijker. Maar bij Meneer dient deze riem om zijn groen loden regenjas overheen te hangen op zijn wandelingen, dan behoeft hij dit zware kleedingstuk niet ‘te dragen’. Ook hiervan zie ik nut en voordeel in, evenals van het warme, zwarte vest. Het kost mij enkel een weinig moeite om te begrijpen, hoe je die zware ijzerbeslagen schoenen van dof waterdicht leer, echte trappers voor groote bergtochten, aan je voeten kunt velen, om van het jichtbeen niet te spreken, voor rustige wandelingen langs vredige gemakkelijke boschwegen. Maar mijn tong, die huichellap, spreekt woorden van bewondering en eensgezindheid over je praktische uitrusting. Hoe zou je er wel uitzien, Meneertje, in plus-fours of als Tiroler met groen hoedje met fiere gemsbaard en kuitkousen? Mijn oogen zien menschen voor wie mijn hart sympathie voelt graag in bespottelijke verkleeding. Het is plagerig, een beetje vlegelachtig, maar het doet den ander immers geen pijn.

Stil, oude Meneer spreekt. Hij praat weer over ons gesukkel over deze aarde en ons hart, dat hij een bobbel noemt, heeft het gedaan, hoor!

Hij weet heel goed, zegt hij, dat híj niet meer verdriet en teleurstelling gehad heeft, dan wij allen, maar de een komt er gemakkelijker overheen dan de ander. Deze mijn nieuwe oude vrind kan er werkelijk nog niet overheen, over de parten, die het leven hem gespeeld heeft. Eigenaardig!

‘Nooit heeft zij van mij gehouden, lieve Juffrouw, kunt U dat begrijpen? Toen wij verloofd waren - het is nu 52 jaar geleden - was zij al erg schichtig, maar toen wij getrouwd waren, kreeg zij letterlijk een hekel aan mij. Weet U, wat het zeggen wil, kind, als je verliefd bent op een vrouw en die heeft een hekel aan je en het is dan nog je eigen vrouw voor God en de wet? Het is zoo gelegen - U is nog jong, ik mag misschien niet alles zeggen, al vind ik, dat wij de dingen bij hun naam moeten noemen en buitendien heeft U zoo'n ernstige blik (O, mijn Tiroler jodelbroek, zeg dat niet!) en luistert zoo - hoe zal ik zeggen

[p. 535]

met verstand - om dóór te gaan: ik werd steeds erger verliefd op haar en zij kreeg steeds grooter hekel aan mij. En wat doe je als jonge man? Je denkt dat je rechten hebt, je dwingt, dat wil zeggen ik heb een ongelukkige natuur, ik kan dat niet, ik heb dat nooit gekund. Ik kón niet boos worden, opspelen, vloeken, met de deur smijten en kwaad wegloopen, desnoods met een ander, waar ik toch alle reden voor had. Ik schaam mij nu niet meer om het te zeggen: ik kon er enkel maar om huilen.

Toen onze jongen geboren werd, meende ik, dat mijn grootste wensch in vervulling was gegaan en ik dacht ook: nu wordt misschien alles beter. Maar het werd niet beter, het werd enkel maar erger. En nu mag u mij gelooven of niet, maar ik had géén aardigheid in het kind, in mijn zoon, waarop ik mij toch zoo vreeselijk had verheugd. Ik had geen aardigheid meer in het heele leven, enkel mijn werk troostte mij nog. Want hard gewerkt heb ik altijd, niet als één man, als 10 mannen kon ik werken. Ik ben groothandelaar in eieren geweest, wij hadden toen ook den winkel erbij en de groote boerderij. Wat een zegen het is om veel werk te hebben, zooveel, dat je 's avonds in je bed rolt zoo moe als een hond, te moe om nog te droomen, dat heb ík ondervonden.

Toen een jaar later mijn dochter geboren werd, was het al zóó erg, het was als......’

Wij moeten blijven staan midden op het boschpad, want oude Meneer kan het juiste woord niet vinden. Hij grijpt met beide handen naar zijn borst als in een denkbeeldige benauwdheid, ik zie de uitgerafelde boendertjes langs zijn kin beven. Ach arme, beef maar niet, het is al zoo lang geleden en je vindt het woord wel. Wij hebben den tijd...

‘... als een kloof!’

Zijn handen maken een zwembeweging, lief en hulpeloos als zeehonden doen als zij aan wal kruipen...

