[p. 313]

V
Bij gebrek aan ernst
1923-1927

Hoofdstuk 18
Le jeune Européen

 
‘Voorgoed voortvluchtig te zijn,
 
ontsnapt aan alle milieus...’1171

Barnabooth

Impulsen voor een andere houding tegenover het bestaan kreeg Du Perron door de lectuur van A.O. Barnabooth. Son journal intime (1913) van Valery Larbaud (1881-1957).1172 Hij had het boek al in 1922 bij zijn boekhandelaar in Montmartre zien liggen, een wikkel eromheen met een wervende tekst over een jonge Zuid-Amerikaanse miljardair die dwars door Europa reizend zijn melancholie met zich meevoert. Ernaast ‘een grof portretje van een man met een panamahoed’ die wel iets weg had van hemzelf. De boekhandelaar deed niet erg enthousiast en Du Perron liet het boek liggen. Hij las het pas in juni 1923, tijdens zijn reis met Oscar Duboux. Hij ging nog een laatste maal naar Quinto, Oscar bleef in Florence. Later heeft Du Perron zijn kennismaking met Barnabooth gememoreerd:

‘J[acques] D[uboux] las het vóór mij, terwijl ik mijn dagen in Quinto doorbracht; op een avond vroeg ik hem hoe het was en hij antwoordde: - Ik zeg niets, je moet het zelf maar uitvinden. - Toen ik het begon te lezen, was ik na enkele bladzijden veroverd, ik slaakte vreugdekreten en J.D. zei bedaard en wijs: - Dat dàcht ik wel: je herkent er natuurlik
[p. 314]
jezelf in, en denkt dat het speciaal voor jou is geschreven. - Hoeveel foto's met panamahoeden heb ik daarna in Italië niet van mij laten maken!’1173

In deze herinnering treft vooral de identificatie van de jonge Du Perron met de auteur en met diens gefortuneerde romanpersonage Archibald Olson Barnabooth. De auteur Valery Larbaud kwam zelf uit een familie die bronnen van het bekende Vichywater bezat en schatrijk was geworden door de exploitatie daarvan. Larbauds vader was reeds in 1889 gestorven; bij het bereiken van zijn meerderjarigheid in 1902 werd van rechtswege besloten dat hij een jaarlijkse toelage van 400.000 Franse frank zou krijgen. Dit bedrag komt overeen met 200.000 gulden van die tijd: een gigantische som! Desalniettemin meende Larbaud dat zijn moeder hem in zijn vrijheid wilde beknotten. Hij ging morrend akkoord, maar zijn revolte en verlangen naar volledige vrijheid liggen mede ten grondslag aan de genese van de figuur Barnabooth in de eerste versie uit 1908.1174

In de latere versie A.O. Barnabooth. Son journal intime heeft de thematiek aan complexiteit gewonnen. Het thema van de vrijheid uit zich in Barnabooths (verlangen naar) onafhankelijkheid en zijn intellectuele reserve.1175 Barnabooths reislust komt niet alleen voort uit vrijheidsdrang, maar staat ook in dienst van zijn zoeken naar het absolute. Hij wenst tot alle prijs stagnatie en verstarring te voorkomen. Zijn reizen houdt verband met zijn streven naar een zelfverwezenlijking die aan alle gemakkelijke etikettering ontkomt. Hij heeft een soevereine minachting voor ‘middelmatige geesten, de enigen die alles op orde hebben, respectabel zijn, kortom de verpletterende Meerderheid, de Stem des Volks, de Normale Mens van de zenuwartsen, die geen hartstochten heeft dan degene die je behóórt te hebben [...].’1176 Maar deze libertijn heeft één diepe wens, namelijk om te trouwen. Hij is rusteloos op zoek naar ‘zijn vrouw’. Eerst verklaart hij zijn liefde aan Florrie Bailey, een meisje uit het volk, daarna maakt hij de mondaine Gertie Hansker het hof, maar uiteindelijk trouwt hij met zijn beschermelinge Concha Yarza, met wie hij terugkeert naar Zuid-Amerika, hun land van herkomst. Hij beseft dat het absolute onbereikbaar is, levert een deel van zijn vrijheid in en kiest voor het gewone leven.

 

Welke parallellen met zijn eigen leven herkende Du Perron in Barnabooth? In de eerste plaats heeft Barnabooth als zoon van een koloniaal land een ambivalente verhouding tot Europa. Hij wil er zich dolgraag thuis voelen, maar als het erop aankomt wordt hij afgewezen: ‘Ik ben een

[p. 315]

koloniaal. Europa wil mij niet; ik zal er nooit méér zijn dan een toerist. Ziedaar het geheim van mijn woede.’1177 Du Perron koesterde een vergelijkbaar complex: als op Java geboren Indische jongen voelde hij zich niet volledig geaccepteerd door de Europese samenleving met haar ondoorzichtige sociale rituelen. Hij was en bleef een buitenstaander.

Een tweede parallel met Barnabooth was het compromisloze streven naar zelfverwezenlijking, zonder dat er ‘slijtage van het gevoel’ optrad. Dit compromisloze streven werd mede mogelijk gemaakt doordat ze niet hoefden te werken. Barnabooth was gefortuneerd, Du Perron kreeg in Europa een ruime toelage van zijn vader. Een derde parallel was beider rusteloze zoektocht naar de Vrouw, wat Du Perron later ‘de Jacht op de Ene’ zou noemen. Het is op dit punt dat er een conflict optreedt met de zelfverwezenlijking: enerzijds hebben zowel Barnabooth als Du Perron de ene nodig om volledig mens te worden, anderzijds beperkt de vrouw in meerdere of mindere mate hun vrijheid. Barnabooth formuleert het zo: ‘Of hij wil of niet, de man die met een vrouw leeft, onderwerpt zich en wordt bezadigd. Tournier de Zamble, die al behoorlijk geleefd heeft, zei me eens: verhoudingen beginnen bij champagne en eindigen in kamille.’1178

Du Perron zal met een gevoel van herkenning de passage hebben gelezen waar Gertie Hansker wrevelig vaststelt dat Barnabooth geen avondkleding draagt. Barnabooths reactie is mild en bespiegelend: ‘Hoewel gespeend van morele vooroordelen, is zij dus toch de slavin van bepaalde omgangsvormen? In kleinigheden toch nog gehoorzaam! Het was niet meer dan een pijnlijk moment. Onmiddellijk brachten haar aanwezigheid, de warmte en de geur die zij bij zich droeg, het zoete verlangen terug.’1179 Niettemin slaat Barnabooth niet lang daarna op de vlucht voor zijn mondaine muze, na eerst een gedicht van vijf strofen voor haar te hebben geschreven, dat als volgt begint:

 
Je t'apporte toute mon âme:
 
Ma nullité, nonchalamment,
 
Mon maigre orgeuil, ma pauvre flamme,
 
Mon petit désenchantement.
 
 
 
Je sais que tu n'en es pas digne;
 
Mais suis-je digne d'être aimé?1180

Dat Du Perron in dit gedicht iets verwants heeft gevoeld, blijkt uit het feit dat hij er later een vertaling van maakte, die aldus begint:

[p. 316]
 
Ik breng je heel mijn ziel, zo tam,
 
mijn niets-zijn, zonder aarzeling,
 
mijn schrale trots, mijn poovre vlam,
 
mijn hele kleine ontgoocheling.
 
