[p. 780]

Panopticum

De beving der oude spellers

Minister Marchant heeft wel erg veel gemoederen in opschudding gebracht met zijn nog-niet-eens-al-te-vereenvoudigde spelling: een vloedgolf van ingezonden stukken heeft zelfs de dagbladpers ditmaal in gevaar van verdrinken gebracht. Alsof dit niet genoeg was, heeft de heer P.H. Ritter een ‘universele enquête’ ingesteld en de antwoorden daarop met opgewekte, om niet te zeggen ‘leuke’ inleidingkjes gepubliceerd. - Acht u de nieuwe spelling van belang voor het terrein waarop u zich beweegt? - ‘O ja! het kan allicht een béétje helpen verbergen dat onze schrijvers over het algemeen hun taal niet kennen.’ - Maar deze nieuwe spelling was helaas nog maar een kompromis, al scheen er eindelik een einde te zullen komen aan de voor iedereen mysterieus geworden verbuigings-n.

Mevrouw Boudier-Bakker leek door dit verlies wel het wreedst bedreigd; toch heeft zij ‘kort maar duidelik’ geantwoord. Zij acht de nieuwe spelling een groot nadeel voor de literatuur, want, zegt zij: Het wordt den schrijvers door het uitvallen van de naamvals-n onmogelijk gemaakt zich uit te drukken. - Dat het zó erg gesteld was met onze schrijvers (zelfs met die waarop mevr. Boudier het oog moet hebben) was ons onbekend, maar duideliker kan het inderdaad niet, en één remedie schijnt in het gegeven geval beter dan alle lapwerk: zou men Zijn Excellentie niet in overweging kunnen geven om schrijvers die zó hulpeloos blijken meteen pensioen te verlenen?

Mevr. Boudier meent verder dat de nieuwe spelling een indruk maakt van onbeschaafdheid en slordigheid; ik ben zo vrij haar dit tegen te spreken, behalve voor al de gevallen waarin de inhoud dank zij het nieuwe uiterlik door de mand valt. Daarom ook zou ik haar twee woorden willen vervangen door: onopgesmuktheid en kernachtigheid.

De heer Herman de Man levert dan de illustratie. Hij is werkelik al te geschrokken en ongerust over de toenemende ‘konfektie-intellektualiteit’ van ‘ Jan Rap en zijn maat’. Ik herinner mij een zeker stuk van hem tegen Marsman in De Nieuwe Eeuw, dat mij alléén bijgebleven is omdat Jan Rap het in persoon had kunnen ondertekenen. Maar men hoeft niet eens zover terug te gaan; het is genoeg als men de heer De Man hier over taal en spelling hoort zeggen: Zij zijn de fijnvingerende instrumenten van ons woord-vermogen, het edelste vermogen van den mensch. Men voelt dan op slag waarom de fijnvingerendheid van 's heren De Man's woordvermogen inderdaad alles te winnen heeft bij schaduwen en slierten, en waarom onopgesmuktheid en kernachtigheid hier alleen nog maar tegen de inhoud kunnen vloeken.

De heer Eduard Verkade, die geen auteur is maar toneeldirek-

[p. 781]

teur, acht de nieuwe spelling zelfs een groot gevaar voor het terrein waarop hij zich beweegt: men moet van toneelspelers op literair gebied inderdaad niet alles vergen. Maar bovendien maakt de heer Verkade zich bezorgd over toekomstige tekstuitgaven van 17e-eeuwse dichters, alsof hij die nooit eerder ‘vereenvoudigd’ had gezien, en hij drukt deze bezorgdheid uit in de volgende bewogen volzin: Zal men bij nieuwe uitgaven van Vondel bijv., een nieuwe spelling invoeren of zal de oorspronkelijke Nederlandsche taal en haar fraaiste uitingen, feitelijk een doode taal worden, vervangen door een nieuwe, hetgeen een extra leervak beteekent? Er zijn grenzen van wat ‘de geest’ kan toestaan aan een toneeldirekteur, vooral waar die zo graag zijn Shakespeariaanse verrukkingen belijdt en Vondel volstrekt in het 17e-eeuws wenst te genieten: deze altans zou zijn grammatika met een veel urgenter bezorgdheid kunnen raadplegen.

Voor het overige heeft men de elukubraties gelezen van mensen die de Bijbel van waarde vinden om de estetiek en volstrekt niet alleen om de intrinsieke waarheid van God's woord, van filologen die elkaar met meer of minder ‘pittigheid’ op de geweldige betekenis van ij's en sch's attent maakten, en van 70-jarigen die met veel gezond verstand overwogen dat zij die nieuwe spelling toch niet meer hoefden te gebruiken. En vreemd genoeg is het veel minder de taalkundige dan de psychologiese kant van al dit geschrijf, dat de aandacht verdient: dat de taal slechts uitdrukkingsmiddel is werd hier opvallend duidelik en bijgevolg dat zij bij ons dienst moet doen voor een onovertrefbaar aantal oude... spellers. De vloek van een nieuwe spelling - ook waar die nog maar een kompromis was - scheen eindelik over deze hoofden gekomen; wat een armoe om niet meer te kunnen schrijven: Den schoolvos kon de taaltuin haast niet meer bekoren.

