[p. 608]

Hoofdstuk 32
Dat ene brandpunt

‘O Bep, ik wou dat ik zekerder van mezelf was, dat ik me tegenover het leven kon voelen als in een literaire polemiek.’2410

Alle rechten

Elisabeth de Roos was het brandpunt geworden in Du Perrons leven. In vergelijking met haar zonk al het andere in het niet: literatuur, het literaire bedrijf, de vrienden, alles. Zoals Du Perron schreef in ‘Liefde met Jane’: ‘Alle vrienden in die tijd waren goed en kwaad tegelijk; goed omdat zij toch nog de beste afleiding waren, kwaad om het schrille en voortdurende contrast met de enige aanwezigheid die ik nodig had, die mij “dans la peau” zat, mij kwelde, met of zonder andere gezichten in mijn omgeving.’2411 Het kwellende voor Du Perron zat hem hierin dat hij, nu hij de vrouw van zijn leven had gevonden, niet meteen met haar kon gaan leven. De omgang met vrienden was een pover surrogaat.

Op zaterdag 17 oktober 1931 vertrok Du Perron voor enkele dagen naar Breukelen, waar Jacques Bloem zich met zijn vrouw Clara Eggink had gevestigd.2412 De gastheer voorzag zijn gast en vooral zichzelf royaal van geestrijk nat, maar het was Bep waar Du Perron voortdurend aan dacht. Hij stuurde haar een ansichtkaart van een Vechtgezicht met de woorden: Ζωή μου, σα̑ς ἀγαπϖ, wat betekent: Mijn leven, ik hou van je. Deze regel was ontleend aan het gedicht ‘Maid of Athens’ van Lord Byron,2413 waarvan de laatste strofe Du Perrons gemoedstoestand voortreffelijk illustreert:

 
Maid of Athens! I am gone:
 
Think of me, sweet! when alone.
 
Though I fly to Istambol,
 
Athens holds my heart and soul:
 
Can I cease to love thee? No!
 
Ζωή μου, σα̑ς ἀγαπϖ

Hij dacht constant aan Bep, maar dacht Bep wel genoeg aan hem? Du Perron was een naijverig minnaar, die het niet kon verkroppen dat hij zijn geliefde moest delen met anderen, zoals haar kennissen en... haar vader.

[p. 609]

‘Liefde met Jane’ was vooralsnog een gedeelde liefde: ‘Wat mij soms woedend maakte was de afwezigheid van élan, terwijl ze toch zo lief mogelijk was, van verzet ook bij haar, de beheersing waarmee zij uiterlik haar tijd zo billik tussen haar vader en mij verdeelde.’2414 Op een avond, bij de tramhalte, had Bep de Roos tegen hem gezegd: ‘Je hebt alle rechten.’ Hij geloofde het niet echt, maar redeneerde: ‘[...] wanneer een vrouw als zij juist zooiets zegt, maakt het veel goed; als zij dit gevoel uitspreekt, is het voor mij een geluk.’2415 Toch bleef er iets knagen, namelijk haar aanvankelijke aarzeling, haar bewering: ‘liefde komt maar eens’. Hij was deze verhouding ingegaan als de mindere en alleen ‘een langere intimiteit’ zou hem kunnen bevrijden van zijn twijfel over haar gevoelens.2416 Vanaf 26 oktober 1931 kwam er uit zijn Haagse pension een stroom brieven aan Bep op gang waarin hij zijn eigen gevoelens en die van haar tot op het bot analyseerde. Soms zette hij onmiddellijk na een ontmoeting met haar alles nog even op een rijtje, zoals in deze brief waarin hij ingaat op de kwestie van die ‘rechten’:

‘Het gevoel dat ik ze niet heb, maakt dat ik jou evenmin zou durven vragen wat jij mij ook niet vraagt: bewijzen. Ik kàn je niets vragen, alles moet uit jezelf komen. Maar morgen ben ik de laatste dag met je samen, voor ik me weer alleen ga voelen in een ellendige atmosfeer, dit geeft me een bizondere luciditeit voor alle beroerdigheid yet to come, voor mij - en als jij je heelemaal bij mij aansluit, dus ook voor jou. Zie jij dit duidelijk genoeg in? Ik ben bang dat je onderschat wat “alles” beteekent, als ik je zeg dat je alles voor mij bent. En toch kan je 't niet letterlijk genoeg nemen; het is heusch, gelocaliseerd, alles. Als ik jou niet meer hebben zou, zou ik weer beginnen te tellen wat ik hier en daar bezit; nu is alles: jij alleen. Het is voor mij betrekkelijk gemakkelijk om, met dit gevoel, tegenover welke omstandigheden dan ook te staan. Maar is het voor jou hetzelfde? Is het heusch niet beter om, als ik nu weg ben, “afstand te nemen” van mij en de heele situatie zoo koel mogelijk te overzien? Als je ook maar even niet genoeg van mij houdt, is het beter dit nu in te zien dan later. - Toen ik je zooeven vroeg: “Zal je van me houden tegen alles in?” was het uit een soort voorgevoel dat we van allerlei tegen ons zouden krijgen. Maar ik geloof niet dat ik eenig egoïsme hierin heb, dat tenminste niet door betere gevoelens gemakkelijk overwonnen kan worden; als je je even herneemt en de indruk krijgt dat het misschien beter is om hier niet mee voort te gaan, schrijf het mij dan. Ik beloof je dat ik niet alleen je ieder pijnlijk nawoord hier-
[p. 610]
over besparen zou, maar ook niet de minste rancune tegen je [zou] hebben. Als er één ding is, wat ik voortdurend voel, dan is het de knoeiboel die, of ik wil of niet, zoo'n beetje aan mij vastzit en waarmee jij dan te maken krijgt. En ik ga nu weer een beetje die richting uit, dus...’2417

In zijn pessimistisch doorredeneren was Du Perron op het monomane af. Zijn liefde voor Bep was absoluut, op het verschroeiende af, en hij verlangde een gelijkwaardige respons. Maar de ‘beroerdigheid’ waar hij het in zijn brief over heeft, had ook betrekking op iets heel anders, namelijk zijn financiële situatie. Zou Bep, met haar tamelijk welgestelde achtergrond, het onzekere schrijversbestaan wel aankunnen? Du Perron moet op dit moment toch al geweten hebben hoe weinig hij zou kunnen vertrouwen op het familiekapitaal. Zijn moeder klaagde erg over ‘dalende aandeelen en weigerachtige renten’, dus het was zaak zo zuinig mogelijk te leven.2418 En onder die omstandigheden moest hij afstevenen op een scheiding. Bij voorbaat drukte hem al de zorg voor zijn zoontje en de alimentatie die hij Simone zou moeten betalen. Hoe zou hij al die extra kosten kunnen dragen? Door te vertalen misschien? Koortsachtig zocht hij naar bronnen van inkomsten en tussendoor koesterde hij elk moment dat hem met Bep gegeven was, in Voorburg, in Haagse cafés of op zijn divanbed in een Hollandse huurkamer.2419

Hij besloot maar eens in Parijs te gaan kijken of er iets voor hem was. Misschien dat Malraux hem kon helpen. Omdat Slauerhoff zou gaan kuren in het Zwitserse Merano had Du Perron met hem afgesproken om samen tot Keulen te reizen. Daarvandaan zou Du Perron via Brussel naar Parijs gaan, waar hij met Bep zijn tweeëndertigste verjaardag zou vieren; ze hadden afgesproken in Hôtel de l'Académie, rue des Saints Pères 32, op de linkeroever van de Seine. Vlak voor zijn vertrek schreef hij nog een lange brief aan zijn geliefde, waarin hij haar opnieuw bestookte met zijn twijfel over haar gevoelens voor hem; maar meteen de volgende dag schreef hij een lange brief eroverheen met verontschuldigingen voor zijn pedante toon, zijn ‘treurige poging tot het ordenen van dingen in mijzelf die niet te ordenen zijn’. Als ze maar wist dat zij de kameraad is, ‘niet een kameraad [...] maar de, de, de’.2420

Bep reageerde laconiek: ze vroeg hem nog ‘ein deutsches Poëmchen’ voor haar te maken.2421 Met dezelfde speelsheid telegrafeerde Du Perron haar op 28 oktober uit Keulen: ‘ich kuesse ihre hand madame’.2422 Op een terrasje aan de Rijn epistoleerde hij lustig verder - want behoorde het niet tot ‘het protocol van de “liefde”’ dat de man de vrouw amuseert?2423

[p. 611]

Hij noemde haar nu eens - in de sfeer van Schnitzlers toneelstukken - ‘meine Ange’, dan weer op zijn Byrons ζωή μου.2424 Eenmaal in Parijs zou hij zijn geliefde helemaal voor zichzelf hebben, zonder Hollandse pottenkijkers. In het bekrompen vaderland waren ze als ongetrouwd stel geconfronteerd met allerlei maatschappelijke taboes. Alles moest tersluiks gebeuren, en daarbij moest hij nog verdragen dat zijn hospita hem bestookte met moralistische wijsheden over het huwelijk. Du Perron had zijn frustraties van zich afgeschreven in een gedicht dat zijn geliefde zeker zal hebben getroffen:

Conseil à Beppe
 
Verlies geen spelden meer in deze kamer:
 
mijn hospita heeft een onfeilbaar oog -
 
zij hield mij voor veel stouter en bekwamer
 
dan jij ooit vreesde of ik mijzelf bedroog.
 
 
 
En heusch, het is niet goed als de hospita's gaan denken,
 
al waren zij bij Mrs. Besant in de leer;
 
de mijne sprak (als wie?): ‘Liefde komt maar één keer’ -
 
en zooiets kon mij krenken.2425

Strategie jegens de ander

De Parijse expeditie bracht niet de gewenste betrekking.2426 Op 6 november 1931, direct na terugkomst in Nederland, zegde Du Perron de huur op van zijn Haagse huurkamer. Aan het eind van de maand zou hij wel verder zien: Amsterdam of toch Parijs? Eerst moest hij Simone zover zien te krijgen dat ze toestemde in een scheiding. Dit was geen sinecure: ook al was er een einde gekomen aan het samenleven, zij hoopte nog steeds op een keer ten goede. Du Perron zag er erg tegenop haar direct te confronteren, maar hij moest er nu doorheen. Hij vroeg Marsman of deze eventueel bereid was op te treden als zijn advocaat.2427 Pikant was het wel: de vroegere minnaar van zijn aanstaande vrouw om advies vragen bij de ontbinding van zijn huwelijk. Marsman wist niet dat Du Perron op de hoogte was van zijn jeugdromance met Bep. Van jaloezie was geen sprake: Du Perron voelde juist een ‘bizondere affectie’ jegens Marsman, sinds hij wist wat Bep voor hem had betekend.2428 In de betrekkelijk korte tijd dat hij Mars-

[p. 612]

man persoonlijk kende, had hij ingezien dat hij te maken had met een ‘door-en-door proper individu’.2429 Met deze relatie uit Beps verleden had hij dan ook geen enkele moeite: het was een verhouding geweest waarin de een niet de dupe was geworden van de ander. Anders lag dat met sommige andere ex-minnaars van Bep, met name Johan de Meester jr., die voor zover Du Perron het kon bekijken Bep gewoonweg had toegevoegd aan zijn verzameling van erotische trofeeën.2430 En juist op hem sloeg Beps verzuchting ‘liefde komt maar eens’. Die woorden bleven door zijn hoofd spoken. Het bleef hoe dan ook onbegrijpelijk dat die ordinaire rokkenjager zo'n indruk op haar had gemaakt.

