[p. 581]

De Menselike Staat bij Kookpunt

André Malraux, La Condition Humaine.
(Librairie Gallimard, Parijs 1933.)

De bespreking van dit boek betekent voor mij, behalve een bizondere vreugde, een bizondere moeilijkheid. Ik heb zo koppig geprotesteerd tegen allerlei literaire verschijnselen van de derde en vierde rang die bij ons altijd grif bewonderd werden met de meest ongebreidelde domheid, tegen de platte ijver en de subtiele kunstweverij, tegen de Gladkovs en de Maurois', dat ik niet anders kan doen dan tot het uiterste getuigen van mijn geestdrift bij een boek als dit, ook als het van een vriend komt. Voor de voorzichtige Hollander die gevaar loopt de daalder te betreuren die hij ervoor uitgaf, moet ik hier dus meteen open kaart spelen: dit boek werd mij opgedragen, en er is geen boek, in de hele hedendaagse literatuur, geen boek na Larbaud's Barnabooth, dat in 1913 verscheen, dat ik meer bewonder en liefheb dan juist dit. Er bestaat voor mij in al de werkjes en werken die ik om mij heen zie verschijnen - en die ik nog lees - geen sterker en vollediger getuigenis van een mens, die ik zo onverdeeld bewonder, geen boek van een tijdgenoot, schrijver van mijn eigen generatie, dat ik zo zonder voorbehoud aanvaard. Ik geloof ook niet dat er een sterker getuigenis bestaat: aangrijpender en lucider, van het drama van deze tijd. La Condition Humaine, de derde roman van André Malraux, is doeltreffender, want onvergelijkelik intelligenter, dan het hees en verwoed protest van Céline in Voyage au Bout de la Nuit, dat, als men de Franse literatuur alleen beschouwt, zeker een der machtigste temperamenten verried van al wat zich tegenwoordig op het papier uitleeft. Het is niet minder intelligent, niet minder omvattend, maar èn sterker, èn dieper, èn vooral aangrijpender, dan Gide's Faux-Monnayeurs. Dat in deze omstandigheden het boek niet bepaald voor mijn partikulier genoegen geschreven werd, is iets dat voor mij altans vaststaat; zozeer, dat zelfs de slimheid van de

[p. 582]

mijnheer met de bedreigde daalder erbij in het niet verzinkt.

Gabriel Marcel, die in L'Europe Nouvelle een van de helderste besprekingen gaf, tot dusver over dit boek verschenen, zegt - na eerst met nadruk te hebben verklaard dat hij het bewondert ofschoon hij het niet bemint - dat men met een andere inkt erover zou moeten schrijven dan over deze of gene ‘interessante’, ‘delikate’ of ‘originele’ roman. Deze filosoof en kritikus van de gelovige kant, die zich uiteraard als tegenstander van Malraux opstelt, heeft geen woorden genoeg om al de kwaliteiten van diens boek naar voren te brengen, en als men aan het eind van zijn artikel gekomen is, zoekt men tevergeefs naar een ander bewijs van zijn gebrek aan liefde ervoor, dan men vinden kan in de kwalifikatie intolérable. De sfeer van dit ‘buitengewoon eerlike, zelfs brandende’ getuigenis, van dit ‘moeilike, gespannen, en zelfs hypergespannen’ boek, is intolérable, en als ik Gabriel Marcel goed begrepen heb: omdat wij eerstdaags misschien allen gedwongen zullen zijn om deze sfeer van verschrikking te beleven; omdat het er, voor het leven of voor de literatuur, niets toe doet dat deze ‘roman’ zich afspeelt gedurende de Chinese revolutie in 1927: Entre les geôles de Shanghaï et les cachots hitlériens, staliniens ou fascistes, il n'existe pas de différence fondamentale... Men kan misschien moeilik liefhebben wat men vreest. De oude bezwaren tegen Malraux, waaronder de beschuldiging van sadisme natuurlik een eerste plaats innam, rijzen op in dat ene woord: te veel dood, te veel aktie met alle gewetenloosheid die daaraan vastzit, te veel wanhoop, te weinig hoop, een pessimisme, een gevoel van eenzaamheid, de bewustheid van de menselike staat ook tijdens de aktie, ook in de enige strijd die het strijden nog waard schijnt en die revolutie heet, de onvermijdelike ondergang na de ontwikkeling van het edelste in de mens, dat zich scheen te kristalliseren bij kookpunt. De nutteloosheid van dit alles, omdat het zich afspeelt zonder apoteoze of wederopstanding, zonder de troost zelfs die van de hemel is. De ‘menselike waardigheid’ is de enige beloning die voor de edelsten van Mal-

[p. 583]

raux' personages is weggelegd: en de eerste kristenen mogen er hun slavenstaat mee verheerlikt hebben, voor de kristen van nu is het de bittere beker die hij niet als laatste dronk aanvaarden kan. Er moest meer hoop zijn in dit boek, voor de gelovige, al mocht het alle andere kwaliteiten hebben, al heeft het: ce mérite insigne... d'avoir fixé avec une rigueur indéfectible le moment le plus tragique peut-être que notre espèce ait traversé depuis les débuts de l'ère chrétienne.

Afgezien van het gebrek aan hoop, verdelen de bezwaren zich in twee grote kategorieën. Bezwaren van het soort kritici dat spreekt van ‘machtig’ en nog wat, maar dat helaas geen ‘meesterwerk’ ontdekken kon, bezwaren van het ras dat nog steeds gekweld moet zijn omdat De Demonen niet geschreven werd door Racine. De andere kategorie - scherpzinniger, ten slotte - verwijt dit boek een te grote en te voortdurende aanwezigheid van intelligentie. Malraux antwoordt hierop dat zijn boek niet alleen het boek is van het menselik tekort en de menselike eenzaamheid, maar van het bewustzijn of de bewustwording daarvan: ‘ieder mens eindigt met klaar te zien in zijn eigen drama’. Maar het bezwaar houdt vast: de personages begrijpen zichzelf niet alleen (getuige de jonge terrorist Tsjen, die gaandeweg intelligenter wordt tegenover zijn eigen probleem), zij ontvangen van hun ‘tegenspelers’ de enig juiste antwoorden, de enige repliek die van een gesprek een feilloze diagnose maakt, waarachter men de beheersende intelligentie, die van de schrijver, duidelik voelt denken. Ditzelfde verwijt gold de twee hoofdfiguren van La Voie Royale: Claude en Perken, de jongere en de oudere avonturier, of de avonturier in twee fazen. Er is in La Condition Humaine een scène aan het slot waarin Malraux zonder enige illuzie een partijtje financiers tekent; ‘het zijn marionetten,’ zegt dan iemand die nog niet heeft kunnen aanvaarden dat dit soort financiers marionetten zijn. Malraux zou enige aanverwante scènes moeten schrijven over botte avonturiers, enkel gedreven door winstbejag, over hypokriete revolutionairen, enkel gedreven

[p. 584]

door een arrivisme langs de andere kant, om het verwijt te ontkrachten dat zijn personages te veel op hemzelf lijken, dat er te weinig intelligenties à la Malraux over de wereld verspreid zijn om al deze gesprekken te voeren, dat men, als men ‘realisties’ wil voelen, zelfs een kleine groep mensen op Malraux' peil niet aanvaarden kan. De werkelike bestrijding lijkt mij: dat het ‘realisme’ hier alleen banaliserend werken kan, dat het beter is zó - ook als men kijkt naar de legio boeken vol sterke en subtiele banaliteit, waar de wereldmarkt door is overstroomd. Misschien heeft Malraux de vraag opgelost hoe Nietzsche romans kon hebben geschreven, indien hij, met zijn ‘hoofd’ en zijn ‘ziel’ de middelen van een romancier en zelfs van een opmerkelik verteller had gehad. De uiterlike middelen van Dostojevsky zijn zeker realistieser dan die van Malraux, maar deze realistiese vizie is dan ook schuld aan het bederf van de vele jonge burgers die Dostojevsky niet meer zagen, omdat zij zijn personages in vlees en bloed aanvaardden: de studentjes die Iwan, de bohemertjes die Dmitri Karamazov dachten te zijn, werden het levend getuigenis van zulk een verkeerde kijk.

In de plaats van Malraux zou ik na La Condition Humaine één ding duidelik beseffen: mijn schrijvers-eenzaamheid. Geloofd worden of aangevallen, wat doet het ertoe, hierna? Hij moet terecht het gevoel hebben nu definitief zijn ‘wereld’ tot uiting te hebben gebracht; hij kan moeilik verder gaan in deze sfeer; hij kan variëren, moeilik dieper, misschien zelfs niet kompleter zijn. Het boek eist een reaktie, en als de kristenen zich hebben uitgesproken, komen de revolutionairen - met hoeveel meer recht, met hoeveel meer vat op de schrijver van dit boek? Wanneer morgen de ‘beste kritici van Sovjet-Rusland’ zich over La Condition Humaine zullen hebben uitgesproken, zullen zij Malraux waarschijnlik niets nieuws hebben geleerd. Nietzsche was een aartsburger voor Plekhanov; de man van de menselike eenzaamheid bij revolutionair kookpunt moet een burger zijn op deze manier, voor de ‘zuiveren’ onder de broeders die nog niet een stap naar het individu-

[p. 585]

alisme hebben teruggedaan, zoals sedert enige tijd weer mogelik schijnt. Tsjen, de terrorist die gedreven wordt door één dorst: het kennen van de eigen dood; die een mystiek wil maken van het terrorisme, waardoor het protest van de enkeling zal worden gerechtvaardigd; die, terwijl hij op het dak van een huis arm aan arm met de kameraden een keten vormt welke nodig is om niet op straat te pletter te vallen op de eigen bommen zoals daarnet met twee anderen gebeurd is - die op dat moment voelt hoezeer hij alléén is, kollektief niet oplosbaar, is een verouderd personage voor Ilja Ehrenburg 25. De rest van de revolutionaire kritiek is op dezelfde manier met matematiese zekerheid te voorspellen: er is te weinig aandacht besteed aan de massa, figuren als Hemmelrich en Katov zijn ‘bruikbaar’, Kyo waarschijnlik ook, om de exaltatie van zijn dood, ofschoon met enig voorbehoud over het liefdesprobleem dat hem - een organisator in volle aktie! - bezighoudt; maar een figuur als Gisors eindigt te ‘laf’ kontemplatief; en de mytomaan Clappique vindt slechts genade in de ogen van alle partijen, omdat hij de figuur is die door een oppositie van humor alleen neutraal blijft. Clappique is de gracioso en de fool, maar radikaal vernieuwd, zózeer dat men zich nauweliks rekenschap geeft op welkemagistrale wijze hij de oude rol handhaaft: doeltreffend als enige tegen-logika van de tragiek die door het hele boek smeult en brandt, tegenpool ook van de oude Gisors, wiens intelligentie het boek schijnt te vullen en de andere personages schijnt te bezielen, ook waar hijzelf niet aanwezig is. Schijnt, want Gisors vervangt soms op dankbare wijze Malraux. Om Gisors te maken was op zijn minst de intelligentie van Malraux nodig; om Clappique te maken diens fantazie en humor, beide even persoonlik - te situeren ergens tussen Hoffmann en Jarry.

[p. 586]

Als het erom ging te weten welke personages Malraux zelf kiest, welke altans hem meer dan de andere vertegenwoordigen, dan zou ik aanwijzen: Gisors en Clappique, als de grenzen van zijn wezen, met als middelpunt de figuur die het denken in de handeling heeft omgezet: Kyo. Symbolies gesproken lijkt het geen toeval dat Kyo de zoon is van Gisors. Voor Gisors de gedachte, het begrijpen, de leiding door de geest, maar verder de vlucht in de opium, en tenslotte, als alle mogelikheid tot handeling in Kyo zelf zal zijn ondergegaan, de opium definitief, en de kontemplatie: maar dan een die het laatste woord aan Gisors schijnt te geven, ondanks alle marxistiese teorieën en trotskystiese aktie, een berusting, zo hoog over alles heen en zo volmaakt, dat men met volle kracht de àndere grootheid voelt, die niet van de daad is. Voor Kyo, van het begin af reeds een begrijpen dat van zijn vader komt, een zuivere maar pasklare ideologie voor de menselike staat in kollektieve vorm, waarnaar hij handelen zal, als vanzelfsprekend, waarvoor hij zijn leven geven zal, en in exaltatie. Wellicht geeft Katov prakties gesproken het hoogste voorbeeld van de revolutionaire broederschap, wanneer hij zijn vergif afstaat aan twee kameraden en hun doodsangst overneemt voor een gruweliker dood - niettemin blijft Kyo ideologies de zuiverste representant van deze zelfde broederschap: de kommunie met de anderen is bij hem zo natuurlik, dat Malraux om zijn eenzaamheid aan te geven, zijn zwakke plek en zijn menselik tekort, de jaloezie heeft moeten aangrijpen. Kyo lijdt door zijn vrouw, May, die hem gekozen heeft tot in de dood, voor wie de dood meer dan ieder fysiek kontakt de opperste vereniging betekent, maar die hem - om haar vrijheid te bewijzen, uit medelijden voor de ander, uit sensualiteit, wat doet het ertoe? - verraadt (aangezien men niet mag zeggen: bedriegt), zich beroepende op zijn toestemming. Hij lijdt, ondanks de aktie, ondanks zijn inspanning om ook hier tegen zijn eigen gevoel te denken en haar vrijheid te erkennen, niet alleen met zijn verstand maar met zijn bloed; - hij slaagt er niet in, en mengt zijn aktie met zijn jaloezie, staat zelfs

[p. 587]

op het punt zich op haar te wreken door haar te verbieden met hem mee te gaan wanneer de dood zo goed als zeker is. Het menselik tekort dat zich hier manifesteert, is wederom ‘burgerliker’ mischien, maar aangrijpender dan het tekort dat Kyo voor zichzelf realiseert, wanneer hij, door de Derde Internationale losgelaten, zich veroordeeld ziet tot een trotskystiese handeling, die revolutionair heroïes mag zijn, maar waarvan de mislukking geen oogenblik te betwijfelen valt. Als Kyo zich bijna wreekt op May, die toch zijn kameraad is, ook in revolutionaire zin, is hij een individueel optredend mens, niet minder dan Tsjen die zijn doodsverlangen weet te verbinden aan een revolutionaire daad.

Als Tsjen onjuist lijkt, spreekt het partij-vooroordeel: literair gesproken is dit personage zeker een van de sterkste, en zijn dood, als hij zich met zijn bom eindelik onder de auto heeft geworpen waarin hij Sjang Kaï Sjek waant, vult een van de sterkste bladzijden van het boek. (Ik kan mij voorstellen dat voor sommigen de fysieke momenten, door Tsjen vertegenwoordigd, de beste zijn, want degene die het meest ‘in het bloed’ nablijven.) Tsjen, die het boek opent op een manier die onmiddellik de lezer overweldigt: staande voor het bed in de hotelkamer waarin de man ligt op wie hij zijn eerste moord zal plegen - schijnt in zijn psychologie geïnspireerd te zijn op de terrorist Kaliajev, vriend van Boris Savinkov. Bij Kaliajev vindt men de woorden terug die zo karakteristiek zijn voor Tsjen: ‘Er is één manier om niet te missen; mijzelf met de bom onder de wagen te gooien.’ Maar Malraux voert de ideologie van de terrorist in Tsjen door, op een wijze die de Sovjet-geest gelijk geven zou als het ging over een Kaliajev, want deze schreef uit de gevangenis een afscheidsbrief vol van de broederlikste vervoering; alleen, de eenzaamheid van de terrorist wordt door Savinkov zelf weer bewezen, het drama en de mystiek van Tsjen zijn, minder ver doorgevoerd, minder lucide en bijgevolg symbolies, in de getuigenissen van Savinkov aanwezig: de psychose van de moord eerst, van het doodsverlangen daarna. Anders dan voor het partij-

[p. 588]

vooroordeel is Tsjen dus, zoal ideologies verscherpt, feitelik onbetwijfelbaar, en onder de tragische figuren van Malraux is hij wellicht het meest ‘driedemensionaal’, om deze eis van de kritiek eens te laten gelden.

De intelligentie van Malraux beheerst zijn personages volledig: d.w.z. zij vormt hen niet alleen, maar jaagt hen ook tot in het absolute voort, zij stroomt soms over hen heen wanneer het niet meer mogelik schijnt dat de personages zelf hun laatste waarheden vinden. Dat het plan, waarop zich zodoende hun drama afspeelt, hoog maar smal wordt, is alleen juist wanneer men als eis stelt dat ook de domheid zich uitvoerig komt manifesteren: in de vorm van een fruitvrouw bijv. of van een koncierge; en trouwens, ook dit soort figuren ontbreekt niet helemaal, getuige de politiechef Martial, zelfs voor wie de Parijse scène met de financiers te satyriek vindt. Als men de variatie van de figuren in aanmerking neemt, is deze smalheid echter merkwaardig gevarieerd, en van een rijkdom waartoe weinigen in staat zijn, want ieder personage is ongeveer een boek waard. Er zijn, in deze uiterst gespannen, maar daarom meesterlik gekomponeerde roman, enige kruisingen bereikt, die op zichzelf alle aandacht verdienen. In de eerste plaats: is het een roman zonder hoofdpersonen, zo ongeveer als de kollektieve mode dit wil? of met bijna niets dan hoofdpersonen? De vraag lijkt mij op beide wijzen bevredigend te beantwoorden; één centrale hoofdpersoon altans ontbreekt, en hierin verschilt de oude Gisors bijv. van Edouard in Les Faux-Monnayeurs, dat voor Frankrijk het nieuwe genre heeft ingewijd van de z.g. ‘roman-fleuve’. Als ‘roman-fleuve’ beschouwd is La Condition Humaine bovendien uiterst geserreerd: de gevechten, de atmosfeer zijn niet alleen niet verwaarloosd, maar ongewoon knap weergegeven, en toch is het of Malraux minder dan ooit zijn kracht heeft gezocht in de ‘lokale kleur’. Nogmaals schijn: bij een zo volgehouden en gevarieerd spel met de personages, een zo verwoede wrijving van deze menselike staten tegen elkaar ook (want in de wrijving voltrekt zich het bewustzijn van iedere indi-

[p. 589]

viduele staat) verbleekt de rest, of liever, is de rest alleen nog maar van nut voor een derde dimensie die als het ware beantwoordt aan de sensualiteit van de lezer voor wie de personages niet alleen zichtbaar, maar ook tastbaar moeten zijn. Wat Malraux van de ‘moderne techniek’ geleerd moet hebben, is de snelheid waarmee hij èn precies èn kompleet weet te zijn; zijn schrijfwijze blijft op een Franse manier geserreerd, ondanks het on-Franse karakter van zijn ideologie. In een artikel van Emmanuel Berl heette La Condition Humaine nauweliks minder ingewikkeld dan Oorlog en Vrede; men kan zich met deze uitspraak onmiddellik verenigen wanneer men bedenkt dat zelfs in de sobere stijl van Tolstoi dit boek misschien vijfmaal zoveel bladzijden zou hebben vereist.

De faktoren waaruit La Coudition Humaine, niet technies, maar in wezen bestaat, zijn: een luciditeit die als men wil tot een ‘sadistiese’ wreedheid gaat, bediend door een intellektueel arsenaal, waarin het filosofiese en psychologiese om de voorrang strijden. Het streeft dus naar die hopeloosheid en dat pessimisme van de menselike waardigheid, die zich rechtvaardigen, omdat alle handeling hoe dan ook, door de dood zal worden vernietigd; het beschikt over een vermogen om een sfeer te doen aanzwellen van de beklemmendste verschrikking, een wereld van foltering, strijd tot het uiterste, wreedheid en zelfvernietiging, terwijl die sfeer toch, voortdurend op een ander peil gebracht, want ‘filosofies’ verklaard wordt. Het bloed en de tragiese dood hier gaan niet alleen, ofschoon geen enkele heiland uit andere sferen aan een oproep had te gehoorzamen, zij worden door de intelligentie ideologies doorlicht, zoniet gerechtvaardigd. De rechtvaardiging van dit alles had Malraux in botsing kunnen brengen met niemand minder dan God; de verklaring heeft hij op zich genomen met eigen krachten, gaande naar zijn éne konklusie: de konstatering en de berusting van het menselik tekort, maar de mogelikheid ook van een uiterste menselike waarheid. Er is niemand in dit boek, altans onder hen die zich met hun persoonlik drama bezighouden, die niet streeft naar de

[p. 590]

edelste, dat wil zeggen de grootste zelfexpressie; het kookpunt van de revolutionaire sfeer werkt dit proces, ook bij de ‘tegenstanders’, in de hand. En het is de sfeer van bloed en tragiek zelf waardoor deze edelheid zo geheel anders werkt dan de altijd wat weemakende edelheid die uit de konflikten en levenslessen opstijgt van de romans van het huisgezin: zij is hier behalve zelfexpressie ook oppositie, worstelend tegen de dikke laag van kleverige banale wreedheid die overal in het boek loert en sommige gedeelten geheel overstroomt, ofschoon zij in de personages van het eerste plan werd gelokaliseerd.

De houding van de generatie van na de oorlog was òf landerig en slap (kracht zoekend uitsluitend door meegeven en afweer) òf hard; tot deze laatste kategorie zou men de mens à la Garine kunnen rekenen, uit Malraux' Conquérants, ondanks zijn ‘broederlikheid’ aan het eind, ondanks zijn eenzaamheid ook, die hem met de personages van La Condition Humaine nog meer dan genoeg verbindt. Voor de Sovjet-geest moet Garine echter een individualist gebleven zijn van het verwerpelike soort; terwijl dan in dit nieuwe boek een groter tederheid, een grotere menselikheid, in de humanitaire zin, heten ontbloeid. Dit lijkt mij slechts zeer gedeeltelik waar, en, àls het waar is, voornamelik op rekening te schrijven van een gotere romanciersrijpheid, die een grotere rijkdom aan materie te verwerken wist. De eenzaamheid van Garine was een menselik tekort, niet groter en niet kleiner, ook moreel gesproken, dan dat van Tsjen; de werkelik hoogste figuur in dit nieuwe boek lijkt mij, in die zin, Gisors, omdat de opperste kontemplatie hoger en verder strekt misschien dan de uiterste aktie. Er is een onmiskenbare teerheid in de scène van de dood van Kyo, van Katov, in de afschuwelike vernederingen van Hemmelrich zelfs, maar er was een teerheid ook in het afscheid van Garine van zijn vriend aan het slot van Les Conquérants, wanneer de vriend weet dat hij eigenlik ten dode gedoemd is en hijzelf dit vermoedt, en deze zelfde teerheid en eenzaamheid werden slechts meer uitgewerkt in de slotscène van La Voie

[p. 591]

Royale: de dood van Perken die voelt dat Claude een vreemdeling voor hem wordt, terwijl Claude, intens naar hem kijkend, zich mee voelt sterven.

‘De grote tijden, van dichtbij gezien, zijn donker,’ heeft Trotsky onlangs gezegd; misschien kan men geen beter woord bedenken om aan te geven dat Malraux' pessimisme niets uitstaande heeft met het bulkende of zeurige pessimisme van de officiële zwartkijkers, dat altijd van de afstand moet leven. Ook hij die een volkomen verschillend standpunt wenst in te nemen, zou, terwijl hij La Condition Humaine las, de schrijver absoluut gelijk moeten geven; hij zou, ook protesterende uit naam van zichzelf, moeten erkennen dat in déze sfeer, ‘van dichtbij gezien’, het pessimisme uit de onontkoombare logika der gebeurtenissen geboren wordt. Er zijn boeken die bekoorlik zijn, maar geen enkel ander boek laten vergeten; andere, positiever, die alleen met overtuiging het eigen standpunt bepalen; er zijn enkele - waartoe La Condition Humaine behoort - die zo overstelpend zijn, dat zij, zolang zij de lezer in hun macht hebben, alles verdrinken wat aan lezersverleden nog in hem wil tegenspartelen. De intelligentie alleen, de grootste zelfs, bereikt een dergelijke absoluutheid niet, men heeft daarvoor die beroemde man nodig waarover zo vaak gesproken wordt en die men zo zelden vindt, de man die in een gegeven tijdperk werkelik iets te zeggen heeft. De ‘les’ van Malraux is voor sommigen in laatste instantie een heroïese. Dit zelfs onloochenbaar, wanneer men alle civiele of militaire, patriottiese of binnenkamer-heroïek even kan vergeten, wanneer men het woord neemt in de zin van Nietzsche, waar hij zegt dat een gelukkig leven niet mogelijk, dat een heroïes leven het hoogst denkbare is.

De menselike staat van Malraux is die van Nietzsche, niet die van Pascal; zijn ‘menselike waardigheid’, die voor het tekort de enige troost blijft, is nauw verwant aan het Nietzscheaanse heroïsme, en in deze sfeer denkend vindt men wat Malraux meer nog onderscheidt dan zijn intelligentie, wat zijn luciditeit bepaalt: de moed ervan.

[p. 592]

Dezelfde Nietzsche heeft gezegd dat het gebrek aan denkkracht minder een gevolg is van zwakke intelligentie dan van morele lafheid. Te begrijpen wat van zo dichtbij gezien kan worden als de eigen menselike staat, is oneindig moeiliker dan zich te laten verblinden en meeslepen door de tragiek; de moed van Malraux betekent: te begrijpen bij kookpunt, het tragiese te ondergaan en het tezelfdertijd door het begrip te beheersen, te overwinnen, in zekere zin. De foltering van het menselik tekort op haar scherpst, zonder het heul van een betere wereld, vergroot de overwinning van dit begrijpen; en wat men in La Condition Humaine van het begin tot het einde bewondert is het samenvallen van deze twee faktoren: de moed tot de tragiek en de moed tot het begrip. De literaire vermogens zijn hiernaast zo vanzelfsprekend geworden, dat men zich haast schamen zou de kunst die het boek maakte aan een analyse te onderwerpen: op dit peil ware ieder tekort aan talent even fnuikend geweest, als nu het meesterschap evident lijkt.

 

E. du Perron

25Men kan rekening houden met de mening van een zo nauwgezet revolutionair, ook als hij een zeer minderwaardig schrijver is en een meer dan handig journalist. Voor Ehrenburg schijnt iedere appreciatie van Malraux die niet kommunistisch is, te komen van esteten. Tegenover een zo simplisties inzicht wordt men graag weer eens esteet!