[p. 509]

Hoofdstuk 27
Strijdend voor 't leven

De windmolens van het burgerdom

In het eerste nummer van Critisch Bulletin verscheen van de hand van een zekere H. van Loon een overwegend positief oordeel over Du Perron:

‘Als een dag, blinkende van vorst na een kwakkelwinter is E. du Perron met proza en poëzie agressief de litteratuur binnengekomen. Van stonde af aan onderscheidde hij zich door een ongewilde, zij het opzettelijk schijnende toepassing van het anti-poëticon. Die aanvalszucht is meer dan de onvoldragen begeerte, de windmolens van het burgerdom te bestoken. Ze is er nochtans nog niet aan ontgroeid en als zoodanig de keerzijde eener hem kenmerkende, bekorende jeugd. Du Perron staat zijn man en durft dingen te zeggen, die anderer gemakzucht voorbij-ziet. Hij is een rebel, wiens vermetelheid de veer van zijn persoonlijkheid en schrijverswaarde is.’1941

Hoe was het intussen gesteld met het privé-leven van deze rebel? Na het afscheidsbezoek van zijn halfbroer Oscar, op 27 februari 1929, was er weer trammelant ontstaan op Gistoux. Du Perron vluchtte samen met Simone naar een nieuw Brussels adres, dat hij op 6 maart betrok: Anoulstraat 13 in het noorden van Elsene.1942 Hij ging veel om met de kroegmakkers Jan van Nijlen en Eef van Lidth de Jeude.1943 Rond deze tijd werd hij gewaarschuwd door Pascal Pia, dat deze samen met zijn compagnon Bonnel door de politie was ondervraagd over pornografische luxe-edities die zij in hun winkel hadden staan. Het was er de politie vooral om te doen de uitgever te achterhalen. Pia en Bonnel hadden zich van de domme gehouden, maar Bonnel had om ervan af te zijn Du Perrons naam en adres opgegeven, in de overtuiging dat de speurtocht bij de grens zou ophouden. Toch bracht Du Perron voor alle zekerheid een kist met boeken naar Jan en Aty Greshoff, die hij eerst had opgebeld om te vragen of het goed was. De kist werd geïnstalleerd in het onderhuis van de Schaarbeekse woning, waar Greshoff zijn donkere kamer had.1944 Vermoedelijk in maart of april 1929 kwam de Belgische justitie in actie: het parket van Nijvel deed een inval in het kasteel van Gistoux, bij afwezigheid van Eddy du Perron. Rijkswachters braken zijn koffers open en haalden zijn

[p. 510]

bibliotheek ondersteboven, maar de gezochte uitgaven kwamen niet boven water.1945

In de weergave van dit incident in Het land van herkomst zijn de heren met name op zoek naar het erotische romannetje Mademoiselle Javotte et ses cousines, dat was geschreven door Pierre Mac Orlan (1883-1970).1946 In het winkeltje van Viala (Pia's fictionele alter ego) en diens vennoot worden twintig exemplaren van het boekje aangetroffen, maar dit is nog geen bewijs dat zij het hadden laten drukken. De vennoot zegt dat hij tien exemplaren heeft overgenomen van de heer Arthur Ducroo, die woont te Grouhy. Ongeveer twee maanden nadat Viala Arthur Ducroo heeft gewaarschuwd, komt de inval op Grouhy. Moeder Ducroo houdt zich van de domme en vraagt de marechaussees: ‘Wie is die mademoiselle Javotte, heren? [...] Zij is nooit hier geweest.’ De heren antwoorden: ‘Neen, mevrouw, het gaat om Mademoiselle Javotte et ses Cousines.’ Moeder, met een benauwd stemmetje: ‘Mais je ne la connais pas, [...] ni elle ni ses cousines...’ ‘Neen, mevrouw, het is een boèk dat zo heet.’ ‘O, een boèk? Dan zult u het mijn zoon moeten vragen.’1947 De ochtend na de inval belden twee inspecteurs om negen uur aan bij de zoon, die nog onwetend was van de inval op Gistoux.1948 In Het land van herkomst wordt het optreden van het gezag in geuren en kleuren beschreven:

‘Zij kwamen het mij vragen in mijn slaapkamer, doorzochten mijn kasten en mijn schrijftafel, en gingen toen beleefd weer weg; zij hadden slagerstronies maar gedroegen zich naar het peil van hun korrekte overjas. Dezelfde middag kwam onze oude tuinman Osé Béro uit Grouhy met velerlei blijken van verwondering en schrik zijn rapport doen: onverwachts was hij door het hele parket van Namen overvallen, daar waren geweest de prokureur des konings, een rechter van instruktie, een griffier, een brigadier en twee gewone gendarmes, zij hadden naar mijn boeken gevraagd, zij hadden de boekenkast opengebroken en twee trommels ook nog, zij hadden al mijn boeken onderzocht en al mijn brieven gelezen, een gendarme stond beneden bij de telefoon, een andere voor het huis, maar de brigadier had bij het venster gestaan en de brieven helpen meelezen. Mijn moeder was woedend.’

Du Perron ging onmiddellijk naar Gistoux om de schade op te nemen. Hij had twee uur nodig om zijn boeken weer wat op orde te brengen en constateerde dat zelfs zijn moeders schrijftafel was geforceerd. Uit een gevoel van morele hygiëne verscheurde hij de brieven van Clairette, die ook

[p. 511]

waren onderzocht.1949 Vervolgens ging hij naar Nijvel, gehoorzamend aan een oproep van de rechter. Deze legde hem een paar brieven voor van Franz Hellens waaruit moest blijken dat hij zich met ‘edities’ bezighield. Hellens had echter gedoeld op de Cahiers van een lezer. Du Perron deed alsof hij van de prins geen kwaad wist. Hij diende een klacht in bij de Nederlandse gezant en liet door zijn advocaat een protest deponeren bij het parket van Nijvel.1950

Naar aanleiding van zijn klacht werd Du Perron opgeroepen en knorrig maar beleefd ondervraagd door de rechter van instructie. Na deze schijnvertoning kreeg hij de daaropvolgende dagen elke ochtend bezoek van telkens een andere politieagent in uniform, die hem vroeg wie hij in België kon opgeven voor inlichtingen omtrent zijn persoon, hoe lang hij al in België woonde en wat de voornamen van zijn vader waren en wanneer deze was gestorven. Du Perron ontving de heren steeds korzeliger. Uiteindelijk liep alles met een sisser af. Pia leverde de epiloog in de vorm van een vermakelijk nonsens-gedicht.1951 Dit was, na het proces tegen Marietje van Oordt, Du Perrons tweede ‘contact met de wet’. Het zou daar niet bij blijven.

The Castle of Indolence

Mevrouw Du Perron had zich in deze affaire kranig gedragen. Eddy verzoende zich met haar en keerde terug naar Gistoux.1952 In juli 1929 werkte hij Een voorbereiding om tot een roman in de derde persoon. Jan van Nijlen verwonderde zich erover dat Du Perron ‘in dit onwaarschijnlijk onrustig milieu’ kon werken: ‘Het is nochtans in die groteske en vaak vijandige atmosfeer dat hij onverstoorbaar heeft gewerkt, en veel gewerkt, ik kan het verzekeren.’1953 Van Nijlen kwam op 7 juli aan in Gistoux, als Du Perrons eerste zomergast. Vaak gebeurde het dat hij een wandeling wilde maken, maar dat Du Perron hem vroeg even te wachten, omdat hij nog iets moest noteren. Van Nijlen stopte dan een pijpje en observeerde hoe Du Perron uiterst geconcentreerd bezig was, soms een tiental minuten, soms wel een uur lang, ‘het hoofd rustend in de linkerhand, schijnbaar rustig, maar af en toe zenuwachtig bijtend op de nagels’.1954

Du Perron had zijn veertiendaagse reis door Nederland nauwelijks achter de rug, toen zijn literaire vrienden de een na de ander Gistoux wisten te vinden. Na Van Nijlen kwam Slauerhoff logeren. Hij bleef van 16 tot 23 juli en van 1 tot 23 augustus.1955 Zoals gezegd was Anthonie Don-