 
 
Ik weet je bent het geenszins waardig;
 
maar ben ik waard te zijn bemind?1181

In de vierde strofe van het gedicht wordt de betekenis van de mens gerelativeerd, hij die als een vreemdeling op aarde is, en het eindigt met een sceptisch slotakkoord:

 
Wij zien het leven zachtbestraald,
 
en toch, o hart zo roemgezind,
 
besef dat niemand naar ons taalt,
 
niet eens wijzelven, lieve kind.1182

De intellectuele reserve is een vierde parallel tussen Du Perron en Barnabooth. Maar bovenal was Du Perron aangetrokken tot de kosmopolitische en subversieve kanten van de ‘jeune Européen’: de jongeling die iedere vorm van conformisme afwijst en vooral niet ‘dupe’ wenst te worden. Na lezing van Barnabooth was Du Perron dan ook niet tevreden over het zijns inziens tamme slotdeel, waarin Barnabooth Europa vaarwel zegt en door te kiezen voor het huwelijk het avontuur achter zich laat. Het typeert Du Perrons fascinatie voor Barnabooth als kosmopoliet en luxereiziger zonder dwingende bindingen, dat hij dit vierde cahier ‘een beetje kleurloos’ vond.1183

In 1934 zou Du Perron Barnabooth kenschetsen als een boek ‘dat uit intelligentie, gevoel, kultuur en loisir werd opgebouwd’.1184 Deze aspecten van Larbauds werk, die tekenend waren voor het individualisme van vóór de Eerste Wereldoorlog, hebben voor Du Perron steeds meer belang gekregen. De Eddy du Perron van 1923 voelde zich echter vooral aangetrokken tot Barnabooths rebelse geest en zijn verzet tegen de bourgeoisie. Deze geest bewijst zich onder andere in zijn exploratie van het kwaad door het plegen van winkeldiefstallen. Barnabooth wilde op die manier, bij wijze van intellectueel experiment, zijn moed testen, maar hij zag ook onmiddellijk in dat het niet veel om het lijf had.1185

Toch werd Du Perron door dit voorbeeld geïnspireerd: ook hij pleegde

[p. 317]

enkele keren kleine winkeldiefstallen, om de kick die dit hem gaf en eigenlijk nog meer om een beetje te kunnen provoceren. Zowel Clairette Petrucci als Julia Duboux heeft hij op de proef willen stellen met zijn trotse bekentenis dat hij boeken stal. Op 9 juni 1923 schrijft hij Clairette uit Lausanne dat hij iets heeft ontvreemd uit een winkel: in Florence heeft hij bij Pineider op de Piazza della Signoria een fraai detail uit een reproductie van de Lente van Botticelli gestolen. Het kostte maar 2 lire 40, het was hem echter begonnen om de sensatie van de daad zelf: ‘En evenals Barnabooth word ik geenszins door wroeging geplaagd, maar vind ik het slechts kinderspel! - Ik vertel je dit, hoewel ik weet dat je het niet zult begrijpen. Je bent zo oppassend, lieftallige Clairette, meer dan ooit voordien, geloof ik’.1186

André Gide

Een literaire ontmoeting van zeker even groot belang was die met het werk van André Gide. Al in januari 1922 las Du Perron zijn eerste boekje van Gide. Volgens een herinnering in Cahiers van een lezer had een heer in een boekhandel in Biarritz zijn nieuwsgierigheid geprikkeld door zijn gemopper over Gides relatieve onbekendheid.1187 Du Perron wilde hem meteen lezen, maar ze hadden in de boekhandel alleen ‘de plakette over Wilde’.1188 Als betrekkelijk kenner van het werk van Wilde was hij niet onder de indruk. Gide liet zogenaamd Oscar Wilde aan het woord, maar het leek nergens naar: niets dan prozagedichten vol nodeloze herhalingen en maar weinig persoonlijks. Van een zo gerenommeerd schrijver had hij meer verwacht.1189 Maar daarna las hij Prétextes (1903), een belangrijke essaybundel waarin Gide zijn esthetische principes uiteenzet, en dat boek overtuigde hem wel.1190 In Nice kocht hij nog drie boeken van zijn nieuwe ontdekking: Paludes (1895, door Martinus Nijhoff vertaald als Moer), een satirische roman over het schrijven, waarin de auteur afrekent met het symbolistische standpunt dat hij tot dusverre had ingenomen, La porte étroite (‘De enge poort’, 1909), een novelle waarin de twee hoofdpersonen, Jérôme en Alissa, van elkaar gescheiden blijven ondanks de liefde die ze voor elkaar voelen, en ten slotte Isabelle (1911), een novelle waarin de liefde als bedrieglijke schijn wordt voorgesteld.

Hoewel hij niet alles begreep, had Du Perron snel door dat Gide een belangrijk auteur was. Hij liet Clairette meteen in zijn vreugde delen. Waarschijnlijk had ze hem geschreven dat deze - destijds nog zeer omstreden

[p. 318]

- auteur niet haar sympathie genoot. Du Perron probeerde haar over te halen Gide toch een kans te geven. Hij raadt haar La porte étroite aan: een magnifieke roman!1191 Paludes vindt hij vermakelijk, maar het is hem niet recht duidelijk waar het nu precies om gaat, terwijl Isabelle lijdt aan overbodige persoonsbeschrijvingen. Dit doet echter niets af aan het talent van de schrijver!

Het is niet onmogelijk dat Du Perron in deze periode ook Gides debuut Les cahiers d'André Walter (1891) heeft gelezen, waarin grote delen van Gides eigen dagboek zijn verwerkt. André Walter schrijft een roman, waarvan de lezer via zijn dagboek kennisneemt. De overeenkomst met Een voorbereiding. Zijnde de cahiers van Kristiaan Watteyn dringt zich op: ook Kristiaan vertelt in dagboekfragmenten en brieven over de roman ‘Een studie in buitenkant’ waaraan hij op dat moment werkt.1192 In Paludes (1895) heeft Gide deze techniek van de ‘inclusion oblique’ verder ontwikkeld door een anonieme verteller te laten optreden die Paludes schrijft, maar het boek is tegelijk het verhaal van Gide die Paludes schrijft; bovendien communiceren verteller en auteur met elkaar over het probleem van de persoon van de schrijver, zijn mate van vrijheid en de betekenis van zijn werk. Dit gebeurt vaak op vermakelijke wijze. Du Perron mocht nog niet veel begrijpen van de ingenieuze constructie van de roman, de humor erin kon hij wel waarderen. Paludes bevat ook een ‘acte gratuit’ ofwel ongemotiveerde daad: een van de optredende figuren (Tityre) slaat de ander (Coclès) een bloedneus, om uiting te geven aan zijn soevereine vrijheid. Deze daad is vergelijkbaar met Barnabooths besluit om zijn pas gekochte valiezen in de rivier de Arno te laten afdrijven: een soevereine geste die Du Perron bijzonder amuseerde, maar die zijn ouders het commentaar ontlokte dat de hoofdpersoon niet goed snik was.1193 Zowel Larbaud als Gide appelleerden aan de onrust in Du Perrons wezen, aan zijn verlangen naar vrijheid en mobiliteit, zijn drang om te ontkomen aan de beperkingen van zijn milieu, van elk milieu.