‘... een kloof, niet te overbruggen.’

Wij loopen door. Meneertje stapt voorzichtig over een kwaadaardig uitstekende boomstronk. Ik slaak een diepen zucht. Ja, kloof is hét woord.

[p. 536]

‘Toen ben ik weggegaan Juffrouw, naar Canada, gewoon naar Canada ben ik gegaan en heb er gezwoegd als een paard. U ziet, ik ben nu nóg flink. Scheef ben ik altijd een beetje geweest, maar dat hindert niet en met mijn been sukkel ik pas de laatste 5 jaar en dit gaat nu ook weer veel en veel beter. Bijna 72 ben ik nu en maak, zooals elken zomer, mijn voetreis. Zes weken blijf ik onderweg, soms wel 8, verleden jaar zijn het 3 volle maanden geworden. Op geen enkele plaats blijf ik langer dan een week, mijn rucksack laat ik in 't hôtel (hij vormt mijn heele bagage en mijn vest heb ik aan en mijn mantel draag ik op deze praktische manier altijd bij mij, zooals U ziet) en dan begin ik te wandelen vanuit de plaats waar ik ben. Mijn stok is mijn derde been, soms ook mijn tweede erbij en mijn pijp is mijn reiskameraad. Ik loop - straks zal ik het U precies op de kaart laten zien - altijd langs de blauwe stippellijnen, die ik zelf inteeken elken keer... Wacht, ik kan het U toch wel even hier laten zien...’

Weer staan wij stil, ik begluur oud Meneertje van terzijde, de rafelsnor hangt gelaten maar tevreden omlaag en zijn oud, mager profiel heeft een kinderlijke, bijna gelukkige uitdrukking. Hij haalt met moeite een groote toegevouwen kaart uit de binnenzak van het grijze vest, het zwarte moet daarvoor eerst ontknoopt, daarna worden beide vesten weer netjes dichtgeknoopt en nu komt het onnavolgbaar gebaar van ernstigen maar heel kleinen schooljongen, waarmee elke man - en nooit één vrouw - een kaart openvouwt en bekijkt.

‘Ziet U, die blauwe stippellijn hier, dat is mijn taak voor vandaag. Tot hier ben ik gekomen, dáár, juist! Ongeveer daar loopen wij op het oogenblik. Ziet U ook de roode kruisjes? Die staan bij de plaatsen, waar ik nog naartoe moet, als ik er ben, stippel ik de wandeltochten opnieuw uit. Het hangt er namelijk van af, hoe ik mij voel. De eene dag voel ik: je kunt 3 uur loopen, de andere dag is anderhalf uur voldoende. Dat lijkt U misschien weinig, maar denk eens niet aan mijn leeftijd, maar aan mijn been.’

[p. 537]

Wij loopen door. Ik denk aan zijn been. In de verte zien wij de stad.

‘Waarom ik uit Canada terug ben gekomen na 12 jaar, zult u vragen, terwijl ik de eigenaar was geworden van een groote farm en er veel geld verdiende... Ik schaam mij niet meer het te bekennen, lieve kind: ik ging terug omdat ik haar niet kon vergeten. De kinderen, die waren enkel een feit voor mij, eerlijk gezegd, een beetje 'n onverschillig feit. Ik wist, dat zij gezond waren en op school slecht leerden, zooals veel kinderen doen, die later heel dikwijls goed terecht willen komen. Neen, ik ging om háár - om haar klinkt niet aardig - om mijn vrouw, wil ik liever zeggen. Ik ging terug met nieuwe hoop in mijn hart, ik meende, dat ik ouder en wijzer was geworden, ik had duizend goede voornemens, ik had er zoo eenzaam geleefd al die jaren in Canada. Tusschen haakjes, wij waren niet gescheiden, neen, volstrekt niet; ik heb het, toen ik pas in Canada was, dadelijk voorgesteld, ik wilde graag alle schuld op mij nemen. Mijn eerste brief, ik heb er nog een afschrift van... het is nu, stil eens: 47 jaar geleden... Maar zij, ik bedoel mijn vrouw wilde er niets van weten. Kort, maar vrindelijk antwoordde zij, dat een scheiding heelemaal niet noodzakelijk was. Ik begreep het niet goed - ik heb haar nooit begrepen, als ik er zoo over nadenk -’

Voorzichtig Meneer, struikelt U niet - dank U - zoo, nu wandelen wij weer op geplaveide straten...