[p. 512]

ker ook op 16 juli aangekomen, maar Slauerhoff liet zich niet veel aan hem gelegen liggen. Verder verbleef in de zomer van 1929 de Belgische Georgette Barbé op Gistoux. Zij was een voormalige prostituee die door Slauerhoff op een van zijn scheepsreizen was gered uit de handen van slavenhandelaars en daarna een tijdje had gewerkt als naaistertje in Montparnasse. Slauerhoff had Du Perrons hulp ingeroepen, omdat hij Parijs te gevaarlijk vond voor haar. Al op 27 maart 1929 had Georgette een brief ontvangen van die vriendelijke meneer Du Perron en begin juni had zij haar entree gemaakt op Gistoux, als dienstmeisje van de kasteelvrouw. Op 3 juni schreef zij aan haar weldoener Slauerhoff: ‘Hier word ik heel goed behandeld. Ik eet bij hen aan tafel en zorg voor het jongetje van drie en leer hem Frans.’1956 Tijdens Donkers verblijf stelde Slauerhoff hem terloops voor Georgette Barbé ten behoeve van haar gezondheid mee te nemen naar Davos.1957 Donker ging er maar niet op in. Na enige tijd zou Georgette het kasteel in rep en roer brengen en naar Argentinië gaan, waar ze mogelijk toch is geëindigd als blanke slavin.1958

De eigenzinnige piraat had het aanvankelijk best naar zijn zin op Gistoux, dat hij ‘een ideaal zomerverblijf’ noemde en een ‘Castle of Indolence’.1959 Maar er werd ook behoorlijk gewerkt, vooral door zijn gastheer, die het hoog tijd vond om Slauerhoffs nog ongebundelde gedichten persklaar te maken. Slauerhoff was door zijn onmogelijke handschrift de wanhoop van uitgevers en tijdschriftredacteuren en slaagde er zelfs in onleesbaar te typen. Du Perron schreef alle gedichten van zijn vriend over in zijn gelijkmatige scherp-ronde handschrift. Waarschijnlijk stelde hij hem ook correcties voor en oefende hij invloed uit op de wijze waarop de verzen werden gerangschikt. Ook werkte hij aan Slauerhoffs Chinese verhalen en deed hij suggesties voor de transcriptie van Chinese namen. Op een gegeven moment voelde hij zich Slauerhoffs ‘copieermachine’.1960 Tegelijk corrigeerde hij ook manuscripten van Franz Hellens, waarin hij veel onnodigs schrapte.1961

Uiteindelijk was Slauerhoffs verblijf geen onverdeeld succes, zoals hij zelf ook schreef aan Jo Landheer: ‘Ook heb ik eenige ennui's gehad. Ook had de familie ze. Eigenlyk wordt het wat eentonig.’1962 De familie had onder andere ennuis gehad met een keukenmeid, die zich zodanig had tegoed gedaan aan de voorraad drank in de kelder, dat ze ‘drie dagen lang zo dronken als Silenus is geweest en alle kamers heeft volgekotst als Triton’.1963 Zij kon meteen haar biezen pakken. Maar ook Slauerhoff had zich door zijn gemelijke houding niet erg bemind gemaakt bij de kasteelvrouw. En die Greshoff, die haar altijd zo sceptisch aankeek door zijn uilenbril,

[p. 513]

kon haar óók gestolen worden. Nee, dan Jany, dat was pas een gentleman! Eddy had haar verteld dat hij zijn Bergense vriend enigszins somber had gevonden. Het was als knaagde er iets aan hem. Door dit verhaal bewogen, schreef mevrouw Du Perron onmiddellijk een brief aan haar gewaardeerde gast: zij had van Eddy gehoord ‘dat U niet was als gewoonlijk, verdrietig en afwezig bij momenten! - Wat scheelt er aan? Kom biecht eens op wat dààr in uw binnenste, U verteert? [...] Ik voel met de persoon mêe die leed heeft (zijnde spécialiste in het ontvangen van herhaaldelijk véél verdriet) en vooral stil leed - ik weet er van mêe te praten Jany, en kan daarom dikwijls nuttig zijn, om iemands smart en verdriet te helpen verlichten.’ Zij nodigde hem uit om naar Gistoux te komen en te blijven zolang als hij wilde, ‘en als Eddy U te veel verveelt met zijn onuitputtelijke verhalen dan neemt U een tapijtje met eenige kussens en ga dan vèr van het kasteel, aan de oever van het beekje in onzen tuin, onder de boomen liggen mijmeren en droomen over de vervlogen lieve tijden die voorbij zijn en nooit meer terugkomen, en over nieuwe die misschien nog in het verschiet zijn!’1964

 

Pas op 4 oktober 1929 zou Roland Holst naar Gistoux komen, waar een dag later ook Slauerhoff weer kwam opdagen. Holst was nog steeds niet helemaal over zijn depressie heen en weerde elke poging van Du Perron om de discussies van vorig jaar te hervatten vermoeid af: discussiëren was voor hem als teruglopen op een lange weg die men al zo dikwijls gelopen had.1965 Na twee weken Gistoux logeerde hij nog een weekje in Brussel bij Eef en Minnie van Lidth de Jeude. Hij was vooral gecharmeerd van het gezelschap van Minnies negentienjarige dochter Miek van Rijckevorsel, dus hij waagde een schriftelijke poging om haar te verleiden. Bij zijn vertrek naar het Zwitserse Ascona gaf hij Du Perron deze brief mee, met het verzoek als postillon d'amour te fungeren en Miek de brief te bezorgen. Du Perron kweet zich gewillig van deze taak, maar Miek nog niet thuis vindend, besprak hij met Minnie uitvoerig de gevoelens van zijn vriend.1966

Het Engelse avontuur

Zelf had Du Perron een verre van ideaal huwelijksleven. Volgens Aty Greshoff nam Simone Sechez ‘nooit de plaats in van de vrouw met wie hij getrouwd was’. Vóór zijn trouwen had Du Perron zich bij voorkeur afzijdig gehouden als er conflicten waren tussen Simone en zijn moeder.

[p. 514]

In feite had hij haar beschouwd als een Indische baboe en dienovereenkomstig behandeld.1967 Dat was ook de deftige Stols gewaargeworden, toen hij eens op een ochtend bij zijn auteur in Brussel was komen binnenlopen: deze lag toen nog in bed, samen met Simone én haar zuster Madeleine. Du Perron, in geen enkel opzicht gegeneerd, inviteerde Stols erbij te komen liggen, wat deze met een verwijzing naar het vroege uur afwees.1968 Maar door zijn huwelijk had Du Perron een groter gevoel van verantwoordelijkheid gekregen voor Simone en voor de zoon die hij had verwekt. Ook Simone zelf was veranderd: door haar ervaringen met het ‘gekkenhuis’ van Gistoux was zij minder lijdzaam geworden en beet zij vaker van zich af. Haar echtgenoot sprong meer dan vroeger voor haar in de bres als zij weer eens ruzie had met zijn moeder. Die had daaruit de conclusie getrokken: ‘Je houdt meer van haar dan je denkt; die vrouw heeft zo'n empire over je gekregen!’1969 Dit was geenszins het geval: tijdens de tragikomedie die zijn huwelijk was, hield hij toch een voortdurend verlangen naar de ‘Eene, onverschenene, ademloos gewacht’.1970

Op 4 september 1929 vertrokken Eddy en Simone du Perron naar Amsterdam, waar zij verbleven in Hotel Hollandais op het Leidseplein. In Hilversum werd Simone, die nog steeds met haar gezondheid sukkelde, uitvoerig onderzocht door Boudewijn van de Linde (1883-1945), de arts van Roland Holst.1971 Zij bleven ongeveer twee weken in Nederland. Bij terugkomst op Gistoux trof Du Perron bij zijn post een brief van de Oxfordse studente Frans, Evelyn Blackett (1907-1989), die hij op 14 september kort maar elegant had geantwoord op haar verzoek om haar Engelse vertaling te mogen publiceren van twee van zijn verhalende gedichten. Zij had die in het Frans gelezen en had de auteur dan ook in die taal aangeschreven. Zij signeerde met de Franse naam Eveline.1972 Haar tweede brief, van 19 september 1929, was eveneens in het Frans gesteld; nog steeds in de veronderstelling levend dat Du Perron een Hollands dichter was die schreef in het Frans, vroeg zij of hij zijn verzen ook had gebundeld en of er een Franse bloemlezing bestond van Hollandse dichters. Du Perron ging er even goed voor zitten om haar te antwoorden. Hij moest haar teleurstellen dat hij niet in het Frans schreef en hij vertelde iets over zichzelf. Hij verzocht haar hem nader te informeren over de recente Engelse dichtkunst en iets van haar eigen gedichten of proza toe te sturen. Het stond haar vrij haar brieven voortaan in het Engels te schrijven.1973