Maar het was ook de lyrische stijl van de vroege Gide waardoor hij zich voelde aangesproken. Systematisch lezer die hij was, heeft hij zowat alles gelezen wat hij van Gide te pakken kon krijgen. In 1924 kende hij in elk geval ook van hem: La tentative amoureuse ou le traité du vain désir (1893) - ‘De poging tot liefde of verhandeling over het vergeefse verlangen’.1194 Veel later, bij de bespreking van Gides verzameld werk, zou hij verklaren dat er ‘nooit méér poëzie in proza bereikt’ is dan in La tentative amoureuse en vele stukken van Le voyage d'Urien.1195 Het eerste werk deed hem denken ‘aan de sfeer van gedroomd geluk die Vigny's Maison du Berger tot een zo groot gedicht maakt’.1196

[p. 319]

In deze verdediging van Gide, tegen hem onwelgevallige Nederlandse critici, heeft Du Perron zijn genegenheid voor de vroege ‘uitsluitend-lyriese Gide’ niet onder stoelen of banken gestoken. Het verwijt dat Gide vaak wordt gemaakt van zijn gebrek aan zogenaamde ‘atmosfeer’, is een verwijt dat de hele Franse romankunst kon gelden: de Franse romans moeten het hebben van hun conceptie en geest, terwijl de Engelse romans superieur waren qua ‘atmosfeer’. Toch plaatst Du Perron hier een kanttekening bij:

‘[...] het is voor mij een zekerheid dat Gide's middelen tot overtuiging, ook in de roman, verre van cerebraal alleen zijn. De “atmosfeer” van sommige gedeelten van L'Immoraliste, van La Porte Etroite, van heel Isabelle lijkt mij - en zeker voor een Frans romancier - meer dan geslaagd; en ik word in dit gevoelen versterkt bij iedere herlezing van bijv. Amyntas, waar Gide het landschap weergeeft met een warmte, een hoog en intens gevoel, het zicht- en tastbaar maakt op een wijze, die door velen alleen bereikt werd bij het beschrijven van een geliefde vrouw.’1197

Zo formuleerde Du Perron het in 1929. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij Gide pas werkelijk gevonden door toedoen van Pascal Pia, in 1924.1198 Misschien hebben zij met elkaar over Gide gecorrespondeerd, want Du Perron zag Pia pas in november van dat jaar terug, na diens ontslag uit het militaire hospitaal in Laveran.1199 Toen hij in november 1924 twee weken in Parijs verbleef, had hij alle gelegenheid om met zijn vriend bij te praten. Misschien is Pia toen zijn gids geweest bij het doorgronden van ‘moeilijke’ romans als Paludes. In elk geval las Du Perron in oktober 1924 Les caves du Vatican (1914) en ook nu weer trachtte hij zijn enthousiasme voor de roman over te dragen op de vriendin met wie hij op dat moment correspondeerde: Julia Duboux. Hij hield haar voor dat sommige beschrijvingen in de roman die van Victor Hugo en Alexandre Dumas naar de kroon staken. Het vijfde deel, waarin Lafcadio ‘uit verveling’ een man doodt, ‘om wille van het gevoel dat dat geeft, verplaatst ons midden in Dostojefski, en het einde van het boek vertoont trouwens een treffende overeenkomst met het einde van Schuld en boete’.1200

Het etiket van immoreel schrijver, vriend van misdadigers en afvallig protestant, dat Gide zowel in Nederland als Frankrijk door sommige critici kreeg opgedrukt, had hij vooral te danken aan ‘immorele’ boeken als L'immoraliste (1902) en Les caves du Vatican. Het laatste boek, een combinatie van schelmenroman en ideeënroman, is bekend geworden

[p. 320]

door de acte gratuit van Lafcadio, zijn vermoorden van een willekeurig iemand, een ongemotiveerde handeling waarmee hij zijn vrijheid bewijst. Als de kranten over de moord schrijven, acht Lafcadio de benaming ‘misdadiger’ misplaatst, hij voelt zich veeleer een ‘avonturier’. Toch duurt deze euforie niet lang: de reacties van vrienden en bekenden die weten dat hij de dader is, maken dat hij de gevangene wordt van zijn acte gratuit en aarzelt tussen zich aangeven en zelfmoord plegen. Gide heeft in deze ‘sotternie’ op speelse, luchtige wijze het vraagstuk van de vrije wil behandeld, maar laat de conclusies over aan de lezer.

Du Perron las niet alleen Gides romans, al in februari 1922 bestudeerde hij ook diens essaybundel Prétextes. Deze bevatte onder andere Gides aanval op Maurice Barrès, die zich na zijn individualistische begin had ontwikkeld in de richting van een mystiek nationalisme en regionalisme. In zijn roman Les déracinés (1897) had Barrès de gevoelens van ontworteling beschreven van zeven jonge Lotharingers die hun geboortegrond hadden verlaten om zich in Parijs te vestigen. Gide daarentegen wees op de vreugde van het reizen, van het verliezen van bindingen, en hield een pleidooi voor ‘dépaysement (physique ou intellectuel)’ en ‘déracinement’.1201 Gides argument dat jonge boompjes juist sterker worden door ze enige malen te verplanten, heeft bekendheid verkregen. Het is niet moeilijk de positie te bepalen die Du Perron als ‘jeune Européen’ in deze kwestie innam: vóór individualisme en een bewust nagestreefde ontworteling, vóór vrijheid en een kosmopolitische instelling.

In Prétextes staat het essay ‘De l'influence en littérature’, waarin Gide het belang van de invloed verdedigt: ‘De invloed schept niets: hij maakt wakker.’ Volgens Gide plaatsen persoonlijke invloeden het individu veelal tegenover de gemeenschap en scheppen zij ‘als het ware een nieuwe familie, met zeer verspreide familieleden, gaaf van banden, gebaseerd op verwantschap’. Du Perrons activiteiten als schrijvende ‘jeune Européen’ kunnen in dit licht worden gezien: als schrijver plaatste hij zich tegenover maatschappij en gemeenschap, tegenover zijn familie ook, en knoopte hij nieuwe verwantschapsbanden aan met mensen die hem in zijn proces van zelfontdekking en zelfbevestiging wat te zeggen hadden of die op de een of andere manier zijn bondgenoot konden zijn. Het was daarom van levensbelang om de ene die hij zocht in dit bondgenootschap te betrekken.

 

Du Perrons behoefte aan literaire reflectie bepaalt zijn schrijverschap. Hij was dan ook naar Europa gekomen om dát ‘beroep’ uit te oefenen, en

[p. 321]

geen ander! Vooral in het begin van een literaire loopbaan, wanneer het schrijverschap nog veroverd moet worden, is de invloed van belang. Talrijk zijn Du Perrons verzekeringen dat hij hard aan het werk is: lezen, de ‘studie’, was óók werk. Zijn opvatting van het schrijverschap hield ook in dat hij geen geloof hechtte aan inspiratie. Hij schreef dit met zoveel woorden aan Julia Duboux: ‘Geloof je in de inspiratie? Ik niet; werkelijk niet.’1202 Vervolgens vertaalde hij voor haar een tekstfragment uit het begin van Een tussen vijf; het was een langere passage dan in de uiteindelijke publicatie in boekvorm. Het schrijfproces is op gang gebracht door het verhaal op te vatten als een kaartspel:

‘Dit is een kaartspel. Ik heb het gespeeld met patiencekaarten. Je kunt het alleen spelen, in een ligstoel, als je een klein beetje fantasie hebt. Je kunt veel variaties bedenken. Je hebt niet veel kaarten nodig; zeven kaarten volstaat. Te weten: een heer (schoppenheer), een vrouw (hartenvrouw), vier boeren en de joker. Om te beginnen heb ik zes van de zeven kaarten namen gegeven. De joker deed eigenlijk niet mee. De heer noemde ik Bob. De vrouw Betsy. De boeren Max, Maurice, Eric en Willy. De joker die bijna voor spek en bonen meedoet, heet in dit spel eenvoudig: de masseur.1203