Du Perron wilde die schimmen verjagen, maar eerst diende hij met zichzelf in het reine te komen. Het was een dag na de verschijning van het eerste nummer van Forum dat hij Marsman schreef over de voorgenomen scheiding.2431 Weer een dag later vertrok hij naar Gistoux, uiterst nerveus en gespannen.2432 Natuurlijk zou hij Simone niet vertellen dat er een ‘ander’ in het spel was; het argument moest zijn dat hun huwelijk niets meer voorstelde. Toen Simone met die waarheid werd geconfronteerd, schrompelde ze in elkaar van ellende. In een brief aan Marsman beschreef Du Perron haar reactie: ‘[...] zij was absoluut kapot. Ik wist niet dat zij op haar manier zooveel van mij hield; zij heeft mij een briefje meegegeven, die een van de touchantste briefjes is, die ik wschl. ooit lezen zal.’2433 Overigens legde zij zijn plannen geen strobreed in de weg. Deze horde leek genomen.

Du Perron liet aan sommige vrienden doorschemeren dat ‘de Eene onverschenene’ toch was gekomen, maar hij hield haar identiteit vooralsnog geheim. Haar naam hoefde niet te gaan circuleren in het geruchtencircuit, dus notoire roddelaars als Bouws en Roland Holst kregen helemaal niets te horen. Hij bracht een weekend door in Amsterdam, waar hij bij Willink logeerde en met Van Vriesland debatteerde over de liefde. Deze vrouwenversierder begreep niet dat Du Perron zo stellig kon spreken over de ene die hij kennelijk had gevonden. Parmantig gaf Du Perron hem te verstaan dat hij ‘als een kind’ stond tegenover zijn ene ‘komende mogelijkheid’, trots op de ‘mystiek’ die Van Vriesland als eerste in hem had onderkend. Zijn liefde was definitief, ‘voor eeuwig! En - sempre crescendo!’.2434

Maar rustig liefhebben, met een vast gemoed, was voor Du Perron niet weggelegd. Het zou goed zijn als hij Den Haag verliet: omdat hij Bep niet constant kon claimen, werkte haar nabijheid juist frustrerend. Op maandag 30 november 1931 brachten zij de middag met elkaar door in Paviljoen Het Wachtje aan de rand van het Malieveld.2435 Dit samenzijn gaf hem een

[p. 613]

geluksgevoel dat hem de hele dag bijbleef, ondanks een opgelopen griep. De dag daarop vertrok hij met lichte koorts naar Brussel, waar hij zijn intrek nam in Centraal Hotel op het Beursplein.2436 Hij lunchte met zijn moeder, die hem vertelde hoe Simone zijn laatste brief had opgevat, waarin hij haar had aangekondigd de scheiding te willen regelen. Sindsdien was Simone ‘verwilderd’ geweest. Ze zat maar suf voor zich uit te staren en reageerde met vage ‘oui's’ als men haar iets zei. Moeder moest hem zeggen dat Simone van een vriendschappelijke relatie niets wilde weten. Onder deze omstandigheden besloot Du Perron elke ontmoeting met haar te vermijden. Hij schreef aan Bep:

‘[...] ik heb werkelijk erg met haar te doen, maar ik ken haar en mijzelf, en ik weet vrijwel vooruit dat ik, als ik haar zag, de boel alleen nog wat zou bederven. Dat koppige “hopen” van haar, haar onbegrijpen, haar stugheid, en daarbij het huilerige - ik geloof heusch dat het beter is de zaak vanop zekere afstand te behandelen. Over een tijdje zal ik haar nòg duidelijker schrijven waar het om gaat. In afwachting zal ik zoodra ik kan een advocaat hier in Br. raadplegen voor een scheiding tusschen tafel en bed, of andere practische zetten. Ik heb mijn moeder aan S. laten zeggen dat zoolang de scheiding niet voltrokken was, ik van mijn kant haar niet meer wilde zien, dat ik daarom dan ook, hoewel ziek, in dit hotel ben getrokken. Praten met S. helpt zóó weinig, ik weet het bij ondervinding. Dit zegt haar veel meer. En toch is dit alles ook voor mij even lam; afgescheiden nog van de rest: jou voor het eerst missen, me ziek voelen, alleen liggen in deze hotelkamer, waar ik niet eens zal kunnen werken.’2437

In deze cruciale week schreef Elisabeth de Roos elke dag een brief aan haar geliefde. Het baarde haar zorgen dat hij ziek was geworden, en helemaal toen zij de diagnose vernam van Eddy's Brusselse huisarts: zijn griep zou in drie dagen over zijn, maar het hart van meneer was ‘bien mou’, nogal zwak. Hij kreeg digitalis en dionine voorgeschreven. Digitalis is het klassieke middel om het hart beter te laten werken, terwijl dionine vermoedelijk was voorgeschreven om de bloeddruk te verhogen.2438 De zuurstofbehoefte van het hart was toegenomen, omdat er door de koorts meer bloed moest worden rondgepompt. Du Perrons hart kon dit maar met moeite aan. Het was voor het eerst dat bij Du Perron de diagnose werd gesteld van hartzwakte. Omdat zijn moeder hartpatiënte was, konden er erfelijke factoren in het spel zijn, maar een belangrijke risicofactor was zeker de

[p. 614]

stress waaraan hij gedurende langere tijd had blootgestaan, gevoegd bij het feit dat hij vaak lang doorwerkte, weinig beweging had en ongezond at.2439 De stress vloeide mede voort uit zijn karaktereigenschappen: een obsessieve wil, grote nervositeit (hij beet op zijn nagels) en het vermogen om zich ongelooflijk te ergeren.

Eigenwijs was hij ook: op 3 december liet hij Elisabeth de Roos in een p.s. weten dat hij ‘de mooie roode digitalis-pilletjes van den dokter in de lavabo [had] gegooid’. Overmoedig voegde hij eraan toe: ‘Mijn hart is niet mou, noch moe, en ik voel mij heusch best.’ Het kwam hem te staan op een uitbrander van Bep, die haar brief van 4 december begon met de zin: ‘Halfweg je brief had ik allerlei mooie plannen van antwoorden, maar na je postscriptum ben ik woedend. Echt. Je moet onmiddellijk nieuwe pilletjes bestellen, en als je het recept niet meer hebt, maar aan de dokter zeggen dat ze weggeraakt zijn en een nieuw vragen. Wees toch niet zoo absurd tegen jezelf en daardoor tegen mij! (Dit is onomwonden chantage van mijn kant, ik kom er rond vooruit.) Ik doe zelf ook wel eens zoo iets geks, maar ik wil niet dat jij het doet. Het breekt je immers toch later op. Dus alsjeblieft, laat je eerste werk na ontvangst van deze brief het nabestellen en eten van die dingen zijn.’

Du Perron vatte het allemaal niet zo ernstig op. In aantekeningen gemaakt na ontvangst van deze brief vroeg hij zich af, hoe Bep zou doen als ze (echt) woedend was: ‘Does she bang the door? B. woedend met een deur slaande is een van de meest fantast. dingen die men zou kunnen zien. Ik denk: neen, ze is niet echt woedend, of ze zou het niet schrijven; de rest v/d brief wordt trouwens humoristisch. En het heele geval is niet au sérieux te nemen, want ik heb de digitalis wel weggegooid, maar de dionine trouw ingenomen. (Zij denkt nat. dat ik alléén maar digitalis heb gekr. omd. ik van de dionine niet gerept heb; bovendien weet zij nu uit mijn 4e brief dat mijn hart niet meer “mou” is.)’ Verder noteerde hij: ‘Zou zij vreezen dat ik een hartkwaal heb of erdoor word bedreigd? Ik heb noch een hartkwaal noch iets ernstigs aan de longen - ik zou het weten als het zoo was. Misschien zal ik later hetzelfde krijgen wat mijn moeder heeft, een verslapping v/d hartspier, maar dit heeft nog de tijd, en voordien zullen er nog wel vele andere kansen zijn om te bezwijken.’2440

Een stressverhogende factor van belang was de houding van Simone. Op 2 december 1931 was Du Perrons moeder weer naar het hotel gekomen, als een postillon de divorce, om de reactie van haar schoondochter over te brengen. Simone was nog steeds labiel, maar iets gekalmeerd; ze wou nu graag met Eddy praten. Bep de Roos mengde zich ook in de kwes-

[p. 615]

tie. Zij vond het ‘erg egoïstisch’ van zichzelf, maar ook zij begon nu ‘een ongedurig gevoel te krijgen tegenover Simone’. Misschien moesten Eddy en zijn moeder haar eens ‘onomwonden’ zeggen ‘dat zij zelf handelt “sans coeur” door [hem] zoo aan het lijntje te houden met haar lijdelijkheid?’2441 Op vrijdag 4 december kwam Du Perrons moeder weer naar het Centraal Hotel, samen met Simone en met Paul Beynon, die te gast was op Gistoux. Du Perron heeft zijn gesprek met Simone als volgt beschreven:

‘Met S. gegeten toen mama en P.B. naar beneden waren. Duidelijk met haar gesproken, zacht maar duidelijk gezegd waar het op neerkwam: B's “sans coeur” gebruikt. En dat ik haar als mijn vijand zou gaan beschouwen als zij mij op deze wijze trachtte te belemmeren. - Snikken. Alles bijeen 2 of 3 antwoorden. Toen ik zei dat het hard voor haar was, maar dat over 3 jaar alles haar reeds anders zou kunnen toeschijnen: “Dans 3 ans, si ça continue ainsi, on n'entendra plus parler de moi.” - Toen ik het over het papier v/h contract had: “Ce n'est pas le papier que je veux, c'est toi.” Toen ik sprak over de mogelijkheid v/e andere vrouw: “Je ne t'ai jamais rien empêché.” Alles bijna gefluisterd en tusschen snikken door. En wat mama noemt: het staren op één punt - in werkelijkh. vaag, hébété. Ik heb ernaar gekeken als iets dat buiten mij om ging, een leed waar ik nauwelijks mee te maken had. [...] Ik wist precies wat er in haar omging, maar ik kon er mijn aandacht niet bij bepalen. Zij zat op een stoel bij het bed; ik dacht, zonder het te willen, aan B. - iets (ik weet niet meer wat, misschien de gedachte aan het “ik ben woedend”) deed mij glimlachen; ik merkte het tijdig en veranderde de glimlach in een pijnlijke trek. En de rest v/h samenzijn hebben we beiden gezwegen; het was of zij niet meer in de kamer was. Ik dacht dat het samenzijn mij lang zou vallen, terwijl mijn moeder beneden was; neen, ik had alleen het gevoel dat ik precies alles gezegd had wat ik zeggen wou: een vervulde taak. Toen zij wegging wachtte ze tot iedereen de deur uit was, om mij snikkend een paar zoenen te geven. Als ze, hoe onderbewust ook, het gevoel gehad heeft dat uit deze ontmoeting een verzoening kon komen, moet ze hopeloos zijn weggegaan. Maar in laatste instantie weet ik niet hoe zij denkt, hoe haar koppigheid is, waarop zij missch. nog hoopt. (Misschien op een terugkeer bij haar, desnoods over jaren, als bij “mijn vrouw”?)’
[p. 616]

Weken vol stress

Inmiddels stond Gistoux nog steeds te koop, maar alle serieuze gegadigden vroegen bedenktijd.2442 De gevolgen van de krach van Wallstreet deden zich ook in Europa steeds sterker gelden. Mede door de opgelopen spanningen tussen Frankrijk en Duitsland heerste er in de Belgische hoofdstad een nerveuze stemming waarin gesproken werd over het aanstaande economische failliet.2443 Du Perron voelde zich bedreigd door een ‘finantieele ruïne’ en zocht naar mogelijkheden om zelf de kost te verdienen.2444 Op 3 december 1931 vroeg hij per brief aan Doeke Zijlstra of deze niet een baantje voor hem had, maar toen diens antwoord op zich liet wachten, schreef hij hem zeven dagen later opnieuw. Na zich een week te hebben verbeten in zijn Brusselse hotel kreeg hij geld van zijn moeder om naar Nederland te gaan.2445 Via Den Haag reisde hij naar Amsterdam, waar hij op 10 december Bouws tegenkwam in café Américain. Deze wist hem te vertellen dat Zijlstra niets voor hem had ‘kunnen vinden noch “creëeren”, ofschoon hij er ernstig over had nagedacht’. Volgens Bouws zou Zijlstra zich schamen Du Perron ‘een te gering baantje’ aan te bieden, terwijl de omstandigheden niet toelieten om ‘een betere post’ te creëren.2446 Van Zijlstra moest Du Perron het dus niet hebben, maar dat had hij eigenlijk al voorzien: als deze hem afscheepte, moest hij maar meteen ‘een heel eind afzakken naar het Zuiden’.2447 Hij dacht aan Frankrijk, Spanje, zelfs Indië.2448 Bep zou er geen bezwaar tegen hebben zich in het buitenland te vestigen - integendeel.