Deze brief leidde tot een hausse van epistels over en weer, die elkaar op den duur zelfs gingen kruisen, zodat Evelyn of Eddy zich geroepen voelde om op een en dezelfde dag nog een tweede brief te versturen voor de

[p. 515]

avondbestelling. De tweeëntwintigjarige Evelyn Blackett had Du Perron op 26 september spontaan en intelligent geschreven; zij kenschetste zichzelf als ‘Engelse tot op het bot’, maar ‘zeer geïnteresseerd in alles, behalve als zwarte melancholie op me neerdaalt, welk verschijnsel zich maar al te vaak herhaalt’. Verder bekende zij haar afkeer van de negentiende eeuw en haar voorkeur voor gezond verstand. Du Perrons interesse was gewekt en hij trok alle epistolaire registers open.

Op 30 september maakte hij haar duidelijk waar het voor hem in de literatuur op aankwam. Hij was een zuivere individualist die niets moest hebben van de ‘geaffecteerde maniertjes en aanstellerij’, die hij zo vaak terugvond bij de jonge Franse en Belgische schrijvers. Als om zijn standpunt te illustreren had hij haar enkele dagen tevoren een dichtbundel toegestuurd van de Brusselse modernist Géo Norge (1898-1990), Avenue du ciel, die deze hem nog geen halfjaar daarvoor had geschonken. Norges opdracht luidde: ‘Met vriendelijke gedachte, / beste meneer Du Perron - / “met de melken sleutel die de sterren opent”’. Du Perron had daaronder geschreven: ‘Aan U, Mejuffrouw, / deze sterren die voor mij desalniettemin / gesloten bleven - // E. du Perron // september 1929’.1974 Evelyn haakte er enthousiast op in met haar verzekering dat ook zíj sceptisch in het leven stond, dat zij zich even eenzaam en individualistisch voelde als Du Perron, maar tegelijk hield zij er een gezonde levensfilosofie op na, vandaar ook haar afkeer van die huilerige romantici.

 

Evelyn Blackett presenteerde zich als een jonge dame, die zich bewust was van haar literaire talent en haar intellectuele status. Zij was op 5 februari 1907 in Noord-Engeland geboren als dochter van een kruidenier. Van 1926 tot 1929 had zij aan de universiteit van Durham Frans gestudeerd, aan het St. Mary's College, waar ze in juni 1929 met ‘first class honours’ was geslaagd voor haar b.a. examen Frans. Dit stelde haar in staat om haar studie voort te zetten in het prestigieuze Oxford. Zij werd daar ingeschreven bij St. Hugh's College, dat in 1866 was begonnen als een studentenhuis, maar dat in 1926 bij koninklijk besluit was bevestigd in zijn status van college en dat alleen voor vrouwen toegankelijk was. Het nieuwe vrouwencollege bood Evelyn Blackett vele faciliteiten, maar zij woonde er niet. In oktober 1929 betrok zij ‘licensed lodgings’ buiten de muren van St. Hugh's, in 21 Warnborough Road, Oxford.1975 Uit haar brieven blijkt dat zij zich binnen korte tijd een plaats had weten te veroveren in het intellectuele bolwerk dat Oxford was. Zij publiceerde in Fritillary, het tijdschrift van de Oxfordse meisjesstudenten, zij hield voordrachten en werd zelfs

[p. 516]

begin oktober 1929 gevraagd om colleges over te nemen van een zieke ‘collega’. Vermoedelijk werd zij ingezet als tutor van undergraduate studenten. Door deze nieuwe verantwoordelijkheid moest Evelyn voorlopig afzien van haar plan om enkele dagen door te brengen bij vrienden in België. Dat was jammer, want nu miste ze haar kans om Du Perron te zien. Echter, geen nood, want er zou zich vast opnieuw een gelegenheid voordoen, ‘tenzij u sterft of ik sterf - of iets dergelijks’, zoals zij er met jeugdig fatalisme aan toevoegde.1976

Evelyn Blacketts stoïcijnse overgave aan het lot ging hand in hand met een positieve levensinstelling. Zij was van plan een roman te schrijven met de welluidende titel: Here, sirs, find music. Zoals zij de negentiende eeuw verafschuwde, zo had zij ook weinig op met het cynisme van de jongere generatie, zoals Aldous Huxley en Noël Coward. Bepaaldelijk decadente lieden! Du Perron moet al deze ontboezemingen van de Britse studente geamuseerd hebben gelezen. Er school grote oprechtheid in en een zekere vitaliteit, een drang naar het onbekende, maar ze sloeg ook wel gauw een morele toon aan. Was zij nu de ene naar wie hij altijd een sluimerend verlangen had behouden? Niet erg waarschijnlijk, het portretje dat zij hem had gestuurd en dat hij meteen doorstuurde aan Willink, zette hem nou niet meteen in vuur en vlam: ‘De oogen zijn aardig [...] de rest is problematisch.’1977

Ongetwijfeld heeft hij Blacketts brieven laten lezen aan zijn logés Roland Holst en Slauerhoff en hebben ze die van ironisch commentaar voorzien.1978 Maar Du Perron voelde zich ook aangenaam geprikkeld door de aandacht van de Engelse studente, die de sleur van zijn bestaan zo onverwachts doorbrak. Op haar brieven vol ingehouden suggestie schreef hij haar speels terug: ‘Ik waardeer uw filosofie die bestaat uit het naast elkaar plaatsen van de goede en de kwade kanten van het leven. Inderdaad, zo moet het mogelijk zijn een evenwicht te bereiken - moeilijk te bewaren, waarschijnlijk - maar toch een evenwicht. Ik verschil echter met u van mening waar het uw uitspraak betreft dat grown-up persons ought not to hug one another zoals ze af en toe doen, want van de zonnestralen die zo nu en dan “de grot waarin wij allen verblijven” binnenvallen, is dat toch een van de mooiste, vindt u niet?’1979

Voorts stelde Du Perron zich in zijn brieven een beetje op als een leermeester, zowel op literair als op menselijk vlak (die in zijn visie onverbrekelijk met elkaar waren verbonden). Zoals hij ook deed bij andere jonge auteurs, raadde hij haar aan zich te concentreren op haar schrijven en op wat zij echt te zeggen had. Maar Evelyn kwam telkens terug op het thema

[p. 517]

van de verhouding der seksen. Zij gaf voor de nodige ervaring te bezitten, want ze had al zeven verloofden gehad! Over de liefde bracht zij stellige opvattingen te berde, die volgens haar door en door ‘Brits’ waren. Voor ‘ons’ is liefde ‘niet slechts hartstocht, maar iets dat veel degelijker is - achting & respect & vriendschap - naast hartstocht. Ik geloof niet dat ik het al heb gevonden - want ik hoop, dat de “universele harmonie” mij iets heel compleets & erg verrukkelijks zal toestaan.’1980

Roland Holst zal ironisch een wenkbrauw hebben opgetrokken, maar Du Perron schreef steeds langere antwoordbrieven. Hij sloot foto's bij uit zijn Indische jeugd en zijn Europese jaren, die hij voorzag van speels commentaar. Hij was bijna dertig, een geschikt moment om de balans op te maken van zijn leven, met deze onbekende Engelse als klankbord. En de liefde, de ‘Liefde’, ach... daar denk je heel wat relativerender over als je dertig bent dan op je tweeëntwintigste. Misschien was vriendschap nog het meeste. Blacketts veronderstelling dat hij getrouwd was, kaatste hij terug als een quizvraag: ‘U denkt dat ik getrouwd ben? Aangenomen dat ik dat ben, zou u me dan kunnen vertellen wat voor soort vrouw is likely to be my wife? - Laat me uw antwoord weten, uw oordeel interesseert me; span u een beetje in. Ik voel me bijna in staat u uw zeven verloofden te beschrijven. (Dat doe ik wel een andere keer; begin met me een korte beschrijving van mijn vrouw te sturen.)’1981

 

Die zeven verloofden intrigeerden Du Perron: was Evelyn soms minder bleu dan ze zich voordeed? Gretig ging hij in op haar spontane uitnodiging naar Oxford te komen. Hij was nog nooit in Engeland geweest, en wie weet hoe dit avontuur zou uitpakken. Zou 24 november uitkomen? Hij waarschuwde Evelyn dat hij met zijn 1,66 m klein van postuur was en dik en dat zij zich niet te veel moest voorstellen van zijn kledij, hij bezat geen enkele smoking. Nu de ontmoeting angstig naderbij kwam, begon zij te doceren: in Engeland zijn de vrouwen nog maagd als ze trouwen. Zij had zojuist Adolphe gelezen en moest werkelijk niets hebben van die Franse ‘amour’, schraal substituut voor ‘onze’ luisterrijke ‘love’: ‘De Franse amour schijnt de mens te maken tot een slap, miserabel creatuur, terwijl “love” - onze Engelse liefde - je sterk maakt.’