Acht u den termijn van invoering (September a.s.) juist? vroeg Mr. Ritter nog, als met een eerbiedig knipoogje voor de minister. - ‘Hoe gauwer in dit geval een eind gemaakt wordt aan het konservatieve gewauwel, hoe aangenamer.’ - Maar de minister heeft gemeend zijn spelling met humor te moeten verdedigen, wat volkomen paste bij het karakter van de zaak, maar niet van het ras van Nederland, dat van humor gruwt bij alle niet speciaal vooruit afgesproken gelegenheden. En de nieuwe spelling - zo kompromis-achtig als zij was - dreigde te vallen. Men was al bezig zich af te vragen hoe De Vries en Te Winkel het ooit ‘gehaald’ hadden, toen de ministeriële werking toch de sterkste bleek te zijn. Wij hebben dus een spelling Marchant, met nog wat naschuimende sch's en onopgeruimde lijk-en. Als over 100 jaar ook deze uit de ‘taaltuin’ gewied zullen worden, zal het aan geschrokken oude spellers wederom niet ontbreken...

 

E.d.P.

[p. 782]

Over haarwater

Er was indertijd een jong dichter die Theun de Vries heette. Hij schreef verzen die een beetje vervelend knap aandeden, bij een wat verdacht ‘jonge’ inhoud. Maar de poëzie heeft werkelik bizondere voorrechten, en het sonnet Terugkeer was bijvoorbeeld voortreffelik. Bij de tweede bundel, De Vervreemding, begon deze poëzie er wat verdachter uit te zien; maar het bleef tenslotte... poëzie. Bij het dikke boek Rembrandt kon men precies merken wat er haperde, niet aan de poëzie, maar aan de poëet. Men zag Theun de Vries van leerling in de letteren meester worden, het procédé van de glanzende oppervlakte bij een armelike inhoud werd een dik boek lang in proza toegepast, inplaats van een dun plaketje vol in poëzie. Sindsdien is Theun de Vries echter ook menselik geëvolueerd: in het manifest dat hij opeens tegen de boze en verouderde bourgeois-kollega's schreef, scheen men iets te moeten horen van een proletaries bewustzijn, van een toekomstige revolutiekreet. (Ik heb er iets anders in gehoord, maar dit scheen dan toch de bedoeling te zijn.) Ik heb sindsdien tòch met enige spanning uitgezien naar Theun de Vries' Eroica. En hier is het, en het harde werken eraan is tenminste bewezen, want het telt over de 400 bladzijden in een betrekkelik kleine druk. Maar het andere bewijs is nu ook frappant: dit is de meest bourgeoise kunst van heel deze generatie; dit is in iedere wending en ieder akcent de kappersbediende van de bourgeoisie die zich een revolutionair held droomt; dit door-en-door verliteratuurde lor, dat alleen 4 maal meer lor kan zijn als het 4 maal dikker is dan iets anders, staat gelijk met een salonportret in gouden lijst van Trotsky door Antoon van Welie. Of, om verdere argumenten te verlaten voor één wiskunstig zuiver beeld: als dit boek geweten hebben kon en zijn juiste vorm kon aannemen, veranderde het op slag in een fles haar-water, genaamd Muguet de Révolution.

Wij worden wèl gestraft, wij allen die zo geroepen hebben om de ònhollandse, ònburgerlike, ònfamiliale roman. Jan Lubbes heeft zijn spieren opgezet en op zijn manier het parool verstaan: in Ot-en-Sien- en gewapend-beton-stijl, en zonodig na bestudering van allerlei buitenlandse dokumentatie, komt de nieuwe literatuur nu over ons los, en het hele verschil met het buitenland is, dat een Dekobra daar tenminste weet wat hij doet en vertegenwoordigt, terwijl een Theun de Vries pijnlik ongerust moet zijn wanneer men hem niet rekent tot de grote kreatieve geesten.

 

E.d.P.

André Gide en de Jordaan

De uiterlijke omstandigheden, waaronder men een boek leest, kunnen van invloed zijn op de waarde, die het boek onder het lezen krijgt. Ik las Gide's onafhankelijke bekentenissen Pages de Journal,