De eerste dagen in Amsterdam bracht Du Perron door in Hotel Pension Boston, Leidschekade 92-93.2449 Op 10 december ging hij over naar Rein Blijstra, die hem op allerhartelijkste wijze logies had aangeboden in zijn woning op de Prinsengracht 540iii. In zijn slaapkamer zou een ‘tropische hitte’ heersen. Dat stond Du Perron wel aan; bovendien gaf hij in deze tijd de voorkeur aan Blijstra's ‘boevengezicht’ boven ‘de slap-intellectueele facies van Willink en Vic’. Maar de sofa waarop hij sliep was niet erg comfortabel en het wasvertrek was ‘afschuwelijk koud’, zodat hij de volgende dag samen met zijn gastheer op zoek ging naar een nieuw adres. Zo kwam hij uit bij het vertrouwde Museum-Pension in de P.C. Hooftstraat, waar zich de drama's met Ina en Herbert hadden afgespeeld.2450

Er waren echter zaken die Du Perrons aanwezigheid vereisten: op 11 december zou in Nijvel de aanklacht in behandeling worden genomen die Omer Sterckx tegen hem had ingediend, maar Du Perron liet alles over aan zijn advocaat Herman. Een expresbrief van zijn moeder bracht daar verandering in: de zaak was verdaagd naar 19 december, maar volgens zijn

[p. 617]

advocaat deed hij er verstandig aan om dan wél te verschijnen.2451 Du Perron besloot daar gehoor aan te geven, zijn moeder had al genoeg aan haar hoofd.2452

Op zondag 13 december besprak hij in Utrecht met Marsman een strategie voor zijn scheiding. Maandag was hij terug in Amsterdam, waar hij het toneelstuk X-Y-Z van de Duitse schrijver Klabund ging zien.2453 Hij vond het een ‘flutstukje’, maar hij was het gaan zien omdat een van de optredende acteurs Johan de Meester jr. was.2454 Voor zichzelf analyseerde hij dit als volgt: ‘Ik wilde niet naar X-Y-Z. om stil en Dostojevskyaansch te lijden, maar om zeker te zijn. Zijn uiterlijk, zijn gebaren, zijn stem, zouden duidelijk op mij hebben ingewerkt; althans het “mysterie” een beetje hebben opgeheven. Misschien ook heb ik gehoopt dat mijn rancune zou wijken voor een soort minachting. Maar tenslotte - en hoe primitief dan ook - de sterkste opwelling is misschien geweest: “de meneer te zien die ik als mijn vijand beschouw”.’2455

Na afloop van de voorstelling ging hij naar café Américain, waar hij had afgesproken met Halbo C. Kool en de Blijstra's. Toevallig kwamen zij aan één tafeltje te zitten met Martinus ‘Pom’ Nijhoff, Sander Stols en Bep Ferf. Aan een ander tafeltje zat Willink met Wilma Jeuken, zijn nieuwe geliefde. Du Perron stond even op om Willink te begroeten, waarop Stols Nijhoff influisterde dat Eddy de tafel had verlaten wegens zijn bezwaren tegen hem, Pommetje Nijhoff. Inderdaad was Du Perron hem steeds meer een ‘klein literair ijdeltuitje’ gaan vinden dat zich gedroeg als een ‘gearriveerd letterkundige’.2456 Vooral Nijhoffs herhaaldelijk geuite nijd tegen Slauerhoff had Du Perrons wrevel doen toenemen.2457 Het stoken van Sander Stols had onmiddellijk effect: Pommetje riep Eddy ter verantwoording. Du Perron heeft het vervolg in geuren en kleuren beschreven:

‘[Ik] heb de bezwaren onmiddellijk toegegeven, maar erbij gezegd dat ik geen lust had om het in dit heele gezelschap erover te hebben, en dat ik het hem bij een betere gelegenheid wel eens precies zeggen zou. Hij deed toen een beetje haantjesachtig, kwam me aan het tafeltje van de Willinks (dat er overigens vlak bij stond) na, sprak van uitknokken en naar buiten gaan, tot het me begon te vervelen en ik met hem ben mee gegaan. In de vestibule van de Américain heb ik hem toen verteld wat ik tegen hem had, maar zodra ik gekomen was tot de verklaring dat hij eigenlijk behoorde tot de ouweloelen (in de literaire hiërarchie dan altijd, of althans dat hij dit scheen te willen), sprak hij weer van uitknokken en naar buiten gaan, waarop ik hem (hoewel zeer à contre-
[p. 618]
coeur en dit toch heusch niet uit lafheid) naar buiten ben gevolgd, en we op de kinderachtigste manier, daar bij de stoep van Américain, elkaar 2 of 3 vuistslagen hebben verkocht. Er kwamen onmiddellijk allerlei taxi-chauffeurs bij, en boven-op de stoep kwamen vele kijkers, maar enfin, we werden gescheiden, zooals altijd, zonder naar het klabbakarium te worden gesleept, wat mij werkelijk veel genoegen deed, want mijn proces in België is nog niet afgedaan [...]. Pom schijnt te krabben als hij vecht, althans ik merkte dat ik bloedde aan mijn bovenlip, waarvan hij een stukje vel had afgekrabd, maar het stond heel mooi, want er was althans een bloedzakdoek bij, die in de kronieken van “de Kring” wel zal uitdijen tot minstens 2 bloedneuzen.’2458

Ondanks zijn ‘bloederig halfsnorretje’ ging Du Perron later toch weer aan hetzelfde tafeltje zitten.2459 Nijhoff sputterde nog wat van ‘niet met de pen, maar met de vuist’ en sprak van ‘verder knokken in een rustiger lokaal’. Het draaide echter uit op een afzakkertje met het gezelschap bij Nijhoff thuis, waar het volgens Du Perron nog heel gezellig werd: ‘er werd gedanst, er werd god zij dank niets plechtig “afgedronken”, zooals die flauwe kul, geloof ik, heet, en een goed half uur later zijn Vic en ik samen opgestapt’. De volgende dag zou hij Nijhoff weer in Américain zien, om het in een meer bedaarde stemming uit te praten.2460

Op woensdagmiddag had hij een rendez-vous met Bep in Den Haag. Hij vertelde haar welke indruk Johan de Meester op hem had gemaakt in het toneelstuk. Nog steeds hinderde hem de gedachte dat Bep verliefder was geweest op die ijdele acteur dan ze nu was op hem. Weliswaar trachtte hij dit te relativeren door verliefdheid (‘een prachtig soort opium’) te onderscheiden van liefde en door haar volwassen liefde te prefereren boven een geëxalteerde verliefdheid, maar niettemin... Bep moest minstens 1½ keer zoveel van hem houden als van De Meester.2461 Bep, met haar Angelsaksische flegma, zei hem: ‘Ik kan het niet helpen dat je zooveel van me houdt.’ Ze voegde eraan toe: ‘Ik wìl het wel. Maar ik kan het niet helpen.’ En toen hij weer begon over haar gezegde ‘men houdt maar ééns van iemand’, zei ze dat hij dat verkeerd had opgevat, te ernstig. Maar waarom dat zo was, kon ze niet zeggen.2462

Elisabeth de Roos wist niet hoe ze Eddy's verzengende liefde adequaat moest beantwoorden. Die Johan de Meester werd wel een obsessie! Du Perron had nog uren door kunnen gaan, maar hij had een afspraak met Bouws en Ter Braak. 's Nachts nam hij een vel papier en begon te schrijven - hij zou de slaap toch niet kunnen vatten:

[p. 619]
‘Ik houd van B. completer dan van wie ook. Cl. was een groote liefde zonder het physieke, Julia was een halve gr. liefde, zonder idem; de rest was niets dan het physieke, met een verliefdheid van 14 dagen voor Lisette, en buien van verteedering: medelijden, gehechtheid, wat men het noemen wil, voor Simone. [...] Bij Cl. voortdurend dit gevoel van strijd. Bij J. niet, omdat zij er te goed voor was; maar ik was hier dupe van mijn eigen comedie, een zuivere reactie op/h geval Clairette, “le jeune Européen”. (Als ik wèrkelijk van haar gehouden had, stel ik mij voor, was mijn liefde voor haar sterker dan deze rol geweest.)
Bij B. voor het eerst het gevoel van gelijke krachten, niet tegen elkaar aangewend. Het kameraadschap op een hooger plan. Natuurlijk is het element van elkaar troosten eig. ook hier aanwezig. Ik zou mij niet zoo tot haar aangetr. gev. hebben als zij in haar wezen niet dat had, wat op lijden wees (wat Méral “une brisure” noemt). Maar dit gaat geheel onder in een vloed van andere gevoelens: verliefdheid, vertrouwen in haar intelligentie, haar eenvoud. - En dan het complete nat. ook door het physieke. Zóó compleet - deze eerste vrouw van wie ik houd en die zich “geeft” - dat het zuiver physieke er zelfs onder lijdt, op zichzelf een beetje bedolven wordt door andere gevoelens (door het hoofd, door het hart). Hier is een eenvoud nog te bereiken, alleen door langere intimiteit.’

Bladzijden lang ging Du Perron door, in het holst van de nacht, met het uitschrijven van zijn ziel.2463 De voorspellingen van Méral en Van Vriesland dat zijn relatie met de ene zou stranden, kon hij wel aan. Zelf was hij er zeker van dat dit niet zou gebeuren. Wat Johan de Meester betreft, erkende hij mogelijk last te hebben van retrospectieve jaloezie, maar daar ging het niet om: ‘Retrospectief zou ik willen dat hij van haar hield zooveel als ik nu; hij was verplicht dit te doen, zegt mijn gevoel.’ Bep wuifde dit allemaal weg: zij keek op zichzelf in haar vorige levensperiode terug als op een jonger zusje, het deed haar niets meer. Maar dat Bep bereid was om haar ‘jonger zusje’ af te vallen, vond Du Perron ook vreemd. In zijn neiging alles door te redeneren, beschouwde hij zijn eigen leven als één geheel dat onontkoombaar was uitgelopen op Elisabeth de Roos. Zijn trouw aan zichzelf bracht met zich mee dat hij voortdurend bezig was zijn eigen leven in perspectief te zien. Ook zijn sterke geheugen speelde een rol. Bep was anders: zij had niet zo'n last van haar geheugen en leefde meer voor het moment.