Du Perron wilde dit wel toegeven - hij was trouwens geen Fransman - maar zeker was wel dat de Franse liefde uiteindelijk minder drama's tot gevolg had. Bovendien dacht hij dat er wel wat viel af te dingen op het beeld dat zij schetste van het seksuele leven van haar landgenoten. Volgens hem waren er veel Engelse mannen die thuis een vrouw hadden en

[p. 518]

een maîtresse op het continent, maar goed, het was veel interessanter om het straks te hebben over de uitzonderingen.1982 Onverhoeds en onbedoeld was Du Perron door de verdediging van zijn correspondente heen gebroken. Miss Blackett, niettegenstaande haar poging om rationeel te blijven, barstte uit in een soort lyrisch stream-of-consciousnessproza - er was geen houden meer aan:

‘Denk geen moment, dat ik een dom romantisch jong ding ben: dat ben ik niet. Alleen, ik weet het niet meer. Ik wil u alleen maar dicht bij me hebben - wat compleet verschrikkelijk is daar ik u nog nooit heb gezien - & het is te idioot voor woorden. Ik beoordeel mensen op hun “waarachtigheid” - & trek me van de rest niet veel aan. Ook ben ik bang, ik zou kunnen gaan & te grote verwachtingen koesteren - & dat terwijl u getrouwd bent. Dit alles is behoorlijk geschift - maar ik kan dit uiten omdat u er niet bij bent om me het schaamrood naar de kaken te jagen. Ik vind mezelf nogal oud - enorme hoop ervaring opgedaan in mijn tweeëntwintig jaar - zodat ik me het genot toesta om u precies te vertellen wat ik voel. God weet wat ik doen zal als ik u zie. Waarschijnlijk zullen we lachen - & dan - de hemel mag het weten. - Zijn we niet twee opgewekte idioten? De waarheid is, - het leven is zo'n vervloekte affaire dat je het niet kunt stellen zonder “waarachtigheid”. En hoewel mijn Britse geest me influistert dat ik gek ben om - verliefd te worden op - uw brieven (ziedaar! Dat is dat! - ook al hebt u daar weer wat op te zeggen) het plezier is te groot. Ik ben in tijden niet zo gelukkig geweest. [...] Ja, ik ben op weg om verliefd te worden op u. Goeie God! Naast de diepe genegenheid & vriendschap, naast het zo vertrouwde wederzijdse begrip. - God. God. God. Ik zou het met geen mogelijkheid kunnen uitspreken. Het zou te afschuwelijk zijn. - Ik heb u vanochtend verteld, dat ik gebogen over uw brieven werkelijk in snikken uitbarstte - &, mijn God, als u hier was geweest. Ik - u - zou heel die beestachtige verstikking hebben weggekust.’1983

Voordat deze ontboezeming Du Perron bereikte, had hij met Evelyn, evenals vorig jaar met Holst, van gedachten gewisseld over de verschillen tussen Engelse en Franse poëzie. Ook had hij speciaal voor haar een provisorische Franse vertaling gemaakt van zijn ‘Gebed bij de harde dood’, maar terwijl hij zijn brief nog niet af had, kwam op donderdagmiddag 24 oktober per luchtpost haar lyrische confessiebrief. 's Avonds nam Du Perron opnieuw de pen op, hij voelde zich geroepen open kaart te spelen:

[p. 519]

er was in zijn leven eigenlijk maar één vrouw geweest, ‘de Muze en de Madonna’; niet dat zij zo aardig was, maar hij was toen tweeëntwintig jaar en wilde niets liever dan zich opofferen. Zijn huidige huwelijk had hij gesloten om redenen die hij Evelyn nog wel zou vertellen, maar ook omdat hij niet meer in de ware liefde geloofde: ‘Op een gegeven moment - ruim een jaar geleden - zat ik vol zelfmedelijden te wachten op de Vriendin, de Ware - en omdat ik vond dat ik die eigenlijk nauwelijks verdiende en er een kans was van 9 op de 10 dat ik haar nooit zou ontmoeten, ben ik op een afschuwelijk moment in haar leven met dit meisje getrouwd, omdat dit huwelijk, voor haar, 1000 dingen zou veranderen. Voor mij heeft het niets veranderd.’ Als in vorige brieven waarschuwde hij Evelyn voor zijn vlezige voorkomen, maar zij moest niet zwaar tillen aan het feit dat hij getrouwd was. Hij was erg op haar gesteld ‘en ik zou u voor niets ter wereld verdriet willen doen’.1984

Du Perron had alle tijd om zorgvuldig zijn gedachten te formuleren, voor Evelyn Blackett lag dat anders: zij schreef haar brieven in de avond, na een volle dag op het college; zij smeet haar gedachten op het papier, in een snel, haast onleesbaar handschrift. Zij vond ‘Gebed bij de harde dood’ groots, zij vond Oxford artificieel, zij hunkerde naar al wat ‘waarachtig’ is: het liefste zou ze ergens ver weg gaan om daar net als een puppie ‘tuinen om te woelen, naar hartelust te dollen, stenen in zee te gooien - & te vergeten wat waardigheid is’. Maar ze was ook ‘een beetje bang’ voor Du Perron, ze zou hem nog wel zeggen waarom; het overspoelde haar allemaal: ‘Voor deze ene keer in mijn leven merk ik, dat ik een diepe achting & bewondering & liefde heb voor een man tot de hoeveelste macht - & een man die ik nooit heb ontmoet - & die me vertelt, dat hij “klein” is & “vet” & dat hij vieze gewoontes heeft! O, hemeltje. Ik moet erom lachen als de hel.’ Zij wilde Du Perron als hij het over de dood had moederlijk in haar armen sluiten en hem haar harmonie doen begrijpen.1985

Du Perron vond die passage over zijn ‘vieze gewoontes’ wel een beetje verontrustend, dus hij schreef haar meteen terug dat hij weliswaar een grondige kennis bezat van de Franse erotische literatuur, maar dat hij geen onanist was, ‘noch homoseksueel, noch een sadist, noch een masochist! [...] Ik ben alleen maar getrouwd. Dat is misschien nog het ergste, nietwaar?’ Hij kondigde aan dat hij rond 24 november zou komen en beloofde zich te zullen gedragen zoals zij dat wenste.1986

 

Na een in Brussel doorgebrachte dag liet Du Perron zich terugrijden naar Gistoux. Zijn chauffeur reed op volle snelheid door het donkere Zoniën-

[p. 520]

woud. Naast hem gezeten en starend in de lichtbundels op de weg kon Du Perron aan niets anders denken dan aan Evelyn, hij fantaseerde dat hij op eenzelfde soort weg reed in Engeland, háár tegemoet. Wel vreemd - als hij nu een ongeluk zou krijgen, zou zijn laatste gedachte zijn: Eveline!