‘juist dàt heeft mij moed gegeven al die jaren, heeft om zoo te zeggen, de hoop, die nog in mij leefde, gevoed. - Wij bleven in vrindschappelijke correspondentie, ik kreeg kiekjes van de kinderen, later hun zelfgeschreven briefjes, zooals dat gaat als je ver weg bent als Vader. Ik stuurde veel geld naar huis, het was toch mijn gezin, juist omdat ik niet gescheiden was en ik verdiende veel, wat moest ik anders met het geld doen. - Mijn vrouw leidde de zaak thuis. En hoe! Pienter was zij voor 6, de kinderen kregen een uitstekende opvoeding van háár alleen en elke drie maanden stuurde zij mij een afrekening, tot in de puntjes en een kort briefje erbij telkens. Maar nooit stond daar één

[p. 538]

woord in over terugkomen, geen letter, geen toespeling, niets, niets, terwijl ik, stomme vent, erop wachtte, in het begin eigenlijk zonder het zelf te beseffen en later, toen ik niet meer weg kón, omdat ik de farm niet wilde overlaten, begon ik het steeds duidelijker te voelen: je wilt terug, je moet terug, naar huis! Tenslotte werd het een bijna gelukkig aftellen der jaren voor mij. Over 3 jaar, over 2, nu nog één, nu nog een half jaar en toen ik eindelijk op de boot zat voor de thuisreis kon ik niet begrijpen, hoe ik het volle twaalf jaar had uitgehouden.’

Wij zijn in de stad. Wij staan voor het café met zijn tafeltjes en stoeltjes buiten.

‘Ja, hier kunnen wij zitten. Lekker in de zon. Kunt U ertegen? Goed, best. Ik zit graag in de zon, als ik mijn hoed maar mag ophouden. Koffie? Liever ijs. Ik drink een glaasje bier, als U er geen bezwaar tegen heeft.’

Neen, ik heb hoegenaamd geen bezwaar tegen het glaasje bier, ik verheug mij op de snorfranje vol schuim van bier en op mijn portie vruchtenijs.

‘Ik zal U bijzonderheden sparen...’

Ja, doe dat, oude engel, dat doen wij allen, den ander de bijzonderheden sparen, waaraan wij zelf niet herinnerd willen worden. O, wijze Jossie, neem vlug een groote hap ijs, het smelt zoo heerlijk koel-heet op je tong - - -

‘... maar het werd voor mij een hel. Ik vond een keurig, gezellig huis, 2 lieve gezonde kinderen, die eerst een beetje onwennig en vijandig deden, maar al spoedig goed vrind met mij waren; ik vond een vrouw, flinker, knapper dan ooit, een vrouw in de kracht van haar leven, die goed en hartelijk was voor iedereen, óók voor mij. Ik hield weer dadelijk van haar. Ik voelde duidelijk nu, dat ik nooit opgehouden had haar lief te hebben, maar... ik mocht niet bij haar komen, U begrijpt hoe ik het bedoel... ik... ik...’

Wéér die hulpelooze zeehondbeweging; hè, nu niet trillen met je snorenden, het is al zoo naar...

‘... ik mocht haar man niet zijn.’

Punt. Een dikke punt. Een rustpunt. En twee diepe zuchten, een uit een oude en een uit een jonge borst. Zwij-

[p. 539]

gend drinkt een Meneer zijn glas bier leeg, zwijgend lepelt een Juffrouw haar vruchtenijs.

‘U is toch niet boos, dat ik zoo openhartig ben, U neemt het mij toch niet kwalijk?’

‘O nee Meneer, natuurlijk niet, integendeel...’

‘Uw ijs is hard aan het smelten, U moet het maar gauw opeten.’

‘Ik kan het wel opdrinken nu.’

Wij lachen. Gelukkig, wij lachen. Ik gichel letterlijk als een bête bakvisch, hij lacht met korte schokjes, zijn snorflarden wapperen, zijn zwartgerookte tandstompjes, weinig in aantal, hebben iets van miniatuurkerkhofpaaltjes. Toe, wèg lach! Ik voel plotseling, dat ik doodelijk moe ben, zonder belangstelling, leeg in mijn kop en leeg in de bobbel, die mijn hart is. Een weeë hoofdpijn, achter in mijn nek bijna, begint te knagen. Man, ga naar huis, naar je hôtel, naar je rucksack, ik kan je niet meer zien, jammerkous, huilebalk. Wat gaat het mij aan, dat zij - je vrouw - je niet hebben wilde. Is zij eigenlijk dood? Wíj leven nog. Wij zitten hier buiten vóór het café op lichtblauwe stoeltjes voor een lichtblauw tafeltje. Snoezig gewoonweg. Ben je toch nog gescheiden? Van tafel en bed noemen zij dat, koddig! Of zij je nòg elke drie maanden een afrekening stuurt tot in de puntjes... ga nu heen alsjeblieft...