Uit dit kleine voorbeeld blijkt Du Perrons nieuwgevonden literaire methode in die tijd, waar de invloed van Larbaud en Gide niet vreemd aan waren. Het verhaal is slechts een constructie, een spel dat diverse mogelijkheden in zich bergt, zoals ook de personages, bevrijd van naturalistische principes, allerlei kanten op kunnen gaan. Larbaud en Gide hebben Du Perrons schrijverschap een belangrijke impuls gegeven. De betekenis die Gide vanaf 1924 voor hem kreeg, blijkt ook uit het feit dat hij strooide met citaten uit het werk van de Franse meester.1204

Een cynische blik

Rond de tijd dat hij Larbauds werk leerde kennen, liep Du Perron ook warm voor Paul Morand (1888-1976), die meer nog dan Larbaud de lof zong van het kosmopolitisme. Deze schrijver-diplomaat probeerde de zich snel veranderende moderne wereld te vangen in een droge, trefzekere, elliptische stijl, met gebruikmaking van gewaagde metaforen, een snel ritme en nerveuze perspectiefwisselingen. Du Perron was zich er zeer van

[p. 322]

bewust dat de traditionele esthetiek niet meer in tel was in de dynamische tijd waarin hij leefde. Hij wilde ook met zijn tijd meegaan: ‘Wat ik meer en meer in de moderne geest en de moderne literatuur waardeer, is de afwezigheid van, de verachting voor elke sentimentaliteit, het vermogen om koel te constateren [...], om niet meer te kijken - zelfs niet zichzelf te bekijken - door erg mooie en erg bedrieglijke regenbogen.’1205

Een koele, cynische blik, vooral ten opzichte van seksualiteit en liefde, trof Du Perron aan in twee zeer van elkaar verschillende romans die hij las: Les civilisés (1905) van Claude Farrère (1876-1957) en Le diable au corps van Cocteaus vriend Raymond Radiguet (1903-1923).

Le diable au corps verscheen in maart 1923 en werd een opzienbarend succes. De jeugdige auteur stierf in december van hetzelfde jaar aan tyfus.1206 Deze roman, in het Nederlands getiteld Van de duivel bezeten, speelt in de tijd van de Eerste Wereldoorlog. François, de adolescente hoofdpersoon die het verhaal vertelt, knoopt in 1917 een seksuele relatie aan met Marthe, die slechts enkele jaren ouder is dan hij en die met hem een passie deelt voor literatuur. Marthes echtgenoot is als soldaat naar het front vertrokken en heeft haar Baudelaires Fleurs du mal verboden. Maar zij heeft een te avontuurlijke aard om zich iets aan te trekken van welk verbod dan ook en ze wordt hartstochtelijk verliefd op François. Deze speelt zijn rol zo koel mogelijk. Zo dwingt hij Marthe haar argwanende echtgenoot tedere brieven te schrijven, die híj dicteert. Tegelijkertijd is hij Marthe ontrouw met een Zweeds meisje en droomt van een leven van enkel zingenot. Als Marthe zwanger wordt, verlaat François haar. Er ontwikkelt zich een subtiele psychologische strijd tussen hen beiden, met nog een ontmoeting in een hotel. Zij sterft in het kraambed, en haar echtgenoot, die in de waan verkeert dat hij het kind tijdens zijn verlof heeft verwekt, ontfermt zich erover en voedt het op.

Op 23 april 1923, de roman is nauwelijks een maand uit, schrijft Du Perron aan Clairette dat hij Le diable au corps met bewondering heeft gelezen. Ook al is het boek in de mode en deed de aanprijzing van Jean Cocteau hem het ergste vrezen, hij kan niet anders dan zich gewonnen geven. Eind mei doet hij Clairette de roman cadeau, hij had er graag Les civilisés bij gedaan, maar heeft zijn exemplaar niet bij de hand. Du Perron heeft Les civilisés kort voor Le diable au corps gelezen.1207 De helden van Les civilisés waren een ‘nieuwe variant’ van zijn jeugdhelden: ‘[...] ik ontdekte toen de cyniese onverschilligheid na de parmantige onverschilligheid van de studenten en bohèmes’.1208 Meteen daarop gaat hij verder: ‘Barnabooth, dat in zekere zin Les Civilisés verdrong, was de eerste werkelike verfijning

[p. 323]

en korrektie, het “hogere peil” in deze lijn; Jean de Tinan en Le Petit Ami van Léautaud vervingen op dezelfde manier Dumas fils en Murger. Men verandert nooit zóveel...’1209

 

Du Perron heeft diverse malen beweerd dat Les civilisés de enige roman is van de zeevaarder-schrijver Farrère die met kop en schouders uitsteekt boven een verder middelmatige productie, maar hij heeft er nooit een beschouwing aan gewijd.1210 Vanwaar zijn enthousiasme voor deze roman, ondanks de traditionele stijl?1211 Het heeft veel te maken met het cynisme van de drie hoofdpersonen en de grote rol die de erotiek speelt in het verhaal. De roman is gesitueerd in Frans Indo-China en bevat in de beschrijving van de broeierige tropische atmosfeer veel herkenbaars, vooral voor een Indische jongen die zelf enige libertijnse ervaring had opgedaan. De drie in Saigon wonende vrienden, twee zeelieden en een dokter, hebben zichzelf uitgeroepen tot ‘les civilisés’: de beschaafden, terwijl in hun ogen de deugdzame, aangepaste mensen de eigenlijke ‘barbaren’ zijn.

Ongetwijfeld had Farrère een moralistische bedoeling met zijn roman, maar de uitspattingen van de drie vrienden zijn met wellust beschreven. Kortom, voer voor politiek correcte speurders naar de reflectie van het Oosten in westerse geschriften! Du Perron zal - in zijn chagrijn over zijn onbeantwoorde liefde - bepaalde cynische uitspraken hebben geapprecieerd, zoals deze van het personage Torral: ‘Ik heb het coëfficiënt liefde uit mijn vergelijking verwijderd [...]. Aan de andere kant, wat kost het een moeite, zelfs voor de meest beschaafde mens ter wereld, om de liefde te schrappen en het vrouwtje te behouden! Het eenvoudigste is de ene tegen de andere weg te schrappen. Dat heb ik gedaan.’1212 Torral is het prototype van de man die in de liefde vooral geen dupe wenst te worden. Pedro Creixams zag wel wat in de ongecompliceerde Torral, maar ook Eddy du Perron haalde hem met instemming aan in zijn eigen ‘liederlijke’ periode, die volgde op de epiloog met zijn muze en zijn madonna.1213 Hij had al lang genoeg als een heilig boontje geleefd!

De garçonnière

Op 17 juli 1923 werd de familie Du Perron officieel ingeschreven in de Belle-Vuestraat 3 als komende uit Bandoeng.1214 Eddy had bedongen dat hij een eigen ruimte zou krijgen waar hij onafhankelijk van zijn ouders, maar natuurlijk wel financieel door hen gesteund, zijn gang kon gaan. Het was

[p. 324]

een min of meer Indisch arrangement, want op het nieuwe adres werd het hoofdgebouw (een ruim herenhuis) betrokken door de ouders, pleegzusje Ina, de kokkie en ander personeel, terwijl Eddy een bijgebouw voor zich alleen kreeg toegewezen: de aan de straatzijde gelegen chauffeurswoning boven het koetshuis, terzijde van de oprit.