[p. 783]

gedurende het oproer in de Jordaan; en het kwam mij voor, dat de spanning van het eene zich telkens meedeelde (of verwarde) met die van het andere. Waarom? Het was wellicht in de eerste plaats een reactie op de krantenverslagen van deze ‘relletjes’, die zulk een confusie tot stand hielp brengen. Er is in den toon van een krant, die een oproer beschrijft, iets zoo aanmatigends en zelfvoldaans, dat men onwillekeurig iedere poging tot zuivere afrekening met sociale problemen met een ander oog gaat waarnemen. Zonder dat men zelfs een spoor van twijfel aan de gemotiveerdheid dier termen kan ontdekken, hoort men de heeren verslaggevers (soms met het accent van den dierbaren ernst, dan weer in den stijl van het kalme divertissement) met de blanke vulpen inhakken op het ‘gepeupel’, de ‘oproerkraaiers’, de tot een scholastiek begrip zonder eenige aanschouwelijkheid verworden ‘opgeschoten jongens’, de ‘herriemakers’ en de ‘raddraaiers’; dat ik ditmaal tevergeefs gezocht heb naar het klassieke ‘janhagel’ en het oud-hollandsche ‘grauw’ (voor de geur van het woord zou men het ten believe van pater van Ginneken c.s nog gaarne ‘graauw’ spellen), is waarschijnlijk te wijten aan mijn onvolledige documentatie. Wat deze terminologie zoo buitensporig ongenietelijk maakt (de positieve tegenprestatie leest men in diezelfde bladen bij koninklijke sterfgevallen en begrafenissen), is niet het feit, dat hier een bepaalde partij met bepaalde belangen aan het woord is, maar het gemis aan inzicht in het volslagen ridicule van dergelijke journalistieke vonnissen over individuen, wier beweegredenen men blijkbaar als God zelf meent te mogen herleiden tot onaanzienlijk gewroet in het duister. Over de noodzakelijkheid van krachtmetingen tusschen de populatie van een stadswijk en de politie kan men van meening verschillen; over de abjecte bourgeois-satisfait-moraal van dezen krantenstijl is tusschen behoorlijke menschen meenings-verschil onmogelijk. Het moet ook voor z.g. burgerlijke bladen doenlijk zijn van zulke gebeurtenissen een reportage (en zelfs een zeer leesbare reportage!) te geven, die vrij is van dit abominabel jargon.

Het gemis aan fantasie, aan intuïtie, aan goeden smaak, dat uit de verslagen van ‘relletjes’ spreekt, kan men herleiden tot de algemeene verstarring, waartoe een collectieve moraal het schrijvende kuddedier journalist weet te brengen; de geringste notie van de relativiteit der heerschende opvattingen ontbreekt dit wezen, en als zoodanig is het dus ook weer akelig onschuldig, wat zijn terminologie betreft. ‘Il y a beaucoup de sottise, beaucoup d'ignorance, beaucoup d'entêtement dans leurs dénis; et aussi quelque défaut d'imagination qui les retient de croire que l'humanité puisse changer, qu'une société puisse se former sur des bases différentes de celles qu'ils ont toujours connues (alors même qu'ils les déplorent), que l'avenir puisse ne pas être une reprise et une reproduction du passé,’ zegt Gide van de fransche intellectueelen; met ietwat minder gematigdheid zou men

[p. 784]

hetzelfde van onze reporters kunnen zeggen. Ik ben er van overtuigd, dat het voor alles de afkeer van dit soort gemoedelijke, machinale verstarring was, die Gide naar het communisme dreef; juist de machinale gemoedelijkheid is het, die onverbiddelijk de ongeneeslijkheid dezer menschen bewijst; want gemoedelijk is men alleen, als men zich van de aanwezigheid van een probleem zelfs niet bewust is en zich dus in de rol van moralist niets anders dan sportsman voelt. Gide's dagboek treft mij voor alles als een protest tegen de tot sport verworden Europeesche moraal der bourgeoisie (zie, wat hij over den ‘sportsman’ Barres schrijft!).

Het ‘communisme’ van André Gide moet overigens, dunkt mij, voor geloovige communistische auteurs als Ilja Ehrenburg toch wel iets zeer dilettantisch hebben. Immers waar de nederlandsche pers over ‘gepeupel’ schrijft, daar heeft Ehrenburg (in de fransche vertaling van zijn boek tegen de heeren Mauriac, Duhamel c.s., Vus par un Ecrivain d'U.R.S.S.) het over ‘ouvriers’ met precies hetzelfde eerbiedige accent, dat ten onzent bij de koninklijke sterfgevallen gebruikelijk is; ‘les ouvriers (d'U.R.S.S.) savent honorer Shakespeare, Goethe et Pouchkine’, zegt de heer Ehrenburg van het nu sacrosancte ‘janhagel’, en wij zien den stralenden lach van den nieuwen bourgeois satisfait om zijn lippen. Omstreeks den tijd, dat deze vereerders van Shakespeare etc. ook in West-Europa de tegen hen op touw gezette ‘relletjes’ zullen onderdrukken, zal toch misschien André Gide weer onder het nieuwe ‘gepeupel’ zijn; want iemand, die volhoudt: ‘je reste individualiste convaincu’, komt onder alle omstandigheden gemakkelijk terecht onder het ‘grauw’. Niet als de dichters, met het martelaarsgezicht van Geerten Gossaert, maar zonder erg, zonder voorkeur, met den ingeschapen afkeer van orthodoxie op elk gebied.

 

M.t.B.