‘De rest is gauw verteld, lieve Juffrouw. Ik ben U buitendien zoo dankbaar voor uw vertrouwen, dat vertel ik heusch niet aan iedereen, dien ik tegenkom, geloof mij vrij. U heeft zooiets of ik U al lang ken, mijn dochter is nu ook al volwassen, zij heeft een betrekking, zij geeft niet veel om mij; ik stuurde haar met haar verjaardag nog een brôche, maar zij vond haar niet mooi, te ouderwetsch, zulke brôches draag je niet meer, schreef zij mij. Mijn zoon is gesneuveld, dadelijk in '14 in België, hij ligt in de stad, waar ik nu woon, begraven, mijn vrouw vond het goed, ik ben hem zelf gaan halen in de kist, want zien mocht ik hem niet meer. Maar hij wàs het, zij hadden zijn horloge, zijn zakboekje en vooral zijn penning met zijn nummer

[p. 540]

gevonden - neen, mijn vrouw: goed vond zij alles wat ik voorstelde en de scheiding heeft zij later ook ingewilligd, al kon het mij toen weinig meer schelen. Gescheiden of niet, ik had tòch alleen geleefd. Werken doe ik nu niet meer, ik leef in de natuur, het huis, dat ik bewoon staat midden in de bergen en vanuit het dakraam zie ik in de verte het laantje van het kerkhof, waar het graf van mijn zoon ligt. Ik heb een puike huishoudster en ik wil het U wel bekennen: ik zit nogal onder de plak bij haar, maar wat is daaraan te doen. Zij is nu ook met vacantie. En nu zal ik U eens wat zeggen en daarna niets meer en U mag denken wat U wilt, zij is nu 10 jaar dood mijn vrouw, vergeten zal ik haar nooit, maar één ding kan mij woedend maken als de menschen aankomen - en vooral de moderne heeren doktoren hebben daar zoo'n handje van - en mij willen wijs maken, dat die vrouw ziek was. Zielsziek noemen zij dat, of - of - sexueele afwijking. Foei! heb ik gezegd, alles, maar dát niet. Ik ben erg voor het moderne, maar dit is noodlot. Die vrouw hield niet van mij, kon niet van mij houden, omdat ik nooit een echte flinke man ben geweest, al heb ik heel hard kunnen werken. Zij was een resolute vrouw, vol grappen, vol levenslust, maar aan mij was nooit aardigheid aan, weet U, juist waar vrouwen zoo van houden. Ik huilde als er op de farm een beest geslacht moest worden en ik huil nu nog, als mijn huishoudster de jonge katjes in een zak doet om ze te verdrinken. Maar ziek was zij niet, mijn vrouw! Zij ging òp in haar kinderen, in haar huishouden. Zij taalde ook niet naar andere mannen, fatsoenlijk, degelijk als zij was. En als ik een flinke man was geweest, was ik erover heen gekomen, dat zij niet van mij hield en zou niet voor haar bed hebben staan grienen, telkens weer. Ik had toch de zaak, de kinderen, er was genoeg afleiding en als ik er een ander bij genomen had, zou zij er niets van gezegd hebben. Maar ik wilde haar en ik kon er niet overheen komen en had nergens aardigheid meer in en had tenslotte maar één gedachte: wèg, weg van dat alles en toen ik eenmaal wèg was, wilde ik weer terug: nog één keer terug.’

[p. 541]

De zon is weg. Wij zitten in een grooten slagschaduw buiten voor het café op lichtblauwe stoeltjes voor een lichtblauw tafeltje, vóór ons een glas, waar donker bier en een nikkele beker, waar vruchtenijs in is geweest.

Straks gaat Jossie naar haar kamer. Straks gaat Meneertje naar zijn hôtel. Morgen zit Jossie weer in een café, buiten, lebbert rood vruchtenijs. Morgen wandelt oud Meneertje weer door de bosschen, langs een blauwe stippellijn. Wij zijn maar gewone menschen.

 

Josine Reuling