In juni begon hij er al aan te werken en rond de twintigste juni had hij zijn ‘garçonnière’ ofwel vrijgezellenwoning enigszins op orde. De woning bestond uit een ‘salon’ of woonkamer, een werkkamer die hij ‘bureau’ noemde en een slaapkamer, met daarboven nog een zolderruimte.1215 In de woonkamer had hij een aparte sfeer gecreëerd met een artistiek behang vol hevig gestileerde bomen en struiken die naar het abstracte neigden; aan de wand hingen reproducties, onder andere van ballerina's van Degas. Op de zolderkamer had hij enkele schilderijen van zijn Montmartre-vrienden opgehangen en in zijn werkkamer Creixams' portret van Cendrars. De woning werd ingericht met een knalrode sofa, een bidstoel, een grote tafel, twee kleine ronde tafeltjes, een secretaire en een grammofoon.1216

Op 23 juni 1923 was Clairette terug in Brussel. Had Eddy haar nog naar Quinto geschreven dat het leek alsof alle oprechte woorden tussen hen beiden pompeus, retorisch en ridicuul waren geworden en dat ze elkaar beter niet meer konden zien, toch maakte hij op 5 juli weer zijn opwachting bij haar.1217 Er moest kennelijk het een en ander uitgepraat worden, want twee dagen later bracht hij haar weer een bezoek. Daar bleef het voorlopig bij. Clairette bracht met een aantal vrienden van wisselende samenstelling veel tijd door in Belgische kustplaatsjes. De verhouding was over en weer nogal stroef geworden. Eddy voelde zich eenzaam, maar dwong zichzelf om niet opnieuw bij haar aan te bellen.1218 Clairette bracht hem een tegenbezoek in zijn vrijgezellenwoning - maar ze voelden zich geen van beiden gemakkelijk en melancholie overheerste.1219

Eddy's eenzaamheid werd geaccentueerd door bezoekjes van ‘vrienden’ die hem niets te zeggen hadden, en door een conflict met zijn vader dat tijdens de gezamenlijke maaltijden op de spits werd gedreven. Charles zweeg veertien dagen tegen zijn zoon en liep als een gekooide leeuw door zijn herenhuis. Met het klimmen der jaren was de ‘kwaaie Duup’ er niet gemakkelijker op geworden: bij de minste of geringste tegenspraak ontstak hij in woede. Tijdens een wandeling onderhield hij zijn zoon over diens huwelijkse vooruitzichten. Eddy liet het allemaal over zich heenkomen, met een kille verachting voor zijn gehate verwekker. Voorlopig weerhielden de tranen van zijn moeder hem om daadwerkelijk in zijn

[p. 325]

garçonnière te trekken. Brieven van Bernadette en Inès, twee meisjes die hij samen met Oscar in Florence had ontmoet, fleurden hem een beetje op, maar verder had hij nog steeds een kater van zijn verloren muze. Er waren andere kandidaten: Annie, Eugénie, Suzanne, Inès, Winnie Werner, maar nee, hij was niet verliefd op hen. En ook niet op Julia, hoewel hij haar hoog boven de anderen stelde, als ‘Heilige Beeltenis van de Beminnelijke Vrouw (in de oorspronkelijke zin des woords)’.1220

Uit deze lethargie werd onze getormenteerde held pas bevrijd door een lange logeerpartij van Pedro Creixams, die hem met zijn ongecompliceerde kijk op de dingen des levens in een andere stemming bracht.1221 Creixams wilde zijn verblijf ook gebruiken om te schilderen.1222 Een advertentie in Le Soir moest hem aan modellen helpen. Een van de dametjes die zich aandienden was de twintigjarige Luxemburgse Josette Filippi, die door Du Perron werd uitgeroepen tot zijn ‘femme-corps’. Hij vermande zich. Na al die vrijwillig aanvaarde kuisheid werd het hoog tijd voor een libertijnse exploratie van het Europese liefdesleven! Evenals Stendhal dat had gedaan in De l'amour, maakte Du Perron onderscheid tussen verschillende soorten liefdes, en voor de ene soort hoefde je de andere niet te laten. Zo promoveerde hij Josette Filippi tot zijn minnares.

In Het land van herkomst worden in het hoofdstuk ‘Jacht op de Ene’ enkele smakelijke anekdotes opgedist over zijn onderkoelde speelse omgang met ‘dit vulgaire wicht’. Zijn gevoelens houdt hij zorgvuldig buiten schot: hij mocht immers nooit meer ‘dupe’ worden.1223 Hij schreef Oscar Duboux in geuren en kleuren over zijn nieuwe ontdekking: ‘nogal charmant, niet al te ordinair zodat mij nog enkele illusies resteren [...] met een snaakse glimlach, regelmatige tanden, appetijtelijke armen, lange dunne vingers, een uitbundige en zeer Italiaanse haardos, blanke schouders en ronde, stevige borsten’. Tevens vertrouwde hij zijn vriend toe dat Julia daarentegen voor hem de ‘femme-âme’ representeerde, ‘als bron van strelingen voor mijn geest’.1224

 

Eddy's moeder bleef erg gesteld op Clairette: zij nodigde haar met haar moeder uit voor de avondmaaltijd. Eddy mocht de uitnodiging langsbrengen.1225 Na deze avond maakte Clairette een tiendaagse rondreis door Frankrijk. Terug in Brussel poseerde ze eind augustus voor Marcel Wolfers. Eddy volgde zijn eigen programma, hij liet zich in zijn jacht op avontuurtjes door geen enkele femme-âme meer weerhouden. Hij ontmoette een Bandoengs kennisje, de mollige en gezellige Lenie Aronds.1226 Samen met haar zette hij eens flink de bloemetjes buiten: ze gingen uit eten,

[p. 326]

maakten een reisje naar Nederland en lieten zich samen fotograferen, waarbij hij een vorsende blik in de camera wierp. Deze foto stuurde hij triomfantelijk aan Clairette, die hem in haar album plakte met het onderschrift ‘Eddy et un modèle’.1227 Maar hij liet Lenie ook gauw weer vallen. Schreef hij op 23 augustus 1923 nog aan Creixams, dat Lenie ‘zachter en begeerlijker’ was dan ooit, ‘mede als gevolg van de ambiance’, op 18 september meldde hij hem dat ‘de bladzijde “Lenie”’ in het boek, of beter ‘zakboekje’, van zijn leven voorgoed was omgedraaid. Maar de relatie met Josette werd met libertijns plezier voortgezet. Du Perron liet zijn vriend weten dat hij die avond onder het uitspreken van zijn naam een aanhalige kus zou plaatsen in het fraaie midden van Josettes navel. En hij citeerde een uitspraak van beider ‘vriend’ Torral waar hij helemaal achter kon staan: ‘De liefde, van het moment af dat zij ophoudt bronst te zijn, wordt een intellectuele bloedarmoede.’