Thuis wachtte hem een brief over literaire onderwerpen, die Evelyn twee dagen eerder had geschreven, ná haar confessiebrief, laat in de avond. Weer zette hij zich aan zijn schrijftafel, om haar te antwoorden op haar vragen over Joseph Conrad en Francis Bacon, maar algauw ging hij over op persoonlijke dingen, zoals de dood van zijn vader en de noodzaak het leven te nemen zoals het komt zonder jezelf al te hoge normen te stellen. Net als indertijd tegenover Julia, uitte hij zijn voorliefde voor de Italiaanse formule ti voglio bene (ik mag je graag) of ti voglio tanto bene (ik mag je héél graag). Enigszins in de trant van zijn brieven aan Julia schreef hij: ‘Zeg me dat u, wat er ook gebeurt, nog heel lang mijn vriendin zult blijven, dat u tot op zekere hoogte de grote Onbekende Vriendin zult blijven die je roept als je gaat sterven.’ Op zaterdag en zondag zette hij zijn epistolaire conversatie voort, geduldig, speels, licht provocerend: vraag maar raak, je hoeft je nergens voor te schamen!

De correspondentie ging nog enkele dagen door, op het ritme van de frequente postbestellingen. Evelyn drong erop aan dat Du Perron niet zou wachten tot later in november, maar nu kwam, zo gauw mogelijk. Zij verstrekte hem enige praktische informatie en sprak haar vertrouwen uit in hem en in de universele harmonie. Maar ook probeerde ze hem te prikkelen met de mededeling dat een van haar ex-verloofden na twee jaar zou terugkeren uit Bermuda en dat ze zich misschien opnieuw met hem zou verloven: ‘hij houdt van mij op een diepe & zuivere & loyale Engelse manier - & ik herinner me dat ik indertijd verschrikkelijk van hem hield’.1987 Evelyn Blackett beklemtoonde haar onafhankelijkheid, als Engelse vrouw, die de gelijke is van de man. Eddy had kennelijk alleen huisbakken Victoriaanse typjes gekend. Du Perron kondigde aan dat hij begin november in Oxford zou arriveren, maar hij bouwde al meteen een reserve in tegen een mogelijke teleurstelling. Als ‘het niet klikt’, zou hij zo gauw mogelijk weer vertrekken. Hij zou zo natuurlijk mogelijk doen en vroeg van haar hetzelfde.1988

Nog voor zijn vertrek, en zelfs zonder de relativerende aanwezigheid van Roland Holst, nam Du Perron al enige afstand tot deze weliswaar oprechte en intelligente, maar toch ook lichtelijk geëxalteerde vrouw, deze belezen suffragette die poseerde als een femme fatale. Hij nam nu resoluut het heft in handen en dicteerde Evelyn de gang van zaken: maandag-

[p. 521]

ochtend 4 november vertrekt hij uit Brussel, hij verwacht in Oxford te zijn om ongeveer kwart over zeven 's avonds. Hij wil haar graag buitenshuis ontmoeten en dan met haar wandelen of eten. Het belangrijkste is dat hij haar eindelijk ontmoet, na dit epistolaire schimmenspel dat al veel te lang heeft geduurd.1989

 

Quelle aventure! Ter voorbereiding op zijn Britse ontmoeting las Du Perron de befaamde roman Lady Chatterley's lover van D.H. Lawrence. Zijn vrienden verkneukelden zich. Gedurende de correspondentie had Du Perron delen van Evelyns brieven voorgelezen aan Jan en Aty Greshoff. Volgens Aty was hij ambivalent: hoewel hij zich enigszins voorbereidde op een mislukking, koesterde hij toch ook illusies. Jan en Aty overreedden hem om voor zijn vertrek een nieuw pak te kopen, want in Oxford ging men correct gekleed en zijn oude pak ‘had zijn beste dagen allang gehad’. Du Perron was het daarmee eens en kwam zich geheel in het nieuw gestoken aan de vooravond van zijn vertrek vertonen. Aty keek nog zijn koffertje na, waarin een kam en tandenborstel ontbraken. Zij gaf hem toen maar haar eigen kam.1990

Roland Holst, die al in Ascona was, werd nauwkeurig op de hoogte gehouden. Hij toonde zich opgelucht dat Du Perron onder Greshoffs leiding ‘eenige kleedingstukken kocht, want Eveline mag dan nog zoo geëmancipeerd zijn van het doorsnee-Engelsche meisje, maar een breede buikband zou haar toch in ontzetting [brengen] en tot overhaaste voortvluchtigheid nopen. Enkele met zorg gekozen dassen zouden ook veel goed kunnen doen. Zulks ware hem nog te telegrafeeren.’1991 Greshoff stelde Roland Holst meteen na het vertrek van Du Perron op de hoogte: ‘Wij zijn brandend nieuwsgierig naar het resultaat. Hij heeft gisteravond over niets anders gesproken. Dit aardig avontuur neemt een ontzettende plaats in in zijn leven. Hij is er heelemaal door opgefleurd. Hij is weer enthousiast en maakt weer plannen. Als het maar niet tegenvalt... Of liever ik ben er zeker van, dat de ontmoeting tegen moet vallen. Hij heeft er in zijn verbeelding zulk een subtiel element van gemaakt, dat de werkelijkheid daar altijd een teleurstelling zal brengen!’1992

 

Du Perron stak vanuit Calais het Kanaal over.1993 In het hotel waar hij op voorschrift van Evelyn behalve een slaapkamer ook een zitkamer had besteld, lag een lang epistel voor hem klaar, waaraan zij op vrijdag was begonnen. Zij legde hem even enkele Britse regels uit: omdat zij in ‘licensed lodgings’ woonde, moest zij 's avonds op zijn laatst om 11.15 uur weer

[p. 522]

thuis zijn. Zij kon er slechts tot 7.30 uur 's avonds mannen ontvangen en in Du Perrons zitkamer in het hotel konden zij voor hun goede fatsoen niet na het avondeten blijven, maar misschien konden ze de zitkamer gebruiken van een van haar kennissen. Eenvoudig was het allemaal niet, maar dit was Groot-Brittannië. Voorts maakte zij Du Perron het volgende duidelijk: ‘Je bent niet Brits, dierbare, & je bent - getrouwd. Ik ben nooit iemands “maîtresse” geweest - & zal dat nooit zijn - niet dat ik geloof dat het verkeerd is - alleen, mijn opvoeding heeft mij zekere begrippen van “le franc jeu” bijgebracht. - De jouwe zijn anders.’ Miss Blackett liet met grote omhaal van woorden weten dat voor haar als Britse vrouw een losse flirt onmogelijk was, maar dit was iets dat continentals nooit zouden begrijpen; o hoe haatte ze Du Perron, maar, voegde ze er haastig aan toe, misschien had ze de toon van zijn brieven niet altijd begrepen.

Nadat hij zich had opgeknapt, trok Du Perron zijn nieuwe pak aan en liep naar het adres van Evelyn, waar haar Franse vriendin Suzette Molino op dat moment piano speelde, de vierde prelude van Chopin. Evelyn kwam naar beneden, reeds in avondmantel gehuld, en ze liepen samen naar de zitkamer van de vriendin. Zij sprak er haar verwondering over uit dat Du Perron zo buitengewoon kalm bleef. Evelyn zag er veel knapper uit dan op haar foto, ‘mondain lieflijk’, klein en frêle. In de lelijke kamer, waar Du Perron op haar verzoek het licht doofde, ging Evelyn voor het haardvuur zitten en schurkte zich intiem aan tegen de vriend die had plaatsgenomen op de sofa. Zij onderhielden elkaar over hun leven, totdat Evelyn opnieuw het thema aansneed van de Franse ‘amour’ tegenover de Britse ‘love’. Waarschijnlijk verwachtte zij een liefdesverklaring, maar Du Perron kreeg de indruk dat zij hem nog steeds beschouwde als een continentale erotomaan. Omdat het al bijna elf uur was, gaf hij een signaal om op te breken. Op weg naar huis vertelde zij hem dat zij nog maagd was. Du Perron had wel door dat er weinig voor nodig was om haar te verleiden, maar die rol lag hem niet, speciaal niet met déze vrouw die hem te goed leek ‘voor een love-affair en passant’. Achteraf, in Het land van herkomst, zou hij schrijven dat hij er innerlijk meteen van overtuigd was ‘dat dit nooit de Ene zou zijn; er was zelfs een sfeer om haar die ik meteen als vijandig registreerde’. Maar in zijn rapportage aan Holst hield hij nog een slag om de arm: misschien zou er over enkele dagen méér blijken te zijn dan warme vriendschap.1994

Die verwachting werd al meteen de volgende dag tenietgedaan. Du Perron had om tien uur 's ochtends met Evelyn afgesproken; zij kwam met haar Franse vriendin, die zich tegen lunchtijd bescheiden terugtrok. Tij-

[p. 523]

dens de lunch uitte Evelyn haar ontevredenheid over het feit dat hij haar de avond tevoren niet op haar mond had gekust. Zij wilde nu precies weten wat hij van haar dacht, hij moest natuurlijk weten dat zij door en door Brits was. Het spelletje begon Du Perron te vervelen. Hij gaf zichzelf toch ook niet uit voor een Javaanse prins: hij was ‘gekomen voor een wezen en niet voor de vertegenwoordigster van een volk’. Gespannen als ze was, liet Evelyn zich gaan in steeds drastischer taal, zij vroeg Du Perron haar om vijf uur te komen halen, maar hij moest beloven haar dan wél op de mond te zoenen.1995

Du Perron werd er een beetje kregel van, maar toen hij op zijn hotelkamer de lange, in het Frans gestelde brief las die hij had meegekregen, werd hij ineens kwaad. Deze brief was in etappes ontstaan: eerst koketteert Evelyn met haar gevoelens voor haar ex-verloofde George, maar tegelijk geeft zij lucht aan de verschrikkelijke behoefte waarmee zij aan Du Perron denkt, aan zijn genegenheid, zijn lichamelijke aanwezigheid, aan - zijn liefde. Hij moet alleen één ding weten: zij is nog maagd. Wel heeft ze geslapen met diverse van haar ‘men friends’, maar er is toen niets essentieels gebeurd. Alleen heeft ze George een keer ‘geholpen’ en ze herinnert zich nog de ‘horror’ op zijn gezicht, ‘as he saw me hold up my hand all wet with a look of slow astonishment on my face’. Vorige avond had zij er nog een stuk bijgeschreven: dat ze Du Perron bijna had gevreesd, maar toen hij haar in zijn armen had genomen, was al die angst geweken en had ze een absoluut vertrouwen in hem; alleen, hij had haar gekust op haar ogen, terwijl zij zijn lippen wilde. Nogmaals beklemtoonde zij dat zij niet zijn maîtresse wilde zijn, maar ze moesten gewoon proberen elkaar te begrijpen en een nieuwe, sterk bevredigende vriendschap scheppen.1996

Du Perron had er schoon genoeg van. Hij ging meteen de straat op om die Engelse ‘allumeuse’ te vertellen wat hij van haar dacht. Bij haar huis gekomen was zij er echter niet of wendde zij voor er niet te zijn. Tot zijn verbazing overhandigde het dienstmeisje hem een briefje, dat Evelyn voor hem had achtergelaten.1997 Hierin had zij geschreven over een examen voor een Fellowship in Durham, dat zij binnenkort moest halen, dus zij wilde hun relatie opschorten tot Kerstmis. Zij kon het zich niet veroorloven om hem voor die tijd nog een keer te zien en vroeg zijn begrip daarvoor. Du Perron schreef haar een briefje terug dat hij, vermoeide meneer, nog steeds hoopte haar vandaag nog te zien. Als zij niet wilde, dan was daar niets aan te doen, maar ‘wat heeft het dan nog voor zin met wat dan ook door te gaan? Als u niet komt, zal ik het beter “begrepen” hebben dan ooit, en zal mijn vriendschap u nog een paar documenten bezorgen voor

[p. 524]

uw roman. (De brief van gisteravond en misschien nog een andere).’ Hij zou tot vijf uur in zijn hotel blijven.

Evelyn kwam niet opdagen. Du Perron bezorgde haar nog een briefje, dat hij tot half negen in zijn befaamde sitting-room op haar zou wachten, ‘[o]f schrijf me dat u niet komt’.1998 Miss Blackett liet echter niets meer van zich horen en Du Perron blies stoom af in een brief aan Roland Holst: zijn vriend had gelijk, toen hij gezegd had dat die Evelyn haar ‘temperament in inkt omzet’. Deze hele affaire had hem ‘wee en misselijk’ gemaakt, de enige positieve kant was dat het hem een goede kijk had gegeven ‘op een soort (Engelsche) vrouw’. Hij begreep D.H. Lawrence meteen veel beter! Hij zou nu naar Londen gaan zonder Evelyn verder te schrijven.1999 De volgende ochtend dacht hij daar anders over: via korte briefjes aan Evelyn Blackett en haar huisgenote Suzette Molino trachtte hij toch nog een laatste rendez-vous te bewerkstelligen - dat was ze hem alleen al uit kameraadschappelijke overwegingen verplicht. Suzette Molino schreef hem terug dat het allemaal geen zin had. Daar legde Du Perron zich ten slotte bij neer. Hij schreef een laatste groet aan Evelyn, om haar te bedanken voor de ‘Britse les’ die zij hem had geleerd en wenste haar succes met haar studie, haar sigaretten, haar vrienden ‘en alle andere stimulerende middelen en slaapmiddelen’.2000 Voor hem was het een voldongen zaak.

 

Op 7 november 1929 was Du Perron terug in Brussel, waar hij meteen rapport uitbracht aan Jan en Aty Greshoff: ‘Nee, dat was niets voor mij.’2001 Ook Roland Holst werd ingelicht over het avontuur van de Britse mislukking. Deze zag zich bevestigd in zijn oorspronkelijke analyse: ‘Aphrodite zal toch wel blijven weigeren uit een binnenzee van enkel inkt te verrijzen.’2002 Du Perron was er waarschijnlijk niet rouwig om dat er slechts inkt had gevloeid. Blij met de opgedane wijsheid gaf hij in zijn brief aan Holst toch even een tirade weg tegen ‘het heele jonge intellectueele Engeland’, dat hem leek te bestaan uit ‘demi-vierges en aftrekkers’. Ook de alomtegenwoordige Britse regels en mores stonden hem buitengewoon tegen. Engeland was ‘het bolwerk en de triomf van de Burgerij’.2003

Een nieuw elan

Evelyn Blackett schreef Du Perron in de loop van 1930 nog meermalen om te vertellen hoe zij nu in het leven stond en hem advies te vragen over seksuele zaken. Du Perron schreef haar telkens trouw terug, met een

[p. 525]

mengeling van minzame ernst en spot. Hij raadde haar aan zich zo gauw mogelijk te laten ontmaagden en feliciteerde haar hartelijk, toen de kogel eenmaal door de kerk was.2004 In augustus 1930 verbeeldde Evelyn zich weer sterk dat Du Perron de ware Jacob was. Deze maakte echter korte metten met elk spoortje hoop dat ze nog mocht koesteren. Op een gegeven moment stuurde hij haar een pakket met haar brieven, opdat zij hun correspondentie kon verwerken in haar roman Here, sirs, find music.2005 Die roman is nooit geschreven.

Greshoff had gelijk dat het Engelse avontuur Du Perron had opgefleurd. Ondanks het feit dat het niets was geworden, had hij een nieuw elan gekregen. Hij voelde zich bevestigd in zijn eigen persoonlijkheid en hervatte met verdubbelde ijver het schrijven aan zijn cahiers. Afleiding bracht de Poolse schilder Jarema, die in de derde week van november op Gistoux arriveerde. Du Perron reisde samen met Jarema naar Nederland, waar zij - voor de goedkoopte - logeerden bij Carel Willink. Het Oxfordse uitstapje had een behoorlijke aanslag gepleegd op Du Perrons beurs en hij wilde nog geld overhouden voor het bezoek aan Ascona dat hij Holst had beloofd. Willinks atelier werd een verzamelpunt voor de vrienden: Blijstra, Kelk, Slauerhoff. Mogelijk logeerde Du Perron ook enkele dagen bij Slauerhoff in Utrecht, waar deze een betrekking had aangenomen in de Universiteitskliniek voor huid- en geslachtsziekten.2006 In elk geval maakte hij op de kamer van Slauerhoff kennis met diens vriend Everard Bouws (1900-1978), die op dat moment scheepsbouwkundig expert was voor een groep buitenlandse assurantiemaatschappijen. Daarnaast was Bouws literair geïnteresseerd en had hij al eens met Slauerhoff gesproken over de mogelijkheid om een nieuw literair tijdschrift op te richten. Hij was bevriend met Doeke Zijlstra, directeur van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, waarvoor hij soms manuscripten beoordeelde.2007

Verder logeerde Du Perron enkele dagen in Den Haag bij Martinus (‘Pom’) Nijhoff. Hij liet zich over de Haagse dichter uit als de grootste figuur tussen de generatie van A. Roland Holst en de jongeren, en in cultuur-historisch opzicht van groter belang dan Holst: ‘meer een mijlpaal, of een keerpunt, in de geschiedenis onzer letteren’.2008 Nijhoff hielp Du Perrons letterkundige reputatie door hem een interview met G.H. 's-Gravesande te suggereren.2009 Het interview werd afgenomen op 4 december 1929, maar zou pas in het mei-nummer van Den Gulden Winckel verschijnen.2010 Du Perron en Nijhoff konden het op dat moment best met elkaar vinden. De praatzieke Indische jongen en de gepatenteerde roddelaar die Nijhoff was, hebben ongetwijfeld met veel plezier de hele Nederlandse literatuur de revue laten passeren.

[p. 526]

Een van de nieuwste verschijningen op het literaire toneel was de dichteres Mien Proost, die in de zomer van 1929 enig stof had doen opwaaien met haar vrijmoedige dichtbundel Het middelbaar onderwijs en andere gedichten. Voorin de bundel was een brief opgenomen van de zeventienjarige lyceïste aan Albert Kuyle, die haar in zijn antwoordbrief verwelkomde in de rijen der letterkundigen. In de soepel geschreven gedichten werd de draak gestoken met het schoolse onderwijs, zodat er in de bladen druk werd gespeculeerd wie toch de jeugdige auteur kon zijn van zulke rijpe verzen. G.H. 's-Gravesande slaagde erin een interview met de dichteres te verkrijgen, maar toen er een gemaskerd meisje op zijn bureau werd gebracht, had hij al spoedig door dat er sprake moest zijn van een grap. Omdat het meisje ook werkelijk weinig zinnigs te melden had, belde hij Nijhoff op, die meer van de zaak scheen te weten. Terwijl hij met Nijhoff sprak, hoorde hij een tweede stem door de telefoon: ‘Ik ook ken Mien Proost en ik ga met haar trouwen.’ Het was de stem van Du Perron. Ten slotte kreeg 's-Gravesande de bevestiging van zijn vermoedens dat Mien Proost geen meisje was, maar een man van zevenentwintig jaar, die Hans Klomp heette.2011 's-Gravesande vroeg Nijhoff en Du Perron voor Den Gulden Winckel hun licht te doen schijnen over deze literaire canard. De heren leefden zich uit: zij schetsten het profiel van Mien Proost als mislukt kunstenaar, leraar, katholiek, afgewezen minnaar en wraakzuchtige tobber, die vaag streefde naar het licht.2012

 

Du Perron deed er verstandig aan goede betrekkingen te onderhouden met Nijhoff. Deze maakte immers sinds 1926 deel uit van de redactie van De Gids, dus bij de deliberaties over de ingezonden kopij kon zijn stem van doorslaggevend belang zijn. Voorlopig had Du Perron niet te klagen over De Gids: sinds 1928 had het gerenommeerde tijdschrift al negen verzen van hem gepubliceerd en in januari 1930 zou het zijn verhaal ‘Het Drama van Huize-aan-Zee’ afdrukken. Ook in het jaarboek Erts van 1930 was Du Perron weer present, ditmaal met een sonnet, waaraan als motto een dichtregel van Nijhoff was toegevoegd. In dit sonnet werd de houding verbeeld die ‘wij’ zullen hebben als wij oud zijn.2013 Het is het inclusieve ‘wij’ van de dichter, die op zijn tachtigste nog steeds voor het leven zou strijden, maar met een milde glimlach:

[p. 527]
Leven is goed...
 
Leven is goed, ofschoon het dooden maakt.
 
(M. Nijhoff)
 
 
 
Leven is goed, - en zijn wij tachtig jaar,
 
wij doen geen afstand van ons duur verleden.
 
Koel is de schaduw van het leed geleden,
 
en zacht de glimlach om het oud misbaar.
 
 
 
Dàn eerst zij onze hemel glad en klaar:
 
achterom kijkend, niet vooruit, als heden;
 
ruggelings reizend, met onwilge schreden,
 
naar welke Zuidpool of welke Evenaar?
 
 
 
Wij gaan, wij gaan - maar met de minste spoed.
 
Profetedromen, stelsels en gebeden
 
waaiend om ons als wind om zuilen doet.
 
 
 
Strijdend voor 't Leven, listig en verwoed,
 
als onze vaadren met de draken streden,
 
zullen wij gaan. Maar langzaam. Voet voor voet.
[p. 528]
1941Van Loon, ‘Een glimlachend cynicus’.
1942Zie: Brieven i, p. 333 (5-3-1929 aan Gaston Burssens). Dat Simone met hem was meegegaan, blijkt uit zijn brief van 26-3-1929 aan Henri Mayer. Zie: Brieven i, p. 345.
1943Levensgenieter Van Lidth de Jeude was tot medio 1926 journalist geweest in Indië. DP gaf hem een exemplaar van Poging tot afstand met de toepasselijke opdracht: ‘Zoals men onder maanlicht gaat / En denkt aan alle blinkrevieren, / Zo zie ik bij uw vol Gelaat, / Veel Noilly-Prats en nòg meer Bieren.’ (23-11-1928, coll. J.M. van Rijckevorsel). DP zou zich door hem laten inspireren tot het sonnet ‘De bierpiraat’. Zie: Vw i, p. 111. Gesprek met J.M. van Rijckevorsel, Den Haag, 28-12-1993.
1944Zie: Aty Greshoff, Mijn herinneringen aan E. du Perron, p. 38-39. Zie ook: Brieven i, p. 396 n, waar ten onrechte wordt vermeld, dat Du Perron sinds maart 1929 niet meer over een appartement in Brussel beschikte en dat hij zijn boeken en paperassen ‘waarschijnlijk’ bij Van Nijlen had ondergebracht. In de paralleltekst Hlvh worden de boeken naar Graaflant gebracht, het fictioneel alter ego van Greshoff.
1945Zie: Brieven i, p. 370-371 (23-5-1929 aan N.A. Donkersloot).
1946In werkelijkheid heette het werkje Mademoiselle de Mustelle et ses amies. Zie: Hlvh 1996, p. 480 (toelichting in het Greshoff-exemplaar).
1947Vw iii, p. 407-408; Hlvh 1996, p. 329, 480, 847-848. In het commentaar bij de kritische leeseditie wordt dit incident gedateerd tussen juli 1927 en mei 1929. Blijkens Du Perrons brief van 23-5-1929 aan Anthonie Donker was de affaire ‘nog heel kort geleden’. Daarom suggereer ik voor de inval een datum in maart of april 1929 en voor Du Perrons klacht bij het parket van Nijvel een datum in mei 1929.
1948Zie: Brieven i, p. 371.
1949Vgl. Vw iii, p. 408; Hlvh 1996, p. 330.
1950Zie: Brieven i, p. 371.
1951Vgl. Vw iii, p. 408-412; Hlvh 1996, p. 330-333, 849 (prozavertaling van Pia's gedicht). Het parket van Nijvel is gefictionaliseerd tot dat van Namen.

1952Vgl. A. Roland Holst aan J. Greshoff, 13-4-1929 (coll. lm): ‘Ik hoor met genoegen, dat Eddie weer verzoend is met zijn moeder, en zelfs weer op Gistoux logeert.’
1953Van Nijlen, Herinneringen aan E. du Perron, p. 17-18.
1954Idem, p. 18. Ook Aty Greshoff bevestigt dit beeld van Du Perrons werklust: ‘Hij was zó vervuld van de literatuur, dat hij daarin als op een eiland woonde, waar alléén zijn vrienden en later zijn vrouw Bep, werden toegelaten.’ Zie: Aty Greshoff, Mijn herinneringen aan E. du Perron, p. 39.
1955Hazeu, Slauerhoff, p. 401. In de tussenliggende periode was hij teruggeroepen naar Nederland, waar zijn vader ernstig ziek was. Deze overleed op 25 juli.
1956Zie: Kelk, Leven van Slauerhoff, p. 77-78; Hazeu, Slauerhoff, p. 368-370.
1957Donker, ‘Voorronde van een vriendschap’, p. 669-670.
1958Hazeu, Slauerhoff, p. 370.
1959Prentbriefkaart aan Kelk, 20-7-1929; brief aan Jo Landheer, 19-8-1929 (coll. K. Lekkerkerker, Amsterdam).
1960Brieven i, p. 404 (12-8-1929 aan Jan van Nijlen).
1961Vgl. Hazeu, Slauerhoff, p. 405.
1962J. Slauerhoff aan Jo Landheer, 19-8-1929 (coll. K. Lekkerkerker, Amsterdam).
1963Brieven i, p. 402 (24-7-1929 aan Franz Hellens) en p. 477 (vertaling).
1964M.M.M. du Perron-Bédier de Prairie aan A. Roland Holst, 8-7-1929 (coll. lm).
1965Zie: Brieven i, p. 421 (18-10-1929 aan A.C. Willink).
1966Vgl. Van der Vegt, A. Roland Holst, p. 279-280.

1967Aty Greshoff, Mijn herinneringen aan E. du Perron, p. 47.
1968Gesprek van J.H.W. Veenstra met A.A.M. Stols, Den Helder, 23-9-1968. Madeleine Sechez trouwde met een zekere François Gossens (informatie van Gille du Perron, 20-1-1995).
1969Vgl. Aty Greshoff, Mijn herinneringen aan E. du Perron, p. 47-48; Vw iii, p. 488; Hlvh 1996, p. 394-395.
1970Vw iii, p. 489; Hlvh 1996, p. 395, 489 (toelichting in het Greshoff-exemplaar). Het citaat is van J.H. Leopold.
1971Zie: Brieven i, p. 409 (31-8-1929 aan F. Hellens) en p. 418 + n (2-10-1929 aan Jan van Nijlen).
1972Het betrof de ‘Achtste en Negende Dosis’ van ‘Voor de Famielje’, opgenomen in: Perkens, Bij gebrek aan ernst (1926), p. 118-120, en vertaald als ‘Petites histoires pour repas de famille’ in: Variétés. Revue mensuelle illustrée de l'esprit contemporain, année 1, no. 12, 15 avril 1929, p. 660-661. Zie ook: Spoor, ‘Het avontuur van de britse mislukking’; idem, ‘Evelyn Blackett's korte ontmoeting met de Nederlandse letteren’.
1973De briefwisseling tussen DP en Evelyn Blackett is in 1989 door haar zoon Eddy (!) Brown overgedragen aan Ronald Spoor en Paul Vincent, die Mrs. Brown-Blackett al in januari 1980 hadden opgespoord, en zal worden afgedrukt in deel x van de Brieven. Deze brief van DP, in antwoord op Blacketts brief van 19-9-1929, is foutief gedateerd op ‘lundi 22-10.29’; 23 september en 21 oktober 1929 vallen op een maandag. Blacketts antwoord werd geschreven op 26 september. Het ligt dus voor de hand dat deze brief van Du Perron gedateerd moet worden rond 22-9-1929.
1974‘En amicale pensée, / cher Monsieur Du Perron - / “avec la clé de lait qui ouvre les étoiles” // Géo Norge // avril 1929 /// A Vous, Mademoiselle, / ces étoiles qui me paraissent / fermées tout de même - // E. du Perron // septembre 1929’ (coll. E. Brown).
1975Spoor, ‘Het avontuur van de britse mislukking’, p. 123.
1976Evelyn Blackett aan E. du Perron, 5-10-1929.
1977Brieven i, p. 421 (11-10-1929 aan A.C. Willink). In de Brieven is deze brief gedateerd op vermoedelijk 18 oktober, maar DP schreef Evelyn Blackett al op 8 oktober om haar te bedanken voor haar foto. Roland Holst was op 4 oktober aangekomen op Gistoux.
1978Roland Holst bleef van 4 tot ± 18 oktober en logeerde daarna nog een week in Brussel, voordat hij doorreisde naar Ascona, waar hij op 27 oktober aankwam. Slauerhoff kwam op 5 oktober, maar bleef slechts een paar dagen.
1979Brief van 9-10-1929.
1980Brief van 12-10-1929.
1981Brief van 20-10-1929.
1982Brief van 21-10-1929.
1983Brief van 23-10-1929, 19h. Later op de avond (23h.) herstelt Evelyn zich en schrijft er een tweede brief overheen, die gaat over literaire thema's.
1984Brief van 24-10-1929.
1985Brief van 24-10-1929, 18h½.
1986Brief van 25-10-1929.
1987Brief van 27-10-1929.
1988Brief van 28-10-1929, 's nachts.
1989Brief van 31-10-1929.
1990Aty Greshoff, Mijn herinneringen aan E. du Perron, p. 53-54.
1991A. Roland Holst aan J. Greshoff, 2-11-1929 (coll. lm). Holst stuurde inderdaad nog een telegram. Zie: Brieven i, p. 429 (5-11-1929 aan A. Roland Holst).
1992J. Greshoff aan A. Roland Holst, 4-11-1929 (coll. lm).
1993Vgl. Vw iii, p. 491-492; Hlvh 1996, p. 397.
1994Vgl. Vw iii, p. 492-493; Hlvh 1996, p. 398-399; Brieven i, p. 428-429; brief van Evelyn Blackett aan E. du Perron van 5-11-1929. Blackett heeft het over ‘de vierde prelude van Chopin’, die zij voortaan ‘de prelude van Edward’ zou noemen. In de roman is dit geworden: ‘de pavane van Ravel’.
1995Vgl. Vw iii, p. 494; Hlvh 1996, p. 399.
1996Brief van 1, 2 en 5-11-1929. In Hlvh is het citaat over de natte hand gewijzigd: ‘...and there he was, looking in utter astonishment at my wet hand.’
1997Brief van 5-11-1929, 15h.
1998Twee briefjes van 5-11-1929.
1999Brieven i, p. 429-430.
2000Brief van 6-11-1929.
2001Aty Greshoff, Mijn herinneringen aan E. du Perron, p. 54-55.
2002A. Roland Holst aan J. Greshoff, 9-11-1929 (coll. lm).
2003Brieven i, p. 430-431 (8-11-1929 aan A. Roland Holst).

2004Brief van 22-3-1930.
2005Dankzij dit gebaar is de correspondentie wederzijds bewaard gebleven. Du Perrons laatste brief aan Evelyn Blackett was van 16-11-1930. Uit 1930 zijn er in totaal elf brieven van DP aan Evelyn Blackett bekend, maar haar brieven uit dat jaar, waarin zij expliciete vragen stelde over seksualiteit, zijn niet bewaard gebleven. Op 15 november 1932 trouwde zij met de politieman Harry Gilbert Brown, van wie zij later zou scheiden. Zij kregen twee kinderen, Charles en Eddy. Mrs. Brown-Blackett bewaarde haar correspondentie met DP in een schoenendoos onder haar bed, die na haar dood door zoon Eddy is aangetroffen.
2006Hazeu, Slauerhoff, p. 419.
2007Zie: Bw i, p. 475, aantekening 1.
2008Vriend of vijand, p. 143; Vw ii, p. 196.
2009Zie: Brieven ii, p. 171 (18-4-1930 aan W.A. Kramers).
2010Ook opgenomen in: Vriend of vijand, p. 137-147; Vw ii, p. 192-199.
2011Zie: Grootaers, Maskerade der muze, p. 239-240; Hans van Straten, ‘Van meneer Mien Proost tot Kameraad Pijlenboog’.
2012Red. Den Gulden Winckel, ‘De gemaskerde dichteres’.
2013‘Drie sonnetten’, in: Erts (1930), p. 67. Zonder Nijhoffs motto in: Vw i, p. 68. De vierde regel is veranderd in: ‘en zacht de wijsheid over 't oud misbaar’. De tweede strofe is helemaal gewijzigd: ‘Dan juist zij onze hemel glad en klaar, / een schoongewreven spiegel van dit heden, / lachend bij onze ruggelingse schreden, / naar welke zuidpool of welke evenaar?’