Du Perron begreep volkomen waarom hij van Bep hield, maar waarom

[p. 620]

zij van hém hield, was voor hem ‘niet alleen een niet te beantwoorden vraag, maar, daarom juist, een angst’. Het was de angst haar liefde te verliezen, die samenhing met die plekken in haar leven waar hij geen greep op kreeg. Hij besefte dat hij Bep wel ‘voelde’, maar niet helemaal kende. Dat kwam ook omdat zij zo weinig behoefte had om zich uit te spreken. In dit opzicht was zij zijn tegenpool. Bep op haar beurt begreep niet waarom hij zo in de weer was om zijn liefde te bewijzen. Zij had zijn bewijzen niet nodig. Beps betrekkelijke zwijgzaamheid, gevoegd bij het mysterie waarom ze had gehouden van een fluim als Johan de Meester jr., maakte Du Perron onzeker en voedde zijn rancune jegens deze voorganger. Toch had Bep, die tien keer minder sprak dan hij, drie of vier dingen gezegd die hem ‘opeens oneindig dichter bij haar brachten dan welke physieke daad ook’. Daartoe hoorde haar verklaring dat hij ‘alle rechten’ had. In elk geval had hij nu voor de eerste maal in zijn leven een complete verhouding met de vrouw van zijn keuze. Moe van zijn eindeloos malende gedachten, eindigde hij zijn aantekeningen met enkele regels uit een sonnet van Kloos:

 
... O, gij die turend
 
In 's levens mikroskoop, zoo idioot vergeet
 
Dat gij met uw slim turen nòg niets weet.2464

Contact met de wet

Donderdagavond 17 december 1931 was Du Perron weer bij Bep in Voorburg, maar hij sliep elders. Beneden wachtend op de taxi was ze hem heel lief en nabij. De volgende ochtend kwam zij speciaal naar het station om hem uit te zwaaien, wat ook erg lief was, maar tegelijk nogal treurig: haar gezicht door die natte ruit terwijl de trein optrok.2465 Zodra de trein uit zicht was, stuurde Bep hem een bemoedigend briefje met het oog op het proces. Zij hoopte gauw een ‘paar pagina's perroniaansch proza’ te krijgen ‘over de studies van het menschelijk ras’ die hij in Nijvel zou maken. Die kwamen gauw genoeg. Omer Sterckx loog weer dat het gedrukt stond, maar Du Perron gedroeg zich waardig en sprak met heldere stem tegen het tribunaal. Niettemin werd hij veroordeeld tot 50 frank boete voor de klappen en 26 frank voor bedreiging, welk bedrag werd verzevenvoudigd. Daarbij kwam 2000 frank ‘schadevergoeding voor werkeloosheid en reparatie van de averij’ en de helft van de kosten van het geding: ‘alles bij elkaar een goede 3000 frs.’.2466

[p. 621]

Simone was als gevolg van een griep nog steeds in Gistoux. Zij toonde zich bereid met haar schoonmoeder naar een advocaat te gaan, maar wenste niet met haar echtgenoot te praten over de scheiding. Mevrouw Du Perron drukte haar zoon op het hart om niet te zeggen dat er een ander in het spel was. Simone had gezegd dat zij haar scheiding verborgen wilde houden, vooral tegenover haar eigen familie. Verder had zij gevraagd of ze niet in Holland moesten scheiden, omdat zij door haar huwelijk toch Hollandse was geworden. Du Perron sprak haar hierop aan: ‘als zij, om het voor haar kennissen geheim te houden, liever in Holland wou scheiden, leek mij dat ook het beste, enz.’. Simone klapte meteen dicht, snikte ‘je ne sais pas’ en begon te huilen. Later liep ze weg toen zij hem zag aankomen. Du Perron besloot zich terug te trekken in een pension en Simone niet meer te spreken voordat de scheiding een feit was. Zijn moeder was het daar helemaal mee eens, hij moest alles maar aan haar overlaten, dan kwam het wel in orde.2467

Op maandagochtend 21 december 1931 was er eerst ‘een zeer pijnlijk afscheid’ van Simone. 's Middags lunchte Du Perron in Pension Herman, Eendrachtsstraat 59, in de Brusselse gemeente Elsene.2468 De buurt was 's avonds wel een beetje luguber, maar voor 45 frank had hij hier een tweepersoonskamer met twee bedden en twee kasten.2469 Hij zou er twee weken blijven. Onderwijl trachtte hij duidelijkheid te krijgen over de Belgische scheidingswetten. Hij ontmoette zeer frequent Jan en Aty Greshoff, Franz Hellens en Paul Méral, die hem op allerlei manieren van advies dienden. Méral had hem als advocaat een zekere Janson aanbevolen, een ‘specialist in echtscheidingen’, die een geheim telefoonnummer zou hebben. Maar toen deze Janson gewoon in het telefoonboek bleek te staan, bedacht Du Perron dat hij ‘misschien gewoon een bittervriend’ was van de een of andere kennis van Méral.2470

Op 28 december kreeg hij die advocaat eindelijk te pakken. Het viel allemaal niet mee: de Belgische scheidingswetten, na veel strijd met de katholieken tot stand gekomen, stonden weliswaar ‘scheiding met wederzijds goedvinden’ toe, maar de bijkomende verordeningen waren onmogelijk. Zo was voor beide partijen geen nieuw huwelijk toegestaan dan drie jaar na uitspraak van de scheiding. De andere optie, ‘scheiding met motief’, zou leiden tot allerlei juridische verwikkelingen, waarbij getuigen en meerdere advocaten moesten worden ingeschakeld. Een andere Belgische verordening hield in dat meneer, zolang hij nog getrouwd was, overal waar hij overnachtte geacht werd zich te bevinden ‘sous toit conjugal’, zodat hij feitelijk niet het recht had zijn vrouw de toegang te ontzeggen.

[p. 622]

Als hij dit wel deed, kon zijn echtgenote hem wegens overspel voor het gerecht dagen. Er bleef maar één conclusie over: Du Perron moest naar Holland gaan ‘en het geval daarheen probeeren over te brengen’.2471

Het ging er dus om Simone mee te krijgen, want ze moest in Nederland twee keer in persoon voor de rechter verschijnen. Daarom stelde Du Perron voor dat zij met zijn moeder een tijdje in Nederland zou logeren, maar Simone reageerde uitermate achterdochtig.2472 Mevrouw Du Perron, negen maanden tevoren nog door de artsen opgegeven, bewees zich nu als een grote steun voor haar zoon - zoals deze aan Bep schreef: ‘Haar situatie is werkelijk allesbehalve prettig, en ze valt mij in deze moeilijke tijd enorm mee - trouwens, ik zei je al: ze is verreweg op haar best in moeilijke oogenblikken. Ook als ik jou bij me heb, zal ik in haar toch wel een serieuze “alliée” verliezen, als ze doodgaat. Ze spreekt nu ook heel lief over je: vindt je zoo “zacht”, gelooft dat je zoo “gevoelig” bent, vindt dat je zooveel “charme” hebt, enz.’

Du Perron was wel zo reëel om in te zien dat Simone ‘de grootste verliezen’ leed ‘in deze historie’, maar dat vlakte niet uit dat ze zich onmogelijk gedroeg:

‘[...] èn mijn moeder èn de Beynons hebben zich wel erg gauw blij gemaakt, toen Simone zoo'n beetje grapjes maakte en zei dat ze een “vieux” zou nemen en zoomeer. Die grapjes waren de reactie op een serie huildagen, niet meer. Zoodra ze maar hoort dat ik in aantocht ben, wordt ze onmogelijk; ze spreekt dan met mijn moeder in schimpscheuten over mij (“votre cher fils”), omdat ze - dit is wel duidelijk - vindt dat mijn moeder te veel op mijn hand is. Ze denkt au fond dat dit zwervende leven mij zal vermoeien en dat ik tot den “huiselijken haard” terug zou keeren, als mijn moeder bijv. haar deur voor mij sloot tenzij ik het gewone oude leven hervatte. Enfin, ze klampt zich natuurlijk aan het geringste vast. Maar ze is, in de eerste plaats, ontzettend wantrouwend, en dan, au fond, zoolang ze nog éénige hoop heeft, wil ze niet ja zeggen. Het is te hopen dat zij geen duidelijk beeld krijgt van de Belgische wet; anders speelt ze natuurlijk de comedie van: ja zeggen, mits hier.2473

Met grote voortvarendheid beredderde de kasteelvrouw van alles voor haar zoon. Officieel stond hij nog steeds geregistreerd als eigenaar van het kasteel. Ook al waren hij en Simone op huwelijkse voorwaarden getrouwd, dit feit zou niet in zijn voordeel spreken wanneer de rechter de

[p. 623]

alimentatie moest vaststellen. Het zou dan ook de voorkeur verdienen als hij het kasteel aan zijn moeder zou terugverkopen.2474 Op 28 januari 1932 nam de notaris de zaak met de belanghebbenden door. Er zaten nogal wat haken en ogen aan: de belasting vereiste dat elk onroerend goed werd verkocht voor de reële waarde. De waarde van het kasteel was getaxeerd op 450.000 frank; het percentage dat van de fictieve verkoop aan de belasting moest worden afgedragen zou neerkomen op ongeveer 35.000 frank. Indien de verkoop zou worden opgevat als een donatie, zou slechts de helft van dit bedrag moeten worden betaald, maar men zou dit feit kunnen betwisten. Mevrouw Du Perron was er hoe dan ook ‘erg voor, om de zaak door te zetten, al is het bijeenbrengen van 35.000 frs. geen kleinigheid, juist in dezen tijd’.2475 Mevrouw Du Perron en haar zoon moeten hebben gedacht dat het kasteel bij verkoop aan een derde later toch wel zijn waarde zou opbrengen. Het ging er nu om Eddy buiten schot te houden: het eenmalige verlies van 35.000 frank (of de helft daarvan) was te verkiezen boven het risico van een buitensporige alimentatie die jarenlang op zoonlief zou drukken.2476 Het is niet zeker of mevrouw Du Perron deze ingewikkelde constructie heeft doorgezet; bij haar sterven stond het kasteel op naam van haar zoon.2477

Dat er zoveel geregeld moest worden, was het ergste nog niet: telkens als Du Perron iets van Simone gedaan trachtte te krijgen, gooide zij haar kont tegen de krib. Op 2 januari 1932 vond er weer zo'n scène plaats, die Du Perron deed wanhopen of het samenleven met Bep ooit gerealiseerd zou worden. Hij schreef Bep een brief, waarin hij haar ‘in een vlaag van vermoeienis’ voorstelde om hun geplande ontmoeting in Antwerpen niet door te laten gaan: hij kon er niet tegen dat hij telkens weer gedwongen was om ‘afscheid’ te nemen. En misschien - zo schreef hij - was het beter ‘elkaar liever heelemaal niet meer te schrijven en om op me te wachten tot ik werkelijk heelemaal vrij zou zijn’. Hij bedacht zich en verstuurde de brief niet, maar vatte hem samen in een nieuwe brief.2478 Du Perrons obsessieve liefde voor Bep komt naar voren in een sonnet, waarvan de eerste twee strofen luiden:

 
Eens zal je weten hoeveel 'k van je hoû,
 
en mij al 't aandringen van nù vergeven,
 
mijn rustlooze verwondring dat een vrouw
 
als jij van mij terug houdt - en gedreven
[p. 624]
 
naar wat immers verandren moest, al zou
 
je ook dàn nog zijn het brandpunt van mijn leven,
 
grijpen, vergeefs, naar wat achtergebleven
 
is weggestroomd, intens: naar jou, naar jou!2479

Het strijdperk van de liefde

Op 5 januari 1932 vertrok Du Perron naar Antwerpen. Hij verheugde zich erop het lange gedicht ‘La maison du berger’ van Alfred de Vigny te horen met de stem van Bep. Van tevoren had hij haar het werk van Vigny toegestuurd. ‘La maison du berger’ is een vers in de vorm van een brief aan de geliefde van de dichter. Het is tussen 1836 en 1843 geschreven, mede onder de indruk van de ontwikkeling van de spoorwegen.2480 ‘Het huis van de herder’ is een rijtuig dat de dichter zijn geliefde aanbiedt. Dit rijtuig is een ideale schuilplaats voor hun liefde. Zij zullen het lot hun koers laten bepalen en in sublieme wereldverachting over tijd en ruimte triomferen. De herder en zijn geliefde groeien in het 336 regels tellende gedicht uit tot mythische proporties. De natuur is koud en vijandig, het menselijk lijden is groots, maar beide geliefden reizen voort, steun vindend bij elkaar, terwijl zij niets dan hun schaduw laten ‘op deze ondankbare aarde waarover de doden zijn getrokken’.

Symboliseerde dit gedicht de toewijding aan elkaar in een woelige, vaak vijandige wereld, Du Perron dacht ook na over het strijdperk van de liefde. In december 1930 was hij begonnen aan een toneelstuk over dit thema, dat ‘De nieuwe manier’ zou gaan heten. Op 4 januari werkte hij de hele nacht door om het tweede bedrijf te voltooien. Hij nam zijn tekst mee naar Antwerpen, verlangend naar het oordeel van degene die zo'n belangrijke rol speelde in zijn leven. In zijn brieven had hij Bep al verteld hoe het stuk zich ontwikkelde.

Een model leverde The second man van de Broadway-schrijver S.N. Behrman (1893-1973).2481 De ‘tweede man’ is volgens het motto op de titelpagina de donkere zijde van een persoon: ‘that other strange second man in me, calm, critical, observant, unmoved, blasé, odious’.2482 Het concept van de tweede man sprak Du Perron aan: ook in hemzelf school een sceptische observator die alles wilde analyseren. Maar het hoofdpersonage van The second man, Clark Storey, werd volledig door zijn ‘tweede man’ overheerst; zijn betere ik kreeg geen kans zich te manifesteren. Clark Storey is

[p. 625]

een mislukt schrijver, wiens tragiek het is dat hij zichzelf niet serieus kan nemen. Hij uit zich in snedige uitspraken à la Oscar Wilde en doet voortdurend alsof hij de situatie meester is. Maar die situatie ontspoort als de mooie vrouw op wie zijn vriend Austin Lowe smoorverliefd is, met hem begint te flirten. De amorele Clark Storey bezwijkt voor de verleiding. Deze vrouw, de jeugdige Monica Grey, moet niets hebben van Austin Lowe, een briljante, maar saaie wetenschapper. Zij doet alsof zij een kind verwacht van Clark Storey. Dit wekt niet alleen de verontwaardiging van Clarks vriendin Kendall Frayne, die hem financieel ondersteunt, maar ook de jaloezie van Austin Lowe. Lowe komt met een revolver op Storey af om hem te vermoorden; deze weet de kogel te ontwijken en stuurt Austin Lowe doodleuk naar bed, om van de schrik te bekomen. Monica Grey komt achter Clarks ware aard en kiest uiteindelijk toch voor Austin Lowe. Aan het einde van het stuk maakt Clark Storey weer een afspraakje met zijn vriendin Kendall Frayne.

Du Perron las The second man als ‘een parabel’ van het toneelstuk dat hij wou schrijven.2483 Al lezende betrok hij het voortdurend op Bep en zichzelf. Hij identificeerde zich met de jaloerse Austin Lowe, maar werd afgestoten door diens geringe weerbaarheid. De revolverscène was gewoonweg belachelijk. Waarom was het niet ‘een hondenzweepscène’ geworden, zoals hij eens ‘met verrukking’ in een Amerikaanse film had gezien? In zijn eigen stuk zou hij een ‘oorveeg-scène’ gebruiken, maar die moest hij dan ‘oneindig subtieler en overtuigender maken’. Hij vroeg Bep haar objectieve kijk op dit stuk te geven, ‘want mijn stupiditeit gaat zoover dat ik mijzelf in mijnheer Lowe voel tekort gedaan, alsof ik ièts met zoo iemand gemeen had, alsof zelfs mijn gevoel (voor jou) niet oneindig minder gewoon en bête was dan het zijne (voor het lieve kind Monica), alsof tenslotte ik, in tegenstelling met hem, niet in praatjes juist volkomen tegen mijn vriend Clark Storey zou zijn opgewassen - supposé dat die meneer mijn vriend was’.

Een ander model voor Du Perron was Arthur Schnitzlers toneelstuk De eenzame weg, dat hij kocht om er de techniek van te bestuderen.2484 Voor hem stond Schnitzlers stuk op een hoger plan dan dat van Behrman, maar inhoudelijk zou zijn eigen toneelstuk meer weg hebben van The second man. Op 12 december 1931 schreef hij Bep voor het eerst over zijn plan: ‘Ik heb een tooneelstuk in mijn hoofd, waarvan ik de intrigue aan Blijstra heb verteld, die er opgetogen over is. Het zijn eig. twee intrigues, maar die paral[l]el gaan en in een dubbele débâcle eindigen (moreele débâcle); de hoofdpersonen zijn broer en zuster, de zuster is een “engel”, de broer een

[p. 626]

“verleider”. Ik zie sommige scènes al heel goed voor me en ben er quasi zeker van dat ik - als ik er aan werken kan - iets goeds er van maak.’

In de definitieve versie zou de zuster Mary Duysink heten en haar broer Evert Duysink.2485 De negenentwintig jaar oude Evert wordt gecontrasteerd met Menno van den Borght, die één jaar jonger is. Evert correspondeert met Clark Storey en Menno met Austin Lowe, maar deze voorbeelden uit Behrmans stuk zijn naar Du Perrons behoefte ‘geretoucheerd’. Evert is het type van de amorele verleider - waarvoor Johan de Meester jr. het model kan hebben geleverd. Maar in zekere zin rekent Du Perron in de figuur van Evert ook af met zijn vroegere zelf uit zijn cynische periode. Tekenend is de volgende uitlating: ‘Het is duidelijk dat er in mij een reactie plaats heeft tegen een soort “supreemheid” (lees nu heusch The Second Man) die ik vroeger uiterst sympathiek vond en zelfs bewonderenswaardig.’2486 Naast deze figuur van de ‘moderne’ verleider staat Gerard Rijckloff, tot in het taalgebruik zeer herkenbaar gemodelleerd naar Adriaan Roland Holst. Du Perron schetst Rijckloffs karakter als volgt: ‘Gerard, ouderwetse verleider. Goed hart, kwetsbaar. Niet intelligent, maar wel slim (tot op zekere hoogte). Intuïtie tegenover vrouwen, meestal. Goed vriend.2487

Behalve deze heren treedt er ook een zekere Anton Ockerse op - gemodelleerd naar Victor van Vriesland - die door Du Perron wordt gekarakteriseerd als het ‘[t]ype van kapotte 20e-eeuwer, sterk want zonder eer’.2488 De precieus sprekende, cynische Ockerse vindt dat Rijckloff te veel van zichzelf in het spel brengt. Mevrouw Duysink, de moeder van Evert en Mary, dringt er juist bij mijnheer Rijckloff op aan dat hij trouwt (zoals mevrouw Du Perron altijd wilde dat Roland Holst zou trouwen). Rijckloff wimpelt deze suggestie op hoffelijke wijze af: het huwelijk is voor hem wat het droge is voor een vis. Het schijnt dat Rijckloff verliefd is op Mary Duysink, die in de wandeling ‘Miek’ wordt genoemd.2489 Mevrouw Duysink waarschuwt haar dochter dat zij niet de zoveelste speelbal moet worden van Rijckloff: ‘Als hij van je houdt, heeft hij je te vragen. (Mary lacht kort.) Ja, daar hoef je niet om te lachen. Het is misschien erg ouwerwets, maar het is en blijft toch maar de goede manier.’2490

Het toneelstuk draait echter om ‘de nieuwe manier’, of in Everts woorden: ‘de oncontractuele zienswijze’.2491 Het gaat er maar om hoe je die beschouwt: Ockerse houdt Evert voor dat hij in moreel opzicht behoort ‘tot die mannen, die een foto-collectie aanleggen van al hun vriendinnen, met de voornamen eronder in handtekening en een lokje haar ernaast geplakt.’2492 Sommige in het stuk optredende vrouwen laten zich echter niet zo gemakkelijk ‘collectioneren’; zij gedragen zich zelfbewust en auto-

[p. 627]

noom.2493 Daarnaast zijn er in het stuk ook vrouwelijke adepten van ‘de nieuwe manier’, gemodelleerd naar de vrijgevochten ‘Kring’-vrouwen die Du Perron zo verfoeide.

De oude oftewel ‘goede’ manier was ook niet alles: Theodoor van Rheen, mevrouw Duysinks zevenenvijftigjarige broer, heeft in zijn jeugd ook een keer de verleider willen spelen. Hij bevruchtte zijn zeventienjarige dienstmeisje en aangezien ‘een gentleman betaalt’, trouwde hij met haar en verknoeide hij zo zijn verdere leven in de provincie.2494

 

Het klapstuk had moeten komen in de zevende scène van het derde bedrijf, die er volgens Du Perrons schema als volgt zou uitzien: ‘Van den Borght op. Verwondering van Evert, snel bedwongen, schamper. Gesprek. De javaanse krissen, sigaretten, de klap.’2495 Geen pistoolschot, maar een klap. Toen Paul Méral het schema voor die scène te horen kreeg, vond hij Van den Borght spontaan ‘een idioot’, maar Du Perron verdedigde zijn personage door dik en dun. Méral, Hellens en Du Perron werden het er uiteindelijk over eens dat in een toneelstuk alles afhangt van de behandeling van de stof. Zo kun je ook aannemelijk maken dat Van den Borght ‘gelijk heeft met toe te geven aan een primitief gevoel, en dat de brutaliteit daarvan for once tenminste het impertinente “systeem” van den ander slaat’. Van den Borght mag dan een minderwaardigheidscomplex hebben - een ‘mi-co’ - maar het is ten minste ‘een “mi-co” dat “naar voren vlucht” [...] in laatste instantie is het de overwinning van een redelooze, primitieve kracht, tegen een methode, een systeem’.2496

‘De nieuwe manier’ bleef onvoltooid. In maart 1932 werkte Du Perron nog het slot van zijn tweede bedrijf om, maar aan het derde kwam hij niet meer toe. Hij had zijn sympathie ervoor verloren, mede omdat Bep er niet zo enthousiast over was.2497 Het stuk had misschien te veel met haarzelf te maken. Overigens zijn de dialogen in het stuk vaak houterig, mede door een teveel aan achtergrondinformatie. In biografisch opzicht is ‘De nieuwe manier’ een boeiende tekst. Het is Du Perrons verwoede antwoord op de verleider zonder hart. Het thema zou hem niet meer loslaten.

Simon en Simone

Op 9 januari 1932 betrok Du Perron in Utrecht een kamer van ‘vier stappen in het vierkant’, bij ‘vriendelijke maar rasechte burgermenschen’. Adres: Frederik Hendrikstraat 83. Prijs: f 70, -, pension en verwarming

[p. 628]

inbegrepen. Het was vijf minuten lopen naar Henny en Rien Marsman.2498 Henny Marsman zou Du Perrons scheiding regelen en Rien had al geinformeerd naar baantjes voor Hollanders in Parijs. Om in aanmerking te komen voor zo'n baantje was het zaak om eerst fatsoenlijk gehuwd te zijn! Bij al zijn besognes onderhield Du Perron ook zijn literaire contacten. Hij woonde een Forum-vergadering bij in Rotterdam, ging op kroegentocht met Blijstra en Halbo C. Kool en corrigeerde Van Wessems vertaling van Poesjkins Het pistoolschot. Op 25 januari logeerde hij bij Ter Braak in Rotterdam. Hij ging met Truida naar de film en vertelde haar over de plannen van Bep en hem. Zij nam het rustig op: ze had veel sympathie voor Bep en zelf had ze zich al over Du Perron heengezet.2499 Hierna ging Du Perron door naar Brussel en de volgende dag naar Gistoux.2500

Gistoux was koud en mistig. Hij trof er zijn moeder met Gille en een nieuwe baboe, Roosmina. Vera was net vertrokken voor een verlof in Oostenrijk en Simone zat in Brussel. Uit ‘pure verveling’ maakte Du Perron het schema van een draak van een zedendrama die volgens hem alle kans zou maken op de prijs van duizend gulden die de Maatschappij van Letterkunde had uitgeloofd.2501 Als de literatuur in het geding was, was Du Perron vol polemisch vuur, maar in zijn privé-leven was het een en al hypochondrie. Hij schreef Bep vanuit Gistoux: ‘eigenlijk ben ik precies nog de kleine jongen die daar zoo ongelukkig op dat stoeltje zit, op dat portretje dat ik je gegeven heb, met hetzelfde karakter van voortdurend bedreigd zijn, alleen zooals Vic Vriesland zei, “weerbaar” geworden, door de voortdurende oefening om van de angst een soort moed te maken’.2502 Hij geloofde nu wel dat Bep ‘genoeg’ van hem hield, maar zijn denken ging ‘rusteloos’ voort, vooral nu zij niet in zijn buurt was.

Bep probeerde haar geliefde te troosten met de verzekering dat zij, hoewel geboren met een ‘verwende-kinderen-ziel’, met hem toch heus heel gelukkig was.2503 Op 3 februari 1932 kwam Du Perron in elk geval dichter bij haar in de buurt: hij betrok een kamer op Laan van Oostenburg 27, niet ver van station Voorburg. Hij betaalde slechts een rijksdaalder meer dan in Utrecht en de kamer was tweemaal zo groot. Jan Greshoff kon er nog steeds niet over uit dat zijn vriend de vrouw van zijn leven had gevonden en dat zij niet werd afgeschrikt door Eddy's egocentrische karakter. Hij noemde Bep dan ook het ‘wereldwonder’.2504 Op 14 februari ging Du Perron terug naar Gistoux voor definitief overleg over de scheiding. De dag erna kon hij Bep juichend mededelen dat alles ‘wondergoed’ ging: ‘Simone is uiterst verstandig en geschikt, huilt niet meer, werkt in alles mee, vindt het goed dat het kind door de rechtbank aan mij wordt toege-

[p. 629]

wezen, en de rest per contract wordt geregeld, enz. enz.’ Wel had Simone bedongen dat Gille bij háár zou blijven wonen.2505

Moeder, Simone en Eddy du Perron zelf zouden op 18 februari naar Nederland reizen, terwijl Gille onder de hoede van de baboe bleef. Moeder en Simone trokken in een pension in Scheveningen, op de Nieuwe Parklaan 187. Du Perron overnachtte daar soms ook, maar meestal was hij in Voorburg te vinden. Voortdurend pendelde hij heen en weer tussen Scheveningen en Voorburg, levend tussen de hoop dat alles geregeld zou worden en de vrees dat er toch nog een kink in de kabel zou komen, aldoor mokkend dat Bep zo dichtbij hem zat en toch zo ver weg was. Hij bestookte haar met briefjes, die hij soms nog laat in de avond bij haar in de bus deed. Zij schreef hem lief terug: ‘Ik zou zoo wel met je weg willen loopen.’2506 Maar met Pasen zat hij zich weer te verbijten, want Bep was bij haar oom en tante in Amsterdam. De afspraak daarvoor was immers al veel eerder gemaakt. Gék werd hij ervan, het liefst zou hij haar ontvoeren, wég van alle anderen, naar een plaats waar hij haar helemaal voor zichzelf zou hebben. En daar zouden ze dan ‘leven, ergens op Tahiti of waar je maar wilt, alsof er werkelijk niemand meer bestond!’.2507

De echtscheiding werd uitgesproken op 9 maart 1932 en op 18 maart in Den Haag geregistreerd, maar de kwestie-Gille was nog niet afgehandeld.2508 Du Perron voelde zich nu met Bep ‘verloofd’, wat nog niet hetzelfde was als ‘getrouwd’.2509 Simon Vestdijk en Feicko Tissing, met wie hij in deze tijd veel optrok, werden van de trouwplannen op de hoogte gebracht.2510 Op 4 april bedacht Du Perron samen met Bep een tekst voor hun huwelijksaankondiging.

De volgende dag reisde hij samen met Vestdijk naar Brussel. Om zeven uur 's avonds kwamen ze aan in Gistoux, Du Perron ging Vestdijk voor ‘met het schaamachtige gebaar van iemand die er niet zo erg thuishoort’.2511 Met het oog op zijn aanstaande huwelijk onderwierp hij zich gedurende tien dagen aan een ‘Hollywoodkuur’, hij dronk veel zwarte koffie en had een halve grapefruit als ontbijt.2512 Vestdijk keek verbaasd toe hoe zijn gastheer de heerlijkste Indische gerechten aan zich liet voorbijgaan. Deze werkelijk ingrijpende kuur werd voor Vestdijk het symbool van Du Perrons ‘koppigheid, zijn lust om weerstanden te overwinnen’.2513

Obstakels waren er genoeg. Voor zijn huwelijk moest Du Perron zijn geboorteakte uit Indië laten komen, want hij was het origineel kwijt. Beps vader ging ervoor naar het ministerie van Koloniën en Du Perron zelf naar de Brusselse legatie om er meer vaart achter te zetten.2514 Inmiddels kwam er in het literaire leven enig weerwerk los: in een bespreking van de

[p. 630]

herziene druk van Een voorbereiding lanceerde Anthonie Donker een persoonlijke aanval op Du Perron, terwijl Theun de Vries nog veel venijniger tegen hem uitviel in zijn artikel ‘Een narcissusproduct’.2515 Du Perron haalde er de schouders over op: ‘Of ik zoo narcistisch ben als de hh. Donker en Theun beweren, valt erg te bezien, maar beppistisch word ik met den dag méér.’2516

 

Simone was nog steeds niet op de hoogte van de huwelijksplannen van haar ex-echtgenoot. Du Perron wilde daarmee wachten totdat - op 28 april - de kwestie-Gille definitief zou zijn geregeld. Het stuitte hem eigenlijk tegen de borst om zo strategisch te moeten handelen, maar mét zijn moeder erkende hij dat dit toch de beste methode was: ‘we zouden nooit zover gekomen zijn als nu, als ik de “bittere waarheid” had gezegd’.2517 Simone draaide nu telkens ‘touchant aanhankelijk’ om hem heen en gaf vage signalen dat ze er alles aan zou doen om hem terug te hebben. Voorzichtig bereidde hij haar voor op de mogelijkheid dat hij met een ander zou trouwen.

Vestdijk had erg met Simone te doen en toen Du Perron een keer overdag naar Brussel ging, bleef hij thuis omdat hij zijn middagslaapje niet wilde missen. Bij thuiskomst bleek Du Perron dat Vestdijk twee gedichten had gemaakt op Simone; hij zag meteen in dat het nooit iets serieus zou worden, ‘hoogstens een consolation passagère... En dan nog, deze poëet lijkt me vooral de inspiratie te puren uit zijn vrouwelijke modellen. Jammer, jammer; het zou mij plezier doen als, op welke manier dan ook, een andere man voor die goede Simone gaat bestaan; het zou haar tenminste kunnen doen voelen dat ook voor haar althans de “mogelijkheden” niet zijn uitgesloten, wat zij nu schijnt te denken.’2518

Gistoux inspireerde Vestdijk in hoge mate. Niet alleen had hij er zijn grote essay over Emily Dickinson geschreven, maar ook genoot hij van wandelingen in de omgeving, waarop hij dikwijls gezelschap kreeg van Simone. Ze hadden ook samen naar grammofoonmuziek geluisterd, vooral de concertwals van Glazoenov. Op donderdagavond 21 april vertrouwde hij Du Perron toe dat er zich ‘erotische draden’ sponnen tussen hem en Simone. Du Perron briefde het nieuws meteen door aan Bep:

‘Na eenige aarzeling heb ik hem gevraagd hoever deze draden reeds gingen. Niet zóó ver; gistermiddag heeft hij haar - met eenige moeite, zegt hij - voor het eerst gekust. De wandelingen hebben dus toch ergens toe geleid. Ik vind het in abstracto best, maar “ergens” toch vervelend,
[p. 631]
zooiets; het dier in ons is nu eenmaal primitief. Ik heb blijkbaar toch geen echte aanleg om cocu te zijn onder één dak, al is het dan après la lettre. Maar als het iets goeds kan hebben, waarom niet? Hij heeft geinformeerd waar ze wonen ging als ze van hier weg zou zijn. En hij schijnt haar al te hebben ingelicht dat het niets ernstigs kon zijn; zoo beginnen soms de ergste dingen. - Er is iets, heusch zuiver broederlijks, in mij dat Simone op dit gebied vooral toch iets werkelijk goeds toewenscht; ze is niet vulgair, ze heeft niets “mannengeks”, integendeel. Het zou jammer zijn als dit, na 2 of 3 amants, totaal zou worden bedorven.’2519

Vestdijk bespeurde in Simone ‘verrassend veel innerlijke beschaving’ en de goedaardigheid van een ‘geduldig lastdier’, maar hij begreep wel dat voor Du Perron het samenleven met haar onmogelijk was geworden ‘minder door haar gemis aan ontwikkeling dan door haar traagheid van reageren, haar doffe en koppige geslotenheid’. In Bep had Du Perron de vrouw gevonden in wie hij geheel kon opgaan - daar kon Simone niet tegenop. Het was voor Vestdijk niet moeilijk te zien dat Simone nog steeds van haar ex-echtgenoot hield; haar ambivalente houding sprak wat dit betreft boekdelen. Dit was nu juist wat Du Perron zo benauwde. Daarom moedigde hij Vestdijk aan om met Simone te wandelen, maar volgens Vestdijk werden die aanmoedigingen ‘hoogst sporadisch onderbroken door de blijken van een primitieve, zo men wil oosterse, en gegeven de omstandigheden ietwat onredelijke ijverzucht, boeiend en wat angstwekkend om mee te maken, en die de naamgenote de schrik op het lijf joegen. Zij was werkelijk bang voor hem, zonder dat dit naar mijn mening tegen haar liefde pleitte.’2520 Simon en Simone voelden zich als ‘twee stoute kinderen tegenover Du Perron’, maar zo min als deze een Austin Lowe was, was Vestdijk een Clark Storey.2521 Enkele dagen nadat hij Du Perron had verteld over de ‘erotische draden’ schreef hij dit onthullende gedicht:

Nachtwaak
 
Zij heeft haar lichaam vluchtig maar gegeven,
 
Al liep zij door de gangen op en neer
 
En is tot 't laatst toe met mij opgebleven,
 
Zoo bang, zoo koel; al kwam zij, telkens weer
 
 
[p. 632]
 
En telkens, in die domme hunk'ring van
 
Zwaar dier in opgejaagdheid mij bezoeken.
 
Zij is te grijpen, dacht ik, greep haar dan, -
 
Maar 't spook bleef grijnzen uit de vele hoeken.
 
 
 
Nu nog de nacht,... nu kan ik mee gaan wand'len,
 
Fluist'rend door kamers, hol en verveloos,
 
Mij met het spook afgeven, en zoo hand'len
 
Alsof ook ik diezelfde angst verkoos
 
 
 
Boven genot, de lust van 't kreunend sterven
 
Verwerpen gaan, omdat die dood te kort
 
En te vergeefs zou zijn, - nu kan ik zwerven
 
Met 't eigen lichaam, dat weer eenzaam wordt.
 
 
 
Gistoux 25-4-'32 11 u. p.m.2522

Een beschaafde drom van mosseldieren

Du Perron had genoeg aan zijn eigen spoken. Met nukkige regelmaat werkte hij zijn programma af: allerlei kennissen moesten officieel op de hoogte worden gesteld van zijn huwelijk. Een groter corvee vond hij de officiële kennisgeving aan de oom en tante van Bep, David Simons en zijn vrouw Davida (‘tante Da’).2523 Als het ging om het verrichten van burgerlijke rituelen klapte Du Perron soms helemaal dicht. De anders zo rad pratende causeur wist dan met zijn gedrag geen raad en kreeg iets verbetens over zich. Tot overmaat van ramp was er toen hij op een middag langskwam niemand thuis. Met tussenpozen van een uur kwam hij drie keer voor een dichte deur te staan. Om zeven uur 's avonds had hij meer geluk, maar tante Da Simons moest hem teleurstellen: haar man had ‘dienst’, dus zij vond het prettiger Eddy terug te zien als hij erbij kon zijn. Zij sprak met hem af voor twee dagen later, op zaterdag, tussen kwart over twaalf en twee uur; bovendien zouden de neefjes er dan zijn, die, volgens tante, ‘natuurlijk ook graag met den man van Bep willen kennismaken’. Du Perron was compleet overrompeld door deze mededeling en ging naar een nabij restaurant, waar Willink op hem wachtte. Hij vroeg zich af waarom hij niet diezelfde avond nog kon terugkomen. Ook al

[p. 633]

waren de beste mensen ‘heel aardig’, hij voelde zich volkomen uitgeput door deze exercitie. Hij schreef dan ook aan Bep: ‘Als ik morgen in Bergen moed genoeg kan verzamelen, zal ik erheen gaan; anders bedenk ik de een of andere foef en schrijf ze per expresse af. [...] Het is wschl. erg overdreven van me, maar ik vind deze dingen ontzettend, en ik heb vandaag heusch mijn best gedaan; als je oom had gekund of je tante mij alleen had willen affronteeren, was alles nu over een uur afgedaan geweest.’

Bep veegde haar fiancé, verwend jongetje als hij was, de mantel uit en wees hem er fijntjes op dat zíj ook de nodige corveeën had moeten doorstaan met kennissen van hém. Dergelijke ‘schokken of gênes’ waren heus wel ‘te overleven [...] zonder schade aan je gezondheid’.2524 Maar Du Perron bleef uiterst gespannen. Hij schreef er zelfs een gedicht over, ‘De verloofde’, met het omineuze begin: ‘Gestremd begeren luistert naar de wetten: / niet van het jij-en-ik, maar wat daarom / zich dringen komt, als een beschaafde drom / van mosseldieren die zich soms verzetten.’2525 Deze weken waren hem als een soort van ballingschap, waarin hij zelfs liever niet bij vrienden logeerde maar de voorkeur gaf aan een hotel. Op 3 mei 1932 tekende hij bij notaris J. van Herwijnen te 's-Gravenhage een akte van huwelijkse voorwaarden (no. 11472), tegelijk maakte hij zijn testament op (no. 11473).2526 Stols kreeg opdracht het huwelijkskaartje te drukken, wat hij deed in een originele zeventiende-eeuwse letter.2527

Op 7 mei 1932 ging Du Perron halsoverkop terug naar Gistoux na een alarmerend briefje van dokter Maasland over de gezondheid van zijn moeder. De morfine die ze kreeg ingespoten had hevige brakingen veroorzaakt. Ze was erg gezwollen in haar gezicht, maar gelukkig was Vera terug van haar Oostenrijks verlof.2528 Vier dagen later was Du Perron terug in Voorburg en op 17 mei 1932 was het dan zover: op het stadhuis van Voorburg werd het huwelijk voltrokken van ‘Charles Edgard du Perron, gescheiden echtgenoot van Simone Elise Sechez’ met ‘Elisabeth Geertruida de Roos’. Getuigen waren Jacques Reinhard Brandes de Roos, adjunct-directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek en Doede Feicko Tissing, ambtenaar bij het Binnenlands Bestuur in Nederlandsch Oost-Indië. Na ‘een kort, maar krachtig woord’ van de dienstdoende ambtenaar was het huwelijk een feit.

De jonggehuwden vertrokken voor hun wittebroodsweken naar Lugano. Zij zonden hun vrienden en kennissen een kaart met de tekst: ‘Elisabeth de Roos en E. du Perron geven hierbij kennis van hun huwelijk en vertrek naar het buitenland.’ Op kaarten aan intieme vrienden was met de hand het volgende rijm geschreven:

[p. 634]
 
Als deze leugen
 
niet wordt ontwricht,
 
kom ons verheugen
 
met uw gezicht.
 
Maar wil dit wagen
 
eer 't ijdel wordt,
 
waar leugens slagen
 
is 't leven kort.2529
2410DP aan E.G. de Roos, 3-12-1931.

2411Liefde met Jane, p. 4.
2412E.G. de Roos aan DP, 18-10-1931; DP aan E.G. de Roos, 19-10-1931. Vgl. ook: Brieven iii, p. 205 (20-10-1931 aan G. ter Braak, foutief gedateerd op 13-10-1931).
2413DP zou dit gedicht opnemen in zijn bloemlezing: Lord Byron, Lyrical poems. Selected and arranged in chronological order, The Halcyon Press, [Maastricht: A.A.M. Stols] 1931, p. 24. Ζωή μου, σα̑ς ἀγαπϖ = zooè moe, saas agapoo.
2414Liefde met Jane, p. 4.
2415Dagboekaantekeningen van vermoedelijk 16-12-1931.
2416Idem.
2417DP aan E.G. de Roos, 30-11-1931. DP heeft het woord ‘zou’ in de op twee na laatste zin weer doorgehaald.
2418Brieven iii, p. 198 (2-10-1931 aan A.C. Willink).
2419Vgl. Du Perrons sonnet ‘Op mijn divanbed in een Hollandse huurkamer’, in: Helikon, nr. 10, oktober 1931, p. 156. Zie ook het licht gewijzigde ‘Op een divanbed’, in: Vw i, p. 110.
2420DP aan E.G. de Roos, 27-10-1931.
2421E.G. de Roos aan DP, 27-10-1931.
2422Telegram van DP aan E.G. de Roos, Hôtel de l'Académie, rue des Saints-Pères 32, Paris. In Hazeu, Slauerhoff, p. 533, staat ten onrechte dat Slauerhoff en DP op 18 oktober in de trein stapten. Het was 28-10-1931.
2423DP aan E.G. de Roos, 29-10-1931.
2424Hoewel ‘Ange’ mannelijk is, schreef Du Perron ‘meine Ange’.
2425Collectie lm, p 346, h1 en h2. Onderaan het gedicht staat: ‘Woensdagavond, / 21 October 1931 / Van Imhoffstr. 16’.

2426Vgl. Brieven iii, p. 221 (6-11-1931 aan V.E. van Vriesland): ‘Uitslag: matig. Maar ik heb hier alvast opgezegd.’
2427Brieven iii, p. 226 (12-11-1931 aan H. Marsman).
2428DP aan E.G. de Roos, 12-11-1931.
2429Brieven iii, p. 223 (8-11-1931 aan H. Marsman).
2430Johan de Meester jr. komt voor de eerste keer voor in Du Perrons brief van 29-10-1931 aan E.G. de Roos, uit Keulen, waar hij schrijft: ‘Als ik het geluk had om tusschen Antwerpen en Brussel - o neen, het wordt Luik en Brussel - met Johan de Meester Jr. te reizen; ik zou hem aanspreken en het gesprek ongemerkt op je tooneelkritieken brengen.’
2431De verschijning van Forum, op 11-11-1931, werd gevierd met een door Zijlstra aangeboden etentje.
2432DP aan E.G. de Roos, 12-11-1931.
2433Brieven iii, p. 227 (16-11-1931).
2434Brieven iii, p. 229-230 (23-11-1931 aan V.E. van Vriesland).
2435DP aan E.G. de Roos, 1-12-1931. Voor een beschrijving van Het Wachtje zie: Rico Bulthuis, De dagen na donderdag. Aantekeningen uit de oorlogsjaren, Amsterdam / Antwerpen: Kosmos 1975, p. 132.
2436Tegenwoordig Hotel Marriott.
2437DP aan E.G. de Roos, 1-12-1931.
2438DP aan E.G. de Roos, 1-12-1931; dagboekaantekeningen 4-12-1931. Dionine is waarschijnlijk een zogenaamd sympathicomimeticum, dat wil zeggen onder andere bloeddrukverhogend. Met dank aan dr. J.B.F. Hulscher (Amsterdam) voor zijn in de volgende passage verwerkte interpretatie van Du Perrons ziektebeeld.
2439Volgens Gille du Perron liet zijn vader de chauffeur graag stoppen om een icecream te kopen. Ook was hij een groot vleeseter (gesprek met Gille du Perron, 13-12-1991). Uit de herinneringen van Soewarsih Djojopoespito blijkt dat hij op z'n Indisch aan één stuk door kon ‘snoepen’, in dit geval koekjes eten (Djojopuspito, ‘Eddy du Perron, de vriend, die nooit gestorven is’, p. 68-75).
2440Dagboekaantekeningen van vrijdagavond, 4-12-1931. De brief van Elisabeth de Roos was geschreven op vrijdagmiddag, 4-12-1931. Hieruit blijkt dat de post tussen Nederland en België in 1931 ongelooflijk veel sneller werd verwerkt dan in het begin van de eenentwintigste eeuw.
2441E.G. de Roos aan DP, 2-12-1931.
2442DP aan E.G. de Roos, 2-12-1931.
2443Brieven iii, p. 234 (3-12-1931 aan H. Marsman).
2444Bw i, p. 150 (12-12-1931).
2445Brieven iii, p. 236 (6-12-1931 aan J. Greshoff).
2446DP aan E.G. de Roos, 12-12-1931.
2447DP aan E.G. de Roos, 3-12-1931.
2448Vgl. Bw i, p. 150 (12-12-1931).
2449Briefpapier waarop DP op 10-12-1931 aan Bep schreef.
2450DP aan E.G. de Roos, 12-12-1931.
2451DP aan E.G. de Roos, 13-12-1931.
2452Onlangs had ze uit Indiê het bericht gekregen dat haar zoon Oscar van Polanen Petel, die aan longkanker leed, door de artsen was opgegeven. DP aan E.G. de Roos, 5-12-1931; Brieven iii, p. 236 (9-12-1931 aan H. Marsman). Zie over Oscar van Polanen Petel ook: Kees Snoek, ‘In memoriam Eddy van Polanen Petel (29-5-1913-14-12-2001)’, in: Cahiers voor een lezer, nr. 19, november 2003, p. 23-27.
2453Brieven iii, p. 238 (15-12-1931 aan A. Roland Holst).
2454In de loop van 1929 had De Meester het Vlaamsche Volkstooneel verlaten en zich als regisseur en acteur verbonden aan het Vereenigd Tooneel. Zie: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26-1-1929; 5-2-1929.
2455Dagboekaantekeningen, 16-12-1931.
2456Vgl. Bw i, p. 99 (1-6-1931); Brieven iii, p. 222-223 (8-11-1931 aan A. Roland Holst). Nijhoff was lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en had een volgens Du Perron kwasterig juryrapport geschreven over de toekenning van de C.W. van der Hoogtprijs aan Arthur van Schendel. Zie: Brieven iii, p. 126 (1-7-1931 aan H. Marsman).
2457Zie: Hazeu, Slauerhoff, p. 542. Misschien was Du Perron ook op de hoogte van Nijhoffs vriendschap met Johan de Meester jr. (biografische aantekeningen van Johan de Meester jr., coll. Theatermuseum, Amsterdam. In 1930 had De Meester t.g.v. een Leids lustrum de regie gevoerd over Nijhoffs waterfeestspel De vliegende Hollander).
2458Brieven iii, p. 239 (15-12-1931 aan A. Roland Holst). Roland Holst stuurde deze brief - op verzoek van DP - door aan Marsman, met het commentaar: ‘Wat een dwaasheid! Moeten wij nu allemaal boksles gaan nemen, om voor onze litteraire convicties met goed gevolg uit te kunnen komen?’ Zie: Van Vliet (ed.), Tussen twee generaties, p. 88. Een interessante opinie over de botsing van de karakters van Du Perron en Nijhoff heeft Victorine Hefting. Zie: Begemann, Victorine, p. 299.
2459De term ‘bloederig halfsnorretje’ is van S. Vestdijk in een brief aan Ter Braak, 10-5-1929 (coll. lm).
2460Brieven iii, p. 240 (15-12-1931 aan A. Roland Holst).
2461DP aan E.G. de Roos, 30-11-1931.
2462Vgl. dagboekaantekeningen DP, 16-12-1931.
2463Dagboekaantekeningen DP, 16-12-1931. De volgende alinea's zijn hierop gebaseerd.
2464In een naschrift schreef hij echter: ‘Ik zal er toch mee voortgaan, er is geen enkele reden om mij niet bezig te houden met wat mij zoo volkomen overheerscht.’

2465DP aan E.G. de Roos, 18-12-1931.
2466DP aan E.G. de Roos, 19-12-1931.
2467DP aan E.G. de Roos, 18/20-12-1931.
2468Thans hotel Floris Louise.
2469DP aan E.G. de Roos, 21-12-1931.
2470DP vertrouwde Méral niet helemaal, maar gaf hem het voordeel van de twijfel. In zijn brief van 27-12-1931 aan E.G. de Roos schrijft DP dat Méral nog steeds bezig was met een ‘affaire’, namelijk het terugkrijgen van brieven. Als hij die brieven niet zou krijgen, kwam hem dat volgens eigen zeggen te staan op een verlies van ± 725.000 frank! Op 23-12-1931 had DP aan Bep geschreven: ‘Méral was er niet, omdat hij bezoek had van twee Engelschen, nog steeds in verband met die brieven, die hijzelf nog altijd terug moet zien te krijgen, zegt Hellens.’ Waarschijnlijk betrof het hier de ‘afpersingszaak die Méral had opgezet in de nasleep van zijn relatie met Lady Rothermere’ (Van der Aa, ‘Paul Méral’, p. 29). Du Perron geloofde op dit moment nog Mérals versie van de zaak.
2471DP aan E.G. de Roos, 28-12-1931.
2472DP aan E.G. de Roos, 31-12-1931.
2473DP aan E.G. de Roos, 1-1-1932.
2474DP aan E.G. de Roos, 1-1 en 3-1-1932.
2475DP aan E.G. de Roos, 29-1-1932.
2476De optie om het kasteel direct aan een derde te verkopen werd kennelijk verworpen, omdat DP, als officiële eigenaar van het kasteel, dan de verkoopsom zou beuren en als een vermogend man zou worden beschouwd.
2477Vgl. Brieven iv, p. 14 (10-1-1933 aan A. Roland Holst). Het kan zijn dat het kasteel vóór de scheiding op naam van mevrouw Du Perron werd gezet en na de uitspraak weer op naam van haar zoon, maar de financiële consequenties van zo'n manoeuvre zullen ook niet gunstig zijn geweest.
2478Zie: Brieven ix, p. 67-68 (3-1-1932 aan E.G. de Roos).
2479In Du Perrons brief van 15-1-1932 aan E.G. de Roos. Vgl. Vw i, p. 120, waar als eerste deel van het tweeluik ‘Billets pour elle’ een gewijzigde versie is afgedrukt. Een derde versie, onder de titel ‘Sonnet voor later’, bevindt zich in het lm (p 346 h1 (6)).

2480Vgl. Alfred de Vigny, OEuvres complètes, Paris: Gallimard 1986, p. 118-128, p. 1041-1063 (aantekeningen).
2481The second man was geschreven in 1916, maar werd pas in 1927 voor het eerst opgevoerd. Hierna zou Samuel Nathaniel Behrman met zijn blijspelen veel succes oogsten. Ook schreef hij kritieken en filmscenario's.
2482Het motto is van Lord Leighton.
2483DP aan E.G. de Roos, 18-12-1931.
2484DP aan E.G. de Roos, 12-12-1931. DP spreekt van ‘het plattegrondje van zoo'n stuk’. In Der einsame Weg komen na de dood van Frau Wegrat geheimen uit het verleden aan het licht: Julian Fichtner, die na bijna dertig jaar terugkeert, blijkt haar zoon Felix te hebben verwekt. De heer Wegrat heeft een filosofische kijk op het leven, maar als zijn dochter Johanna, die wordt verleid door de verachtelijke Sala, zich heeft verdronken in een vijver, beseft hij dat hij niets van haar heeft geweten. Du Perron was gefascineerd door de figuur van de verleider in dit stuk.
2485‘De nieuwe manier’ is opgenomen in: Vw v, p. 373-458. Het derde bedrijf is alleen in schema aanwezig.
2486DP aan E.G. de Roos, 28-12-1931.
2487Collectie lm, map ‘De Onzekeren’.
2488Idem. In zijn brief van 1-1-1932 aan E.G. de Roos heeft Du Perron het over de ‘figuren van “Vic” en “Jany”’.
2489Dit is natuurlijk een verwijzing naar Maria J. (Miek) van Rijckevorsel (1910-2000), die Roland Holst tot het object van zijn verleidingskunst wilde maken. Zie: Van der Vegt, A. Roland Holst, p. 280-281.
2490Vw v, p. 420.
2491Idem, p. 442.
2492Idem, p. 399.
2493Idem, p. 431, 441, 453.
2494Idem, p. 443. Parallel en contrast met Du Perron: die bevruchtte een negentienjarig dienstmeisje, trouwde pas tweeënhalf jaar na de geboorte van zijn zoon met haar en scheidde drieënhalf jaar later.
2495Idem, p. 458. In de ‘Onzekeren’-map is het schema voor deze scène ietwat anders: ‘Duysink en Boreel. De jaloezie zonder dat er “iemand” is. Het begrijpen van Duysink. De karaf.’
2496Zie: Brieven ix, p. 64 (28-12-1931 aan E.G. de Roos).
2497DP aan E.G. de Roos, 28-3-1932.

2498DP aan E.G. de Roos, 10-1-1932.
2499DP aan E.G. de Roos, 26-1-1932: ‘het moeilijkste was voor haar voorbij, zei ze; ze mocht je graag en vond het uitstekend’.
2500DP aan E.G. de Roos, 27-1-1932.
2501‘Scenario te geef’, in: Forum, jrg. 1, nr. 3, maart 1932, p. 195-198 (opgenomen in: Vw ii, p. 451-455).
2502DP aan E.G. de Roos, 27-1-1932. Het portretje is dat van Du Perron als vier- of vijfjarige, dat hem inspireerde tot het gedicht ‘Het kind dat wij waren’. Zie: Schrijversprentenboek nr. 13, p. 5.
2503E.G. de Roos aan DP, 29-1-1932. Nederland in de jaren dertig van de twintigste eeuw: van samenwonen kon geen sprake zijn zolang DP officieel nog was getrouwd met een ander. Samenwonen van twee ongehuwden kwam wel voor, maar was niet gebruikelijk.
2504Zie: Brieven iii, p. 255 (3-2-1932 aan J. Greshoff).
2505Zie ook: Brieven iv, p. 211 (7-7-1933 aan J. van Nijlen). Dat Gille zou worden toegewezen aan de vader is opmerkelijk. Misschien was mevrouw Du Perron bang dat zij haar kleinkind anders nooit zou terugzien.
2506E.G. de Roos aan DP, 15-3-1932.
2507DP aan E.G. de Roos, 26-3-1932.
2508Vgl. Brieven iii, p. 272 (18-3-1932 aan H. Marsman): ‘Vandaag liet ik de gebeurtenis inschrijven; je hebt er werkelijk alle eer van.’ Zie voorts: Brieven iii, p. 273-274 (25-3-1932 aan H. Marsman), waaruit blijkt dat de ‘kwestie van het kind’ nog moest worden beslecht.
2509Vgl. Bw i, p. 169 (26 en 27-3-1932).
2510DP aan E.G. de Roos, 21-3-1932. DP had Vestdijk leren kennen via Slauerhoff, die een poëziemanuscript dat Vestdijk hem ter beoordeling had voorgelegd doorspeelde aan DP. In het najaar van 1931 zocht DP Vestdijk op in zijn ouderlijk huis op de Daal-en-Bergschelaan 18 te Den Haag. Dit was hun eerste ontmoeting. Zie: S. Vestdijk, ‘E. du Perron’; Veenstra, ‘Du Perron en Vestdijk, een vriendschap met haperingen’.
2511Vestdijk, Gestalten tegenover mij, p. 49.
2512Zie: Bw i, p. 172-173 (6-4-1932).
2513's-Gravesande, E. du Perron, p. 49-50.
2514DP aan E.G. de Roos, 20, 21 en 22-4-1932.
2515Donker, bespreking van Een voorbereiding. Hij schreef onder meer dat ‘Du Perron, die op het gebied van prullen toch een expert is [...] het zijne dus dadelijk als zodanig had moeten herkennen’. Theun de Vries, ‘Een narcissusproduct’. De Vries noemt Een voorbereiding ‘een geeuwend preludium op een groot Negatief’, ‘een Narcissus-product van zoo ontstellenden omvang, dat het slechts kon worden bedacht door een onvolgroeiden poseur, wien het ontbreekt aan welmeenende mentors, die hem van tijd tot tijd geestelijk of lichamelijk (het laatste verdiende de voorkeur) een stevige tuchtiging toedienden’.
2516DP aan E.G. de Roos, 10-4-1932.
2517DP aan E.G. de Roos, 19-4-1932.
2518DP aan E.G. de Roos, 21-4-1932.
2519DP aan E.G. de Roos, 22-4-1932.
2520Vestdijk, Gestalten tegenover mij, p. 54-55.
2521Zie voor de relatie Vestdijk - Simone - Du Perron: Abell, ‘Simone Sechez’. Vgl. ook: S. Vestdijk, ‘La statue (pour S.)’, J.H.W. Veenstra, ‘Nog eens Simone Sechez’ en L.F. Abell, ‘Reactie van L.F. Abell’ met een ‘Slotwoord van J.H.W. Veenstra, in: Vestdijkkroniek, nr. 47, juni 1985, p. 47-53.
2522Coll. lm, bij een brief van S. Vestdijk aan M. ter Braak, 10-5-1932. Vestdijk nam dit gedicht onder de titel ‘Afstand’ op in zijn bundel Vrouwendienst; in deze versie luiden de vierde en vijfde regel: ‘En telkens, in die blinde angsten van / Dom dier in opgejaagdheid mij bezoeken.’ Zie: Vestdijk, Verzamelde gedichten, p. 128.

2523Zie: Snoek, ‘Dank voor uw lieve inval’. Correctie: oom en tante Simons woonden op het adres Ruysdaelstraat 88II.
2524E.G. de Roos aan DP, 29-4-1932.
2525Voor het eerst gepubliceerd in: Helikon, jrg. 3, nr. 7, juli 1933, p. 100. Ook in: Vw i, p. 115.
2526Du Perrons vrouw, in de akte genoemd ‘Dr. El. de Roos’, bracht aan: ‘een 4,5% obligatie à f 1000, - Nederlands 1917; een 4,5% obl. à f 1000, - Nederlandsch Oost Indië 1926 a; twee 4% obl. à f 1000, - Staatsspoor elfde serie van 1907; twee vorderingen’.
2527A.A.M. Stols aan E. du Perron, 4-5-1932 (coll. lm).
2528DP aan E.G. de Roos, 8-5-1932.
2529Coll. lm p 346 p(b); coll. mr. A.E. du Perron.