Tegelijkertijd opereerde hij op het front van de ‘ziel’. Zo bezocht hij Clairette weer als vanouds, omdat hij het onbevredigend vond als hun relatie zo abrupt eindigde. Hij wilde haar ten minste als kameraad hervinden. Ook las hij haar op een avond zijn boek voor. Dat wil zeggen: hij heeft waarschijnlijk delen van zijn manuscript à l'improviste in het Frans vertaald.1228 Eindelijk kreeg Julia Duboux iets van hem te horen. Kennelijk had hij met haar gesproken over zijn hopeloze liefde voor Clairette Petrucci, want hij schrijft Julia dat haar ‘patiënt’ zich genezen voelt en dat hij werkt. Met een indirecte verwijzing naar Farrères roman beweert hij dat hij weer een beetje ‘barbaar’ zou willen worden - met andere woorden, hij wilde zich best enigszins schikken naar de eisen van de maatschappij.1229 Overigens voerde Du Perron op dat moment ook een briefwisseling met Julia's echtgenoot.1230 In de maand oktober bracht hij weer menig bezoek aan Clairette, volgens hemzelf met de oprechte bedoeling om hun vriendschap te herstellen.1231 Zijn moeder voorspelde dat Clairette uiteindelijk met Wolfers zou trouwen. De voormalige heer Pirouette was vaker dan ooit in de Elyzeese Veldenstraat te vinden en Clairette accepteerde een uitnodiging om bij zijn ouders te lunchen.1232

Medio oktober 1923 bracht Eddy een paar dagen met zijn ouders door in Parijs, in het vertrouwde Hôtel Montréal. Clairettes moeder, die op dat moment ook in Parijs was, had veel omgang met de heer en mevrouw Du Perron. In een brief aan haar dochter vertelde ze dat Eddy zich bijna altijd ophield met zijn kunstenaarsvrienden, en gelijk had hij, met zijn jeugd! Ze gaf hoog op van de Du Perrons, die de zon gingen opzoeken in Italië en daar iets stijlvols wilden kopen voor hun zoon. Vooral mevrouw Du

[p. 327]

Perron had grote indruk op haar gemaakt: ‘Ik kan me niet voorstellen hoe royaal deze mensen geld uitgeven en hoe genereus ze zijn. Mevrouw is van een goedheid die zich tot iedereen uitstrekt - wat ze op één dag aan aalmoezen weggeeft is ongelooflijk - zij verdient het om bekend te zijn. Ik had me haar zó genereus niet voorgesteld. Ik geloof dat ik geen rijke vrouw ken met dergelijk gevoel van medeleven - het is werkelijk roerend.’ Verder steekt zij haar dochter een hart onder de riem: ‘Ik hoop dat je je goed hebt vermaakt met Thérèse [vriendin van Clairette] en dat je het leven op jeugdige wijze zult gaan zien en niet door je te laten meeslepen zoals nu al een jaar lang het geval is.’1233

Eddy werkte zijn programma af. Hij bracht een avond door in het gezelschap van een beeldhouwer en diens zelfverzekerde vrouw (die hij negeerde), Pedro en Madeleine Creixams, en Pascal Pia, die vlak voor zijn dienstplicht zat.1234 De sceptische, intelligente Pia kwam hem nader te staan. Er werd gedanst op accordeonmuziek, maar hij deed er niet aan mee - evenmin als Pia trouwens -, want aan dansen had hij een broertje dood.1235 Hij bleef niet lang in Parijs. Terug in Brussel frequenteerde hij weer Clairettes cagibi. Hij vroeg haar of ze hem niet de avond van zijn vierentwintigste verjaardag, op 2 november, in zijn droefenis wilde vergezellen. De ochtend was bestemd voor Van Lennep, tante Toetie en achterneef Coco.

Clairette verscheen op zijn verjaardag, maar het werd een deceptie. Eddy schreef haar ironisch over haar geforceerde glimlach, die niet kon verhullen dat zij niets meer voor hem voelde. Evenmin durfde ze hem bekennen dat Wolfers haar hart had gewonnen. Eddy stelde vast dat ware vriendschap, zoals die tussen mannen kan bestaan, tussen hen niet mogelijk was. Ze moesten elkaar maar niet meer zien. ‘Al die inspanningen om een misschien allang overleden oprechtheid te doen herleven, laten we ermee ophouden, geloof me, dat is nog het minst pijnlijk!’ Verder sprak hij zijn hoop uit dat alles tussen Clairette en haar moeder in orde zou komen. Deze uitlating kan erop wijzen dat moeder Petrucci zich verzette tegen haar dochters keuze voor de dertien jaar oudere Wolfers.1236 Op vrijdag 30 november bracht Eddy du Perron zijn laatste theevisite van dat jaar bij zijn voormalige muze en op 4 december 1923 viel het doek: om half elf's ochtends trad Clairette in het huwelijk met Marcel Wolfers.

De jonggehuwden vertrokken nog dezelfde dag naar Parijs en reisden vervolgens door naar Florence, waar ze allerlei antiquairs afliepen voor de inrichting van hun huis. In februari 1924 vestigden zij zich in de Naamsestraat 74 te Brussel. Clairette Petrucci heette voortaan Claire Wolfers-

[p. 328]

Petrucci, ‘artiste peintre’. In september 1924 werd Janine geboren, haar eerste dochter. Mevrouw Du Perron kwam op 10 oktober het kindje bekijken. Een maand later gaf ook Eddy acte de présence.1237 Het was toen bijna een jaar geleden dat ze elkaar voor het laatst hadden gezien.

 

Zijn falen Clairettes hart te veroveren had verstrekkende gevolgen voor Du Perrons houding in het bestaan. Allereerst was er een duurzaam gevoel van vernedering, dat zich uitte in rancuneuze - en dus ook onrechtvaardige - notities over Clairettes karakter. Hij meende dat zij zo economisch met haar emoties omging, en in zijn bitterste ogenblikken na het echec van zijn liefde schreef hij haar ‘de ziel van een winkeldochter’ toe, ‘zonder enige spontaniteit, met altijd de vrees er iets bij in te schieten’.1238 Met deze formule bedoelde hij waarschijnlijk dat zij een kruideniersziel bezat, maar het is niet het beeld dat past bij een uiterst sociabel meisje als Clairette, die allang met haar hardleerse aanbidder had kunnen breken. Dat zij dit niet deed en zich op haar manier toch om hem bleef bekommeren, pleit voor haar.

Du Perron heeft zijn hartzeer omgezet in literatuur. De geschiedenis met Clairette duikt telkens weer op in zijn werk en altijd ten nadele van de verloren muze. Ook buiten de literatuur liet het thema hem niet los: bij volgende relaties was Clairette altijd weer het (negatieve) ijkpunt. In 1929 schreef Du Perron aan Evelyn Blackett dat zijn ‘Muze en Madonna’ bij al haar Italiaanse charme niet de geringste spontaniteit bezat.1239 Het zijn woorden, ingegeven door een rancune, evenredig aan de waan van de vergeefse aanbidder. Zij had de voorkeur moeten geven aan zijn kunstenaarsziel boven alle andere belangen, dan was alles goedgekomen. Pas in zijn relatie met Elisabeth de Roos heeft Du Perron Clairette definitief achter zich gelaten, maar niet dan na voor zichzelf te hebben genoteerd:

‘[...] als ik vanop eenige afstand mijn geval met Cl. bekijk, geef ik mijzelf gelijk. Ik was dwaas, onmogelijk, vnl. jong - maar volkomen bereid alles voor haar te doen; zij had een “âme de petite couturière”, zij ging economisch met zichzelf om, zij dorst dìt niet te riskeeren en dàt niet. Een vrouw die de treurige moed had mij te schrijven (na het verbreken v. haar 1e verloving): kom terug, “mais devenez donc le gentleman rêvé”. (Die gentleman sloeg op mijn kleedij!) En deze uiting niet toevallig, maar de samenvatting van al haar klachten; zij vroeg mij precies het eenige wat ik niet wou doen, voor haar minder juist dan voor ieder ander. (“Word een ander en ik zal van je houden”.)’1240
[p. 329]

In zijn huwelijk met Elisabeth de Roos is Du Perrons bitterheid langzamerhand weggeëbd. In Het land van herkomst is hij voor de laatste maal op de hele geschiedenis teruggekomen, maar nu met de nuance van de gegroeide afstand. Als hij zijn wrok vergat, leek hem de formule van ‘ziel van een winkeldochter’ te eenzijdig.1241 In zijn brieven aan Clairette heeft Du Perron zich diverse keren uitgelaten over haar natuurlijke goedheid. Het typeert Du Perrons koppigheid dat het zo lang heeft moeten duren eer hij inzag dat Clairette niet voor hem bestemd was. Maar de Indische jongen wiens instelling tegenover de Europese vrouw sterk bepaald was door literatuur uit de romantiek, leefde in zekere zin nog in een ander tijdperk. Clairette, die geen haast had om te trouwen, was veel meer kind van haar tijd: tijd waarin de vrouw haar onafhankelijkheid begon te bevestigen en de charleston danste op de tekst ‘De vrouw beveelt, de vrouw regeert, een wenk met de vinger, de man marcheert’.1242 Anderzijds kon zij ook niet ontkomen aan de eisen van haar milieu. De geschiedenis met Clairette Petrucci was Du Perrons werkelijke introductie tot het leven in Europa en tegelijk zijn éducation sentimentale op het amoureuze vlak. Zijn volgende relaties zou hij niet meer zo naïef, zo op voorhand ontwapend, aangaan. In de eerste jaren na het echec sloeg hij echter door naar de andere kant: hij werd nu geremd door het rolletje dat hij ging spelen als cynische ‘jeune Européen’.1243 Zijn autobiografische roman Het land van herkomst bevat deze zelfanalyse:

‘Er was één ding dat instinktief voor mij gold: nooit meer hetzelfde te verliezen wat ik bij Teresa had verloren. Dezelfde akteurs-ernst die mij zo superieur deed zijn in allerlei gemakkelike verhoudingen, kon mij ploertig maken tegenover betere vrouwen; ik werd dupe van mijn rol terwijl ik dacht heel sterk te zijn geworden; de vervalsing maakte mij onmachtig te doen wat ik eigenlik wilde, terwijl ik dacht juist heel goed te onderscheiden wat ik wilde en wat maar schijn was. Ik verwachtte in werkelikheid altijd de Ene, maar in de eerste jaren na Teresa werd ik door mijn rol geringeloord, zozeer was ik mij in mijn rol gaan bewonderen. Ik schreef een aantal schetsen waarin ik de jonge burger tegelijk ontmaskerde en als een soort held naar voren bracht: de satyrieke heldenverering van iemand die zich scheen te verontschuldigen dat het leven geen andere held opleverde dan deze.’1244

Ondanks alle cynisme van Du Perrons ‘modernistische’ tijd bleef het romantische absolutisme, met zijn heroïsche visie en zijn verlangen naar de ene, een grondtrek van zijn karakter.

1171Larbaud, A.O. Barnabooth. Dagboek van een miljardair, p. 138.

1172A.O. Barnabooth, een roman in de vorm van een gefingeerd dagboek, werd in 1913 met een aantal gedichten en het verhaal Le pauvre chemisier gepubliceerd als Barnabooths OEuvres complètes. Hieraan vooraf ging de bibliofiele uitgave van Poèmes par un riche amateur ou OEuvres françaises de M. Barnabooth (1908), die behalve een vijftigtal gedichten ook al Le pauvre chemisier bevatte en een biografische inleiding op Barnabooth door een zekere X.M. Tournier de Zamble, die de kiem vormt voor het ‘journal intime’.
1173In deze grootse tijd, p. 135; Vw v, p. 221.
1174Zie: Bernard Leuilliot, ‘Larbaud Valery’, in: Dictionnaire des lettres françaises. Le xxe siècle, p. 634-637.
1175De suggestie van Gide om het dagboek van Barnabooth de titel ‘journal d'un homme libre’ te geven heeft Larbaud naast zich neergelegd. Zie: Fokkema & Ibsch, Het Modernisme in de Europese letterkunde, p. 108.
1176Larbaud, A.O. Barnabooth. Dagboek van een miljardair, p. 15.
1177Idem, p. 20.
1178Idem, p. 78.
1179Idem, p. 153.
1180Larbaud, A.O. Barnabooth. Son journal intime, p. 169. Zie ook: A.O. Barnabooth. Dagboek van een miljardair, p. 163.
1181Vw i, p. 88. Dit gedicht werd voor het eerst afgedrukt in de verzamelbundel Parlando (1930).
1182Vgl.: ‘Nous pensons que la vie est bonne;/ Mais dis-toi bien, coeur triomphant, / Que nous n'intéresserons personne, / Pas même nous, ma chère enfant...’
1183DP aan Clairette Petrucci, 9-6-1923.
1184De smalle mens, p. 254; Vw ii, p. 700.
1185Zie: Larbaud, A.O. Barnabooth. Dagboek van een miljardair, p. 80; Douwe Fokkema & Elrud Ibsch, Het Modernisme in de Europese letterkunde, p. 113.
1186DP aan Clairette Petrucci, 9-6-1923.

1187Vriend of vijand, p. 107; Vw ii, p. 172-173.
1188André Gide, Oscar Wilde, in: L'Ermitage, 1903.
1189DP aan Clairette Petrucci, 30-1-1922.
1190DP aan Clairette Petrucci, 8-2-1922.
1191DP aan Clairette Petrucci, 22-2-1922. In zijn herinneringen is hij minder positief: ‘Het eerste vond ik prachtig, maar ongeveer als een Hollandse roman die sober en goed geschreven zou zijn [...].’ Zie: Vriend of vijand, p. 107; Vw ii, p. 173.
1192Fokkema en Ibsch wijzen erop dat Kristiaans ‘cahiers’ doen denken aan Edouards ‘carnets’ in Les faux-monnayeurs (‘De valsemunters’, 1926), een roman waarin een schrijver een roman voorbereidt met de titel ‘Les faux-monnayeurs’. Misschien heeft Du Perron zich in 1926 bij de bewerking en aanvulling van zijn manuscript mede door Les faux-monnayeurs laten inspireren, maar de eerste impuls kan zijn uitgegaan van Les cahiers d'André Walter. Vgl. Fokkema & Ibsch, Het Modernisme in de Europese letterkunde, p. 269.
1193In deze grootse tijd, p. 135; Vw v, p. 221.
1194Vgl. DP aan Julia Duboux, 16-8-1924.
1195Over André Gide, p. 10; Vw vi, p. 58.
1196Vigny's lange verhalende gedicht ‘La maison du berger’ (1844) is een evocatie van menselijke waarden in een tijd waarin de vooruitgang triomfen viert. De dichter biedt zijn geliefde ‘het huis van de schaapherder’ aan: een woonwagen waarin haar Liefde een schuilplaats kan vinden op hun reis door het leven.
1197Vgl. Vriend of vijand, p. 131-133; Vw ii, p. 188-189. Oorspronkelijk als ‘André Gide en de Hollandse kritiek’ verschenen in Den Gulden Winckel van november 1929.
1198Vriend of vijand, p. 107; Vw ii, p. 173.
1199Zie: DP aan Pedro Creixams, 27-10-1924. Pia had twaalf maanden in het militair hospitaal gelegen en was in oktober 1924 al terug in Parijs. Marchand (‘Essai de biographie’, p. 14) schrijft dat hij op 14 november 1924 afzwaaide. Waarschijnlijk was dit de officiële datum. Volgens Marchand was Pia in het ziekenhuis beland na een conflict met een adjudant, dat zo hoog opliep dat deze een fles op zijn hoofd in stukken sloeg. Du Perrons correspondentie met Pia kwam op gang nadat hij op 25-12-1923 diens adres aan Creixams had gevraagd.
1200DP aan Julia Duboux, 24-10-1924.
1201Zie: Fokkema, ‘Modernisme’, p. 119.
1202DP aan Julia Duboux, 22-8-1924.
1203In de boekuitgave is deze passage gekrompen tot: ‘En wat volgt is het spel (Kaart-, minne- of schimmespel) van Bob en Betsy, waarin Bob's vrienden meespelen. Zij heten Max, Maurits, Erik, Willie. En er is nog een zevende personage, de masseur.’ Zie: Perkens, Een tussen vijf, p. 7; enigszins gewijzigd in: Vw i, p. 323.
1204DP aan Julia Duboux, 6-1 en 4-4-1926.

1205DP aan Clairette Petrucci, vermoedelijk eind mei 1923.
1206N[athalie] L[imat]-L[etellier], ‘Radiguet’, in: Dictionnaire des lettres françaises. Le xxe siècle, p. 915-917.
1207Althans volgens zijn eigen verklaring dat hij Les civilisés op zijn drieëntwintigste las.
1208In deze grootse tijd, p. 164; Vw v, p. 260.
1209Deze voorstelling van zaken spoort niet geheel met de werkelijkheid. Er zat immers niet zoveel tijd tussen zijn lectuur van Les civilisés en van Barnabooth. Het is juister om te zeggen, dat beide romans appelleerden aan verschillende facetten van zijn persoonlijkheid dan dat Barnabooth met zijn hogere peil Les civilisés zou hebben verdrongen.
1210In een bespreking van een latere roman van Farrère schrijft hij, dat deze met zijn Civilisés ‘in die tijd Paul Morand in decadent cosmopolitisme vooruitliep’, maar waarin dit ‘decadent cosmopolitisme’ bestaat, vernemen we niet. Zie: Vw vi, p. 111 (oorspronkelijk in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 13-12-1933).
1211Vgl. idem, p. 110-111: ‘Hij toch is allerminst een modernist; zijn exotisme leek destijds wel hard en nieuw na het verdroomde muzikale proza van [...] Loti; maar Loti schrijft voor hem dan ook een proza zonder weerga, is een schrijver, dichter, denker, reiziger en persoonlijkheid zonder weerga, heeft als “meester” misschien één evenknie: de even prachtig frans schrijvende Pierre Louÿs [...]’.
1212Idem, p. 19.
1213DP aan Pedro Creixams, 18-9-1923.

1214C. Bittremieux aan J.H.W. Veenstra, 31-10-1972.
1215Vgl. DP aan Pedro Creixams, 10-11-1923.
1216Foto's coll. mr. A.E. du Perron; DP aan Pedro Creixams, 21-6-1923 en aan Clairette Petrucci, 18-7-1923.
1217DP aan Clairette Petrucci, 20-6-1923; agenda Clairette.
1218DP aan Clairette Petrucci, 18-7-1923. Hij deelt mee op zijn minst vier keer langs haar deur te zijn gelopen ‘zonder te durven veronderstellen dat je me wenste te zien, en als gevolg, zonder te durven aanbellen’.
1219Foto's coll. mr. A.E. du Perron. Eddy schrijft op 31 juli aan Clairette over de foto die hij van haar heeft gemaakt: ‘ik houd nogal van die half-sceptische, half-bedroefde glimlach’.
1220Vgl. DP aan Oscar Duboux, 27-6-1923.
1221Creixams komt op 28 juli aan en blijft tot minstens 7 augustus, wanneer hij meegaat naar Clairette. Vgl. DP aan Clairette Petrucci, 31-7-1923; agenda Clairette. Waarschijnlijk kocht Clairette bij deze gelegenheid een tekening van Creixams, die in 1991 nog in haar bezit was.
1222Waarschijnlijk hoort hier de anekdote thuis over het komische misverstand tussen Creixams en Du Perron sr., ‘sterk neurastenies reeds en voor beeldspraak noch humor vatbaar’. Zie: Vriend of vijand, p. 96; Vw ii, p. 165.
1223Vgl. Vw iii, p. 481-483; Hlvh 1996, p. 389-390, 488.
1224DP aan Oscar Duboux, 1-8-1923.
1225De uitnodiging was voor vrijdag 10 augustus. Briefje Du Perron en agenda Clairette.
1226Heleen Aronds kwam waarschijnlijk in 1917 naar Bandoeng, waar ze werd toegelaten tot de derde klas van de hbs. Samen met haar hartsvriendin Hetty Beijerinck en de meisjes Mac Gillavry en Kathy Pino ging zij in 1918 over van het derde naar het vierde jaar. Zie: Preanger-Bode, 25-4-1918.
1227DP aan Pedro Creixams, 23-8-1923 uit Den Haag. Foto's coll. mr. A.E. du Perron. Lenie Aronds is op de foto's herkend door haar vriendin Hetty Bruining-Beijerinck, die zich ook de verhouding wist te herinneren (gesprek met Nel Weke-Jansen, Den Haag, april 1994).
1228In de maand september is Du Perrons naam twaalf keer genoteerd in Clairettes agenda, op verschillende tijdstippen van de dag. Op 22 september leest hij zijn boek voor.
1229DP aan Julia Duboux, 16-9-1923.
1230Deze brieven zijn niet teruggevonden. Ook ontbreken verdere brieven aan Julia uit het jaar 1923, na die van 16 september.
1231DP aan Clairette Petrucci, 2-10-1923. In Clairettes agenda staat zijn naam tien keer genoteerd, waarvan tweemaal voor het diner.
1232Agenda Clairette. De lunch vindt plaats op 25 oktober. Op 27 oktober schrijft Clairette ‘Marcel part à Paris à 1h’.
1233C. Petrucci-Verwee aan Clairette Petrucci, ‘lundi soir’ (15-10-1923). Coll. mevr. C. Baeyens-Wolfers. Clairette had diverse vriendinnen met de naam Thérèse: Thérèse Lefebvre, Thérèse Salkin en Thérèse Zinguetti. Mogelijk gaat het hier om Thérèse Zinguetti, van wie het meest frequent sporen zijn terug te vinden in haar agenda's.
1234Pia diende van ca. oktober 1923 tot ca. oktober 1924. Zie: noot 29.
1235DP aan Clairette Petrucci, 12-10-1923. Vgl. Vw iii, p. 226; Hlvh 1996, p. 185: ‘en ik, die later nooit een europese dans heb willen leren’.
1236DP aan Clairette Petrucci, 7-11-1923.
1237Agenda Clairette Petrucci; Eddy komt op 10 november.
1238Vw iii, p. 478; Hlvh 1996, p. 386.
1239DP aan Evelyn Blackett, 23/24-10-1929.
1240Dagboeknotities van 23-11-1931 (coll. mr. A.E. du Perron).
1241Zie: Vw iii, p. 478; Hlvh 1996, p. 386: ‘maar soms denk ik weer dat ook deze formule te eenzijdig is’.
1242Zie: Lanoux, Paris 1925.
1243Vgl. dagboeknotities van 23-11-1931: ‘Bij Cl. werd ik geremd door het element “strijd”, bij Julia door mijn eigen “jeune Eur.”-comedie.’
1244Vw iii, p. 483; Hlvh 1996, p. 